ECLI:NL:RBDHA:2026:18531
Rechtbank Den Haag · 2026-07-06 · Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Eisers zijn Gülenisten uit Turkije. Eiser 1 is na de coup ontslagen en is strafrechtelijk vervolgd. Eiser 1 is vrijgesproken door de strafrechter maar de bestuursrechter heeft zijn ontslag in stand gelaten. Eisers vrezen dat indien zij terugkeren zij wederom in de problemen zullen komen. De minister heeft de aanvragen afgewezen. De minister vindt de asielrelazen deels geloofwaardig, maar volgens de minister hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat zij bij terugkeer gegronde vrees hebben voor vervolging. Met toepassing van het arrest Quotal van het HvJEU maakt de rechtbank een eigen, uitputtende en geactualiseerde beoordeling van zowel de feiten als de behoefte aan internationale bescherming. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister de asielaanvragen van eisers ten onrechte heeft afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers wel geheel geloofwaardig verklaard. Gelet op de landeninformatie en de persoonlijke omstandigheden van eisers hebben zij naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat zij bij terugkeer naar Turkije gegronde vrees hebben voor vervolging. De minister heeft de aanvragen dan ook ten onrechte afgewezen. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten. Op basis van alle relevante feitelijke en juridische gegevens en na een uitputtend en geactualiseerd onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming van eisers stelt de rechtbank vast dat aan eisers internationale bescherming moet worden verleend als vluchteling. De rechtbank verwijst de zaak daarom terug naar de minister en draagt de minister op om de gevraagde internationale bescherming te verlenen, tenzij er zich feitelijke of juridische gegevens aandienen die objectief een nieuwe geactualiseerde beoordeling vereisen.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummers: NL26.8336, NL26.8330, NL26.8332 en NL26.8334 (beroepen) NL26.8337, NL26.8331, NL26.8333 en NL26.8335 (voorlopige voorzieningen) V-nummers: [v-nummer 1] , [v-nummer 2] , [v-nummer 3] en [v-nummer 4] uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser 1] , geboren op [geboortedag 1] 1982, eiser en verzoeker 1, [eiseres] , geboren op [geboortedag 2] 1988, eiseres en verzoekster, [eiser 2] , geboren op [geboortedag 3] 2005, eiser en verzoeker 2, [eiser 3] , geboren op [geboortedag 4] 2008, eiser en verzoeker 3, allen van Turkse nationaliteit, hierna tezamen: eisers (gemachtigde: mr. S. Thelosen), en de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. J.D. Albarda). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen de afwijzing van hun asielaanvragen. Eisers hebben op 27 maart 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met de bestreden besluiten van 9 februari 2026 deze aanvragen afgewezen als kennelijk ongegrond. 2. Eisers hebben ook allen individueel een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. 2.1. De rechtbank heeft de beroepen en de verzoeken van eisers op 27 mei 2026 op zitting gevoegd behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, M.A. Budak als tolk in de Turkse taal en de gemachtigde van de minister. De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het onderzoek ter zitting gesloten. 2.2. Bij beslissing van 5 juni 2026 heeft de rechtbank het onderzoek heropend om partijen te laten reageren op de arresten van 4 juni 2026 van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof). De rechtbank heeft hierbij partijen in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 19 juni 2026 te reageren op de vragen van de rechtbank. 2.3. Op 9 juni 2026 hebben eisers hun standpunt naar voren gebracht. Op 19 juni 2026 heeft de minister ook gereageerd. Partijen hebben de rechtbank toestemming gegeven om zonder nadere zitting uitspraak te doen. 2.4. De rechtbank heeft vervolgens op 23 juni 2026 het onderzoek wederom gesloten. Overwegingen 3. De rechtbank beoordeelt of de minister op goede gronden de asielaanvragen van eisers heeft afgewezen als ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers. Ook beoordeelt de rechtbank de verzoeken van eisers om een voorlopige voorziening. 4. De rechtbank verklaart de beroepen van eisers gegrond, en wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De asielrelazen 5. Eisers vormen samen een gezin. Zij hebben allen de Turkse nationaliteit en behoren tot de Koerdische bevolkingsgroep. Eiser 1 en eiseres zijn getrouwd en eiser 2 en eiser 3 zijn hun kinderen. 