← alle zaken
Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:18533

Rechtbank Den Haag · 2026-07-06 · Eerste aanleg - enkelvoudig

Zaaknummer
NL26.4403
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
25.050 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Eiser heeft tussen 2012 en 2016 banden gehad met de Gülenbeweging. Eiser heeft op een militaire school gezeten. Na de couppoging is eiser gearresteerd en heeft hij vastgezeten. Uiteindelijk is eiser vrijgesproken. De minister heeft zijn aanvraag afgewezen. De minister vindt het asielrelaas van eiser geloofwaardig maar volgens de minister heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer gegronde vrees heeft voor vervolging. Met toepassing van het arrest Quotal van het HvJEU maakt de rechtbank een eigen, uitputtende en geactualiseerde beoordeling van zowel de feiten als de behoefte aan internationale bescherming. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister de asielaanvraag van eiser ten onrechte heeft afgewezen. De rechtbank betrekt hierbij dat eiser, zoals ook niet in geschil is, eerder is vervolgd. Dit is een duidelijke aanwijzing dat de vrees voor vervolging gegrond is, tenzij er duidelijke aanwijzingen zijn dat die vervolging zich niet opnieuw zal voordoen. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan niet gebleken. Eiser heeft een document van het Hof van Cassatie overgelegd waaruit blijkt dat het OM heeft verzocht om eisers dossier opnieuw te onderzoeken. Hieruit komt naar voren dat eisers strafzaak nog niet gesloten is. Dit is ook niet onaannemelijk gelet op de landeninformatie. Hieruit blijkt dat personen die eerder werden verdacht en/of een sepot hebben gekregen in de negatieve belangstelling kunnen staan. Daar komt bij dat eiser een militaire cadet is geweest en die specifieke groep staat onder extra aandacht van de autoriteiten. Gelet op de landeninformatie en de persoonlijke omstandigheden van eiser heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Turkije gegronde vrees heeft voor vervolging. De minister heeft zijn aanvraag dan ook ten onrechte afgewezen. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Op basis van alle relevante feitelijke en juridische gegevens en na een uitputtend en geactualiseerd onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming van eiser stelt de rechtbank vast dat aan eiser internationale bescherming moet worden verleend als vluchteling. De rechtbank verwijst de zaak daarom terug naar de minister en draagt de minister op om de gevraagde internationale bescherming te verlenen, tenzij er zich feitelijke of juridische gegevens aandienen die objectief een nieuwe geactualiseerde beoordeling vereisen.

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummer: NL26.4403 V-nummer: [v-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], geboren op [geboortedag] 1995, van Turkse nationaliteit, eiser (gemachtigde: mr. M.P.J.W.M. Govers), en de minister van Asiel en Migratie, de minister. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de kennelijke ongegrondverklaring van zijn aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. 1.1. Eiser heeft op 26 oktober 2023 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 20 januari 2026 kennelijk ongegrond verklaard. Bij het bestreden besluit heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit met een termijn van vier weken uitgevaardigd. 1.2. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. 1.3. De rechtbank heeft de minister via een bericht in het digitale dossier op 2 juni 2026 verzocht om uiterlijk 10 juni 2026 een verweerschrift in te dienen. De minister heeft aan dit verzoek geen gehoor gegeven. 1.4. Vervolgens heeft de minister op 17 juni 2026 aan de rechtbank medegedeeld dat zij niet op zitting zal verschijnen wegens capaciteitsgebrek. Via telefonisch contact heeft de rechtbank aan de minister gevraagd als gevolg daarvan alsnog een verweerschrift in te dienen. Dit heeft de minister nagelaten. 1.5. De rechtbank heeft het beroep op 18 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser en R. Baysal als tolk in de Turkse taal deelgenomen. De minister is met bericht niet verschenen. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. 