ECLI:NL:RBDHA:2026:18536
Rechtbank Den Haag · 2026-07-06 · Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Vovo hangende bezwaar tegen intrekking verblijfsvergunning onbepaalde tijd, de minister verzet zich niet tegen toewijzing van de vovo
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummer: NL26.13716 V-nummer: [V-nummer] uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [verzoeker] , geboren op [geboortedag] 2000, van Azerbeidzjaanse nationaliteit, verzoeker (gemachtigde: mr. Š. Petković) en de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. S.H.F. Pols) Procesverloop Bij besluit van 20 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd van verzoeker met terugwerkende kracht ingetrokken vanaf 26 december 2016, tegen verzoeker een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van tien jaar uitgevaardigd en verzoeker voor de duur van tien jaar in het SIS gesignaleerd. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt de rechtsgevolgen van het bestreden besluit op te schorten en te bepalen dat verzoeker het bezwaar in Nederland mag afwachten. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb uitspraak zonder zitting. Overwegingen 1. Verzoeker heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht. De voorzieningenrechter wijst dit verzoek toe. 2. Op grond van artikel 8:81 van de Awb kan hangende een bezwaarprocedure de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 3. De minister heeft bij brief van 29 juni 2026 aan de rechtbank meegedeeld dat hij zich niet verzet tegen hetgeen is verzocht, voor zover dit ziet op het niet uitzetten van verzoeker totdat op het bezwaar is beslist. 4. Nu de minister zich niet verzet tegen het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening en de voorzieningenrechter geen beletselen ziet die zich tegen toewijzing van dit verzoek verzetten, zal de voorzieningenrechter dit verzoek toewijzen. Indien het bezwaar wordt ingetrokken of anderszins wordt beëindigd, zal deze voorlopige voorziening komen te vervallen. 5. Omdat het verzoek wordt toegewezen, veroordeelt de voorzieningenrechter de minister in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt € 934,- en een wegingsfactor 1). Beslissing De voorzieningenrechter, - wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe; - bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit worden opgeschort en verzoeker niet mag worden uitgezet totdat op het bezwaar is beslist; - veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 934,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Doets, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.G.T. de Hoop, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Schengen Informatiesysteem. Algemene wet bestuursrecht.