5.1. Eiser 1 en eiseres hebben verklaard dat zij Gülen-aanhangers zijn en dat eiser 1 in 2016 is vervolgd vanwege betrokkenheid bij de Gülen-beweging. Zij hebben verder verklaard dat eiser 1 is vrijgesproken, maar dat de autoriteiten hen nog steeds als Gülenisten beschouwen. Ook hebben zij verklaard dat eiser 1 per decreet is ontslagen en dat dit door de bestuursrechter in stand is gelaten. Eiser 1 en eiseres stellen dat zij bij terugkeer vrezen om vervolgd te worden door de Turkse autoriteiten. 5.2. Eiser 2 en 3 hebben het bovenstaande ook ten grondslag gelegd aan hun asielrelaas en vrezen voor vervolging van hun ouders. Eiser 2 heeft verder verklaard dat hij twee jaar op een Gülen-school zat. In Nederland voert hij activiteiten uit voor de stichting Kennisplein. Eiser 2 vreest dat hij bij terugkeer zal worden ondervraagd en mishandeld om informatie te verkrijgen over andere Gülenisten in Nederland. Hij vreest ook dat hij geen baan kan vinden, omdat hij onderwijs heeft gevolgd op een Gülen-school. Eiser 3 heeft verder verklaard dat hij zelf problemen op school heeft ondervonden omdat hij buitengesloten werd van bepaalde activiteiten. Hij vreest dat hij bij terugkeer geen werk kan vinden omdat zijn vader als landverrader in het systeem staat. De bestreden besluiten 6. Het asielrelaas van eiser 1 en eiseres bevat volgens de minister de volgende relevante elementen: 1. identiteit, nationaliteit en herkomst; 2. de politieke overtuiging en de problemen die daaruit voortvloeien. 6.1. Het asielrelaas van eiser 2 bevat volgens de minister de volgende relevante elementen: 1. identiteit, nationaliteit en herkomst; 2. dat eiser 2 een aanhanger is van de Gülen-beweging; 3. de problemen vanwege de vervolging van de vader. 6.2. Het asielrelaas van eiser 3 bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen: 1. identiteit, nationaliteit en herkomst; 2. de problemen vanwege de vervolging van de vader. 6.3. De minister heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers geloofwaardig geacht. De minister heeft tevens geloofwaardig geacht dat eiser 1, eiseres en eiser 2 aanhangers zijn van de Gülen-beweging en een politieke overtuiging hebben. De minister heeft de hieruit voortvloeiende problemen voor eiser 1 en eiseres echter niet geloofwaardig geacht. De minister heeft zich in dit kader op het standpunt gesteld dat zij hun verklaringen niet met objectieve documenten hebben onderbouwd. De minister heeft daarom verder beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Volgens de minister is dit niet het geval omdat de verklaringen van eiser 1 en eiseres geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Wat betreft de geloofwaardige politieke overtuiging van eiser 1 en 2 en eiseres heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat zij geen gegronde vrees voor vervolging hebben of een reëel risico op ernstige schade lopen bij terugkeer naar Turkije. Daarbij heeft de minister betrokken dat eiser 1 en 2 en eiseres er niet in zijn geslaagd om aannemelijk te maken dat zij in de negatieve aandacht staan van de Turkse autoriteiten vanwege hun betrokkenheid bij de Gülen-beweging. 7. De minister heeft de aanvragen van eisers kennelijk ongegrond verklaard op grond van artikel 30b, eerste lid, onder h, van de Vw 2000 , omdat zij niet onmiddellijk asiel hebben aangevraagd in Nederland toen dat mogelijk was. Toetsingskader 8. De rechtbank overweegt dat uit de rechtspraak van het Hof volgt dat de rechter in eerste aanleg bij wie beroep is ingesteld tegen een besluit tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming de bevoegdheid toekomt om de feiten te beoordelen en een eigen, uitputtende en geactualiseerde beoordeling te verrichten van de bij hem aan de orde gestelde feiten. Dit houdt ook in dat de rechtbank ook rekening mag houden met elementen die in beroep naar voren zijn gebracht, maar die in de bestuurlijke fase nog niet beschikbaar waren. In dat geval moet de rechtbank de beslissingsautoriteit in de gelegenheid stellen om zich uit te laten over deze nieuwe elementen. Verder volgt uit de rechtspraak van het Hof dat indien de rechtbank van oordeel is dat zij beschikt over alle daartoe noodzakelijke feitelijke en juridische gegevens de rechtbank de bevoegdheid heeft om na afloop van een volledig en ex nunc-onderzoek een bindende uitspraak te doen over de vraag of de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden voor internationale bescherming. Deze bevoegdheid kan niet worden beperkt. Dit betekent dat de rechtbank de bevoegdheid heeft om een bindende uitspraak te doen over de geloofwaardigheid van het ter staving van het verzoek om internationale bescherming overgelegde relaas, over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade bij terugkeer naar het land van herkomst alsmede over de gegrondheid van het verzoek, rekening houdend met alle elementen die in de beroepsprocedure naar voren zijn gebracht. 