3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft. Asielrelaas 4. Eiser heeft het volgende aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd. Eiser heeft verklaard dat hij tussen 2012 en 2016 banden heeft gehad met de Gülen-beweging. Eiser heeft op de militaire school gezeten. Na de couppoging is eiser uitgemaakt voor terrorist, is hij gearresteerd en heeft hij vastgezeten. Door zijn familie en de maatschappij is eiser uitgemaakt en bestempeld als terrorist. Bij terugkeer vreest eiser om opgepakt te worden. Bestreden besluit 5. Volgens de minister bevat het asielrelaas van eiser de volgende asielmotieven: identiteit, nationaliteit en herkomst; de problemen door (toegedichte) betrokkenheid bij de Gülen-beweging. 5.1. De minister acht beide asielmotieven geloofwaardig, maar volgens de minister heeft eiser geen gegronde vrees voor vervolging. Volgens de minister heeft eiser zijn vrees dat hij bij terugkeer naar Turkije opgepakt zal worden niet aannemelijk gemaakt. De minister heeft de asielaanvraag van eiser daarom afgewezen. Toetsingskader 6. De rechtbank overweegt dat uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) volgt dat de rechter in eerste aanleg bij wie beroep is ingesteld tegen een besluit tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming de bevoegdheid toekomt om de feiten te beoordelen en een eigen, uitputtende en geactualiseerde beoordeling te verrichten van de bij hem aan de orde gestelde feiten. Dit houdt ook in dat de rechtbank ook rekening mag houden met elementen die in beroep naar voren zijn gebracht, maar die in de bestuurlijke fase nog niet beschikbaar waren. In dat geval moet de rechtbank de beslissingsautoriteit in de gelegenheid stellen om zich uit te laten over deze nieuwe elementen. Verder volgt uit de rechtspraak van het Hof dat indien de rechtbank van oordeel is dat zij beschikt over alle daartoe noodzakelijke feitelijke en juridische gegevens de rechtbank de bevoegdheid heeft om na afloop van een volledig en ex nunc onderzoek een bindende uitspraak te doen over de vraag of de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden voor internationale bescherming. Deze bevoegdheid kan niet worden beperkt. Dit betekent dat de rechtbank de bevoegdheid heeft om een bindende uitspraak te doen over de geloofwaardigheid van het ter staving van het verzoek om internationale bescherming overgelegde relaas, over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade bij terugkeer naar het land van herkomst alsmede over de gegrondheid van het verzoek, rekening houdend met alle elementen die in de beroepsprocedure naar voren zijn gebracht. 6.1. Om voor vergunningverlening in aanmerking te komen moet sprake zijn van een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade. In het arrest Ebilum heeft het Hof uiteengezet hoe deze gegronde vrees getoetst moet worden. De beoordeling of de vrees voor vervolging van een verzoeker gegrond is moet op individuele basis worden verricht. In het kader van die beoordeling moet worden vastgesteld of de gebleken omstandigheden een dusdanige bedreiging vormen dat de betrokkene, gezien zijn individuele situatie, goede gronden heeft om te vrezen daadwerkelijk te zullen worden vervolgd. Deze vaststelling moet berusten op een concrete beoordeling van de feiten en omstandigheden overeenkomstig de regels van met name artikel 4, leden 3 tot en met 5 van de Kwalificatierichtlijn. Artikel 4, derde lid, somt alle elementen op waarmee rekening moet worden gehouden. Artikel 4, vierde lid van de Kwalificatierichtlijn preciseert dat de omstandigheid dat een vreemdeling in het verleden reeds is blootgesteld aan vervolging of dat hij rechtstreeks is bedreigd met zulke vervolging een duidelijke aanwijzing is dat de vrees van de vreemdeling voor vervolging gegrond is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging zich niet opnieuw zal voordoen. De beoordeling of sprake is van een gegronde vrees voor vervolging heeft een subjectieve en objectieve kant. Bij de beoordeling kan niet louter worden uitgegaan van het subjectieve standpunt van de persoon die om internationale bescherming verzoekt, maar moet een individuele, concrete en objectieve beoordeling worden verricht van de persoonlijke situatie van de verzoeker, de feiten en de omstandigheden betreffende het verzoek en de situatie in het land van herkomst. De vrees voor vervolging moet als bewezen worden beschouwd wanneer er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat het door verzoeker aangevoerde risico van vervolging zich zal voordoen bij terugkeer naar het land van herkomst. 6.2. De rechtbank neemt hierbij de verklaringen van eiser en hetgeen hij in beroep heeft gesteld als uitgangspunt. Nu de rechtbank een eigen beoordeling dient te maken en zelf vol mag toetsen (1) of eisers asielrelaas geloofwaardig is en (2) of hij een gegronde vrees voor vervolging heeft danwel een reëel risico op ernstige schade loopt, ziet de rechtbank het bestreden besluit als het standpunt van de minister, daarom zal de rechtbank niet langer eerst aangeven of en waarom er sprake is van een motiveringsgebrek. De rechtbank toetst immers niet zozeer het besluit maar dient zelf een volledig en ex nunc onderzoek te doen. Dit betekent dat in voorkomende gevallen de rechtbank niet in zal gaan op alle tegenwerpingen van de minister. 6.3. Op 12 juni 2026 is het Asiel- en Migratiepact ingegaan. Met dit pact zijn diverse richtlijnen omgezet naar verordeningen. Onder meer de Kwalificatierichtlijn is ingetrokken en vervangen door de Kwalificatieverordening. De Kwalificatieverordening kent geen overgangsrecht. Omdat de rechtbank een volledig en ex nunc onderzoek dient te verrichten, zal de rechtbank uitgaan van het recht zoals dat gold ten tijde van het sluiten van het onderzoek. Dit betekent dat de rechtbank zal toetsen aan de Kwalificatieverordening. Bespreking van de beroepsgronden 7. De rechtbank overweegt dat zij de minister bij bericht van 2 juni 2026 expliciet om een verweerschrift heeft gevraagd. De rechtbank heeft de minister in dit bericht een tweetal vragen gesteld en gevraagd of de minister, indien de minister het besluit niet wilde intrekken, hierop schriftelijk wilde reageren. De minister heeft dit nagelaten. Ook nadat de rechtbank de minister op 17 juni 2026 telefonisch nogmaals expliciet heeft gevraagd om een verweerschrift in te dienen, heeft de minister dit niet gedaan. In artikel 8:42 van de Awb is geregeld dat het indienen van een verweerschrift een bevoegdheid is van het bestuursorgaan. Het bestuursorgaan is hiertoe niet verplicht, tenzij de rechtbank expliciet om een verweerschrift vraagt. In dat geval is het bestuursorgaan wel verplicht om een verweerschrift in te dienen. Ondanks deze verplichting heeft de minister hier niet aan voldaan. Nu de minister geen verweerschrift heeft ingediend en ook niet ter zitting is verschenen, zal de rechtbank in voorkomende gevallen de stellingen van eiser als onweersproken beschouwen. De minister is immers in de gelegenheid geweest om op eventuele onwelvallige stellingen te reageren, maar heeft er zelf voor gekozen dit niet te doen. Dit neemt niet weg dat de rechtbank ook een eigen verantwoordelijkheid heeft en niet elke stelling van eiser zonder meer zal volgen. Echter, in die gevallen waarin het de rechtbank niet vreemd voorkomt, zal de rechtbank uitgaan van hetgeen eiser heeft gesteld. De beleidswijziging en overschrijding van de beslistermijn 8. Eiser heeft zich allereerst op het standpunt gesteld dat de beleidswijzigingen van de minister van 1 december 2023 en 1 juli 2024 ten aanzien van Gülen-aanhangers geen stand kan houden. Eiser verwijst hierbij naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplek van 1 juni 2026 . Ook heeft eiser aangevoerd dat hij is benadeeld door het overschrijden van de beslistermijn. Als de minister wel binnen de beslistermijn had beslist op zijn aanvraag, was zijn aanvraag immers ingewilligd. 9. Omdat de rechtbank hieronder tot het oordeel komt dat eiser aan het individualiseringsvereiste heeft voldaan en in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning, zal de rechtbank de beroepsgronden die zien op de beleidswijziging en de overschrijding van de beslistermijn niet bespreken. De vraag of de beleidswijzigingen stand kunnen houden, voegt hier immers niets toe. Risico op strafrechtelijke vervolging in Turkije 10. Eiser voert aan dat uit de werkwijze van het Turkse Openbaar Ministerie (hierna: OM) volgt dat zij willen dat eiser wordt veroordeeld als terrorist. Eiser is nu vrijgesproken als gevolg van een gebrek aan bewijs, maar het OM zal volgens eiser niet rusten totdat hij is veroordeeld. De minister blijft ook ten onrechte de legale uitreis van eiser tegengeworpen en stelt zich ten onrechte op het standpunt dat de legale uitreis afbreuk doet aan de stelling dat eiser in de negatieve belangstelling staat van de Turkse autoriteiten. Tot slot heeft eiser op individueel niveau aannemelijk gemaakt dat hij in de negatieve belangstelling staat van de autoriteiten en heeft daarnaast gewezen op algemene informatie die zijn overwegingen verder onderbouwen. 