8.1. Om voor vergunningverlening in aanmerking te komen moet sprake zijn van een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade. In het arrest Ebilum heeft het Hof uiteengezet hoe deze gegronde vrees getoetst moet worden. De beoordeling of de vrees voor vervolging van een verzoeker gegrond is moet op individuele basis worden verricht. In het kader van die beoordeling moet worden vastgesteld of de gebleken omstandigheden een dusdanige bedreiging vormen dat de betrokkene, gezien zijn individuele situatie, goede gronden heeft om te vrezen daadwerkelijk te zullen worden vervolgd. Deze vaststelling moet berusten op een concrete beoordeling van de feiten en omstandigheden overeenkomstig de regels van met name artikel 4, leden 3 tot en met 5, van de Kwalificatierichtlijn. Artikel 4, derde lid, somt alle elementen op waarmee rekening moet worden gehouden. Artikel 4, vierde lid, Kwalificatierichtlijn preciseert dat de omstandigheid dat een vreemdeling in het verleden reeds is blootgesteld aan vervolging of dat hij rechtstreeks is bedreigd met zulke vervolging een duidelijke aanwijzing is dat de vrees van de vreemdeling voor vervolging gegrond is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging zich niet opnieuw zal voordoen. De beoordeling of sprake is van een gegronde vrees voor vervolging heeft een subjectieve en objectieve kant. Bij de beoordeling kan niet louter worden uitgegaan van het subjectieve standpunt van de persoon die om internationale bescherming verzoekt, maar moet een individuele, concrete en objectieve beoordeling worden verricht van de persoonlijke situatie van de verzoeker, de feiten en de omstandigheden betreffende het verzoek en de situatie in het land van herkomst. De vrees voor vervolging moet als bewezen worden beschouwd wanneer er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat het door verzoeker aangevoerde risico van vervolging zich zal voordoen bij terugkeer naar het land van herkomst. 8.2. De rechtbank neemt hierbij de verklaringen van eisers en hetgeen zij in beroep hebben gesteld als uitgangspunt. Nu de rechtbank een eigen beoordeling dient te maken en zelf vol mag toetsen of eisers (1) geloofwaardig zijn en (2) een gegronde vrees voor vervolging hebben danwel een reëel risico op ernstige schade lopen, ziet de rechtbank het bestreden besluit als het standpunt van de minister, maar de rechtbank zal niet langer eerst aangeven of en waarom er sprake is van een motiveringsgebrek. De rechtbank toetst immers niet zozeer het besluit maar dient zelf een volledig en ex nunc-onderzoek te doen. Dit betekent dat in voorkomende gevallen de rechtbank niet in zal gaan op alle tegenwerpingen van de minister. 8.3. Op 12 juni 2026 is het Asiel- en migratiepact ingegaan. Met dit pact zijn diverse richtlijnen omgezet naar verordeningen. Onder meer de Kwalificatierichtlijn is ingetrokken en vervangen door de Kwalificatieverordening. De Kwalificatieverordening kent geen overgangsrecht. Omdat de rechtbank een volledig en ex nunc-onderzoek dient te verrichten, zal de rechtbank uitgaan van het recht zoals dat gold ten tijde van het sluiten van het onderzoek. Dit betekent dat de rechtbank zal toetsen aan de Kwalificatieverordening. Bespreking van de beroepsgronden De beleidswijziging 9. Eisers hebben zich allereerst op het standpunt gesteld dat de beleidswijzigingen van de minister van 1 december 2023 en 1 juli 2024 ten aanzien van Gülen-aanhangers geen stand kan houden. Eisers verwijzen hierbij naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 1 juni 2026 . 9.1. Omdat de rechtbank hieronder tot het oordeel komt dat eisers aan het individualiseringsvereiste hebben voldaan en in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning, zal de rechtbank de beroepsgronden die zien op de beleidswijziging niet bespreken. De vraag of de beleidswijzigingen stand kunnen houden, voegt hier immers niets toe. De geloofwaardigheid 10. De rechtbank overweegt dat, zoals ook al onder het toetsingskader uiteengezet, uit de arresten Quotal en Ebilum volgt dat de rechtbank, anders dan de Afdeling tot nu toe aannam, de geloofwaardigheid vol mag toetsen. De rechtbank kan en mag dus een eigen afweging maken met betrekking tot de geloofwaardigheid van het asielrelaas. 