11. Niet in geschil is dat eiser in het verleden is vervolgd door de Turkse overheid. In geschil is de vraag of eiser bij terugkeer naar Turkije wederom te vrezen heeft voor vervolging vanwege zijn toegedichte betrokkenheid bij het Gülenisme. 12. De rechtbank overweegt dat eisers eerdere vervolging vanwege zijn toegedichte politieke overtuiging een daad van vervolging is in de zin van artikel 3.36 van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (hierna: VV 2000). Uit artikel 4, vierde lid, van de Kwalificatieverordening en artikel 31, vijfde lid, van de Vreemdelingenwet 20000 (hierna: Vw 2000) volgt dat blootstelling aan vervolging of ernstige schade in het verleden een duidelijke aanwijzing is dat de vrees voor vervolging gegrond is en het risico op ernstige schade reëel. Daar komt bij dat bij eerdere blootstelling aan vervolging of ernstige schade, de bewijslast naar de minister verschuift en hij moet motiveren waarom die zich niet opnieuw zal voordoen. 13. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister een verkeerd toetsingskader toegepast. Uit het voornemen en het bestreden besluit blijkt dat de minister zich op het standpunt heeft gesteld dat het eiser is die niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij opnieuw voor vervolging te vrezen heeft. Dit terwijl het aan de minister is om aannemelijk te maken dat eiser niet opnieuw te vrezen heeft voor vervolging. Het beroep is dus gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. In het kader van de finale geschilbeslechting en in het licht van het arrest Quotal, zal de rechtbank zelf een beoordeling maken van de geloofwaardigheid van het ter staving van het verzoek om internationale bescherming overgelegde relaas, over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade bij terugkeer naar het land van herkomst alsmede over de gegrondheid van het verzoek, rekening houdend met alle elementen die in de beroepsprocedure naar voren zijn gebracht. 14. Naar het oordeel van de rechtbank is het relaas van eiser geloofwaardig. Dit is tussen partijen ook niet in geschil. De rechtbank ziet geen aanleiding om hier anders over te oordelen. Dan rest de vraag of de vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade aannemelijk is en of het verzoek om internationale bescherming gegrond is. De rechtbank beantwoordt die vragen bevestigend en zal hieronder uitleggen waarop zij dat oordeel baseert. 15. De rechtbank betrekt hierbij allereerst dat eiser eerder is vervolgd in vluchtelingrechtelijke zin. Eiser is immers vanwege zijn politieke overtuiging strafrechtelijk vervolgd. Zoals hierboven ook al opgemerkt is blootstelling aan vervolging in het verleden een duidelijke aanwijzing dat de vrees voor vervolging gegrond is. De rechtbank weegt dit mee in haar beoordeling. 16. Ter staving van zijn stelling dat hij bij terugkeer wel degelijk te vrezen heeft, heeft eiser een document van het Turkse Hof van Cassatie overgelegd. Hieruit blijkt dat de Advocaat-Generaal het Hof van Cassatie heeft verzocht om eisers dossier te onderzoeken. Eiser heeft dit document na zijn nader gehoor overgelegd. Ter zitting heeft eiser onweersproken verklaard dat hij na zijn nader gehoor, toen hem duidelijk was dat hij nog meer documenten diende te overleggen, contact heeft opgenomen met zijn Turkse strafadvocaat. Deze advocaat heeft uit eisers strafdossier dit document gehaald en aan eiser gezonden. Deze gang van zaken komt de rechtbank niet vreemd voort. Uit het algemeen ambtsbericht volgt immers dat: “Het hangt van de aard van de zaak af of tijdens een strafrechtelijk onderzoek de stukken wel of niet raadpleegbaar zijn in UYAP . Indien de Turkse autoriteiten de zaak als ‘gevoelig’ beschouwen, zullen de stukken niet zichtbaar zijn in UYAP. Indien de zaak niet als gevoelig wordt gezien, kunnen de stukken tijdens de onderzoeksfase wel raadpleegbaar zijn in UYAP. Een gevolmachtigde advocaat kan daartoe toegang krijgen. Deze mogelijkheid geldt niet voor het burgerportaal. Zodra de verdachte daadwerkelijk is aangeklaagd en er een strafzaak in gang is gezet, zijn de stukken in UYAP raadpleegbaar voor zowel de advocaat als de gedaagde.” Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser een voldoende bevredigende verklaring gegeven waarom hij dit document pas iets later in de procedure, namelijk na de correcties en aanvullingen, heeft ingebracht. Tijdens het nader gehoor heeft eiser aangegeven dat het document niet in zijn UYAP staat. In de brief van 15 januari 2026 geeft de gemachtigde van eiser ook aan dat eiser, na bespreking van het belang van documenten, nogmaals navraag heeft gedaan om te kijken welke aanvullende documenten hij kon krijgen. Dat eiser het document niet zelf kon inzien, maar zijn strafadvocaat wel, is in overeenstemming met de landeninformatie. De rechtbank betrekt dit document dan ook bij haar beoordeling. 17. Uit het document komt naar voren dat eisers strafzaak nog niet gesloten is. Gelet op de landeninformatie is dit ook niet onaannemelijk. De (negatieve) belangstelling van de Turkse overheid tegenover (vermeende) Gülenisten hoeft niet per se op te houden na een veroordeling of een beslissing tot niet vervolging. De Finse immigratiedienst schrijft dat meerdere bronnen aangeven dat de Turkse overheid opnieuw kan overgaan tot een strafrechtelijk onderzoek en vervolging van (vermeende) Gülenisten. Ook [de persoon] beschrijft dat personen die eerder werden verdacht van betrokkenheid bij de Gülenbeweging, opnieuw in de negatieve belangstelling van de overheid kunnen komen te staan. In het Algemeen Ambtsbericht is opgemerkt dat het onduidelijk is of vrijgelaten Gülenisten opnieuw vervolgd worden. Daar komt verder bij dat eiser behoort tot een specifieke groep (vermeende) Gülenisten die in de negatieve aandacht staan van de Turkse overheid. Volgens de Finse immigratiedienst staan individuen die eerder een sepot hebben gekregen dan wel zijn vrijgesproken of een deel van hun straf niet hebben uitgezeten terzake Gülenisme in de negatieve belangstelling van de Turkse overheid. Daarbij volgt voorts uit de landeninformatie dat de (negatieve) belangstelling van de Turkse overheid jegens (vermeende) Gülenisten niet per se hoeft op te houden na een veroordeling of beslissing tot niet vervolging. De Finse immigratiedienst schrijft dat meerdere bronnen aangeven dat de Turkse overheid opnieuw kan overgaan tot een strafrechtelijk onderzoek en vervolging van (vermeende) Gülenisten. Ook [de persoon] beschrijft dat personen die eerder werden verdacht van betrokkenheid bij de Gülenbeweging, opnieuw in de negatieve belangstelling van de overheid kunnen komen te staan. In het Algemeen Ambtsbericht is opgemerkt dat het onduidelijk is of vrijgelaten Gülenisten opnieuw vervolgd worden. Het Algemeen Amtsbericht spreekt verder over dat (vermeende) Gülenisten in het veiligheids- en justitiële apparaat, zoals cadetten, in de negatieve aandacht staan. Eiser heeft op een militaire school gezeten en kan dus als cadet worden aangemerkt. De minister heeft dit ook niet weersproken. 18. Hoewel eiser zelf heeft gesteld dat hij alle banden met het Gülenisme heeft verbroken, maakt dat voor de toets niet uit. Immers, ook een toegedichte politieke overtuiging kan een grond voor vervolging opleveren. Uit het Algemeen Ambtsbericht volgt ook dat vermeende Gülenisten al in de negatieve belangstelling kunnen komen te staan. 19. Dat eiser legaal heeft kunnen uitreizen, maakt niet dat geen sprake is van negatieve belangstelling. Uit het algemeen ambtsbericht volgt immers dat een strafrechtelijke procedure en de mogelijkheid om het land legaal uit te reizen twee verschillende aangelegenheden zijn. 20. Dat eiser in 2019 zelf is teruggekeerd uit de Verenigde Staten naar Turkije, terwijl op dat moment de vervolgingen van Gülenisten al aan de gang waren, maakt ook niet dat de huidige vrees van eiser niet aannemelijk zou zijn. Eiser heeft immers verklaard dat hij verwachtte dat hij niet vervolgd zou worden en als hij wel vervolgd zou worden, dat hij rechtsbescherming zou krijgen. In het licht van de situatie in Turkije in 2019 kan dit wellicht als naïef worden gezien, maar dit maakt nog niet dat eisers huidige vrees onaannemelijk is. Eiser is na zijn terugkeer daadwerkelijk vervolgd. Dit is niet in geschil. De rechtbank dient te beoordelen of eisers huidige vrees aannemelijk is. Omstandigheden die hebben plaatsgevonden voor de eerdere vervolging, hoeven daar niet bij te worden betrokken. De rechtbank doet dat dan ook niet. Naar het oordeel van de rechtbank doet de terugkeer van eiser in 2019 niet af aan de aannemelijkheid van zijn gestelde vrees in 2026. 