10.1. De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is dat eisers Gülenisten zijn en dat zij activiteiten hebben verricht. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om hier niet van uit te gaan. In geschil is de vraag of een aantal van de door eisers verrichte activiteiten, namelijk het uitdelen van voedselpakketten en de door eisers ondervonden problemen geloofwaardig zijn. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en legt hieronder uit hoe zij tot dit oordeel komt. 10.2. Indien specifieke aspecten van het asielrelaas niet met documenten zijn gestaafd, dient het relaas te voldoen aan de voorwaarden van artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatieverordening. Deze voorwaarden zijn: a. de verzoeker heeft een oprechte inspanning geleverd om zijn of haar verzoek om internationale bescherming te staven; b. alle relevante elementen waarover de verzoeker beschikt, zijn overgelegd, en er is een bevredigende verklaring gegeven omtrent het ontbreken van andere relevante elementen; c. de verklaringen van de verzoeker zijn samenhangend en aannemelijk bevonden en zijn niet in strijd met de beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor zijn of haar verzoek; d. vast is komen te staan dat de verzoeker in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd, onder andere rekening houdend met het moment waarop de verzoeker om internationale bescherming heeft verzocht. - De voedselpakketten 10.3. De rechtbank komt tot het oordeel dat eisers wel geloofwaardig hebben verklaard over het uitdelen van de voedselpakketten. Zoals de minister ter zitting ook heeft toegegeven, zit er geen tegenstrijdigheid tussen de verklaringen van eiser 1 en eiseres. Uit de relazen van eisers blijkt immers dat eiseres heeft verklaard over de situatie van vóór de couppoging en eiser 1 vooral heeft verklaard over de situatie van daarna. Dat er verschillen zijn in deze situaties, is niet ondenkbaar. Immers, voor de couppoging vormde het uitdelen van voedselpakketten geen probleem. Zo heeft eiseres verklaard dat zijzelf voor de couppoging voor het laatst voedselpakketten heeft uitgedeeld. Eiser 1 blijkt echter duidelijk te verklaren over de situatie van na de couppoging. Hij heeft het immers over dat het uitdelen van de voedselpakketten risico’s met zich meebrengt. Ook verklaart hij dat hij dat ongeveer zeven jaar geleden voor het laatst gedaan heeft. 10.4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser 1 verder niet innerlijk tegenstrijdig verklaard over het uitdelen van de voedselpakketten na de couppoging. Eiser 1 heeft het weliswaar over ‘we’ maar nergens wordt duidelijk wie hij met ‘we’ bedoelt. Tijdens het nader gehoor is hier ook niet naar gevraagd, terwijl dit wel op de weg van de minister had gelegen. Immers, de vreemdeling dient in de gelegenheid te worden gesteld om uitleg te geven over eventuele inconsistenties en onduidelijkheden. Omdat de minister dit heeft nagelaten, zal de rechtbank uitgaan van de uitleg van eisers. In de zienswijze en de gronden van beroep hebben eisers aangegeven dat met ‘we’ de groep mensen is bedoeld die de pakketten samenstelden en uitdeelden. Deze uitleg komt de rechtbank, gelet op hetgeen in het nader gehoor is verklaard, ook niet bevreemdingwekkend voor. De rechtbank acht het dan ook geloofwaardig dat eiser 1 na de couppoging samen met andere mensen voedselpakketten heeft uitgedeeld. - Het arrestatiebevel 10.5. Ook ten aanzien van het arrestatiebevel hebben eisers geloofwaardig verklaard. Er is geen sprake van dat eisers tegenstrijdig aan elkaar hebben verklaard. Uit het nader gehoor van eiseres blijkt dat zij vooral naar haar man verwijst. Ze weet wel dat er een arrestatiebevel is, maar over de precieze details kan eiseres niet verklaren en zij verwijst telkens naar haar man. Zij geeft telkens aan dat hij precies weet hoe het zit. De rechtbank merkt op dat een zelfde beeld, namelijk dat eiseres verwijst naar haar man voor de precieze details, ook naar voren komt ten aanzien van andere onderwerpen die de minister wel geloofwaardig heeft geacht. Zo kan eiseres zich ook niet precies