21. Gelet op de landeninformatie en de persoonlijke omstandigheden van eiser, met name de omstandigheid dat hij eerder is vervolgd en zijn strafdossier nog niet gesloten is, heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Turkije gegronde vrees heeft voor vervolging. Conclusie en gevolgen 22. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikelen 18 van het Handvest als ook omdat aan de voorwaarden uit de Kwalificatieverordening voor het toekennen van vluchtelingrechtelijke bescherming is voldaan en dat uit die verordening dan ook volgt dat een status moet worden verleend. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Op basis van alle relevante feitelijke en juridische gegevens en na een uitputtend en geactualiseerd onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming van eiser stelt de rechtbank vast dat aan eiser internationale bescherming moet worden verleend als vluchteling. De rechtbank verwijst de zaak daarom terug naar de minister en draagt de minister op om de gevraagde internationale bescherming te verlenen, tenzij er zich feitelijke of juridische gegevens aandienen die objectief een nieuwe geactualiseerde beoordeling vereisen. 23. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; verwijst de zaak terug naar de minister en draagt de minister op aan eiser een verblijfsvergunning asiel te verlenen als vluchteling; veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C.E. Krikke, rechter, in aanwezigheid van mr.B. Kingma, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Zie onder andere het arrest van het Hof van 4 juni 2026, Quotal, C-198/25, ECLI:EU:C:2026:447, rechtsoverwegingen 31 tot en met 35. Het Hof verwijst daarbij naar eerdere arresten van het Hof waar dit ook al uit volgt. Arrest Quotal, rechtsoverwegingen 38 en 42. Arrest Quotal, rechtsoverwegingen 45 en 46. Arrest Quotal, rechtsoverweging 58. Zie het Hof, 4 juni 2026, Ebilum, C-440/25, ECLI:EU:C:2026:448, rechtsoverweging 73. Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming en voor de inhoud van de verleende bescherming. Arrest Ebilum, rechtsoverwegingen 73 en 74. Arrest Ebilum, rechtsoverweging 76. Arrest Ebilum, rechtsoverweging 87. Verordening (EU) 2024/1347 van het Europese Parlement en de Raad van 14 mei 2024 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen, en voor de inhoud van de verleende bescherming, tot wijziging van Richtlijn 2003/109/EG van de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2011/95 van het Europees Parlement en de Raad. Zie artikel 41. Algemene wet bestuursrecht. ECLI:NL:RBDHA:2026:14790. Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 17 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6058, onder 10.2 en 10 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1971, onder 3.1. Artikel 4, vierde lid van de Kwalificatieverordening en artikel 31, vijfde lid van de Vw 2000. Ulusal Yargi Ağı Projesi (juridisch informatiesysteem van de Turkse overheid). Algemeen Ambtsbericht Turkije, februari 2025, pagina 20. Nader gehoor pagina 20. Uit ECLI:NL:RVS:2026:1607, r.o. 6.12. De rechtbank heeft dit rapport niet online kunnen vinden. Algemeen Ambtsbericht Turkije, februari 2025, pagina 52. Finse immigratiedienst, ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, paragraaf 1.2.1-1.2.7. Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, p. 11 en 12. Uit ECLI:NL:RVS:2026:1607, r.o. 6.12. De rechtbank heeft dit rapport niet online kunnen vinden. Zie het Algemeen Ambtsbericht Turkije, februari 2025, pagina 52. Algemeen Ambtsbericht Turkije, februari 2025, pagina 49. Algemeen Ambtsbericht Turkije, februari 2025, pagina 20. Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1743, rechtsoverweging 6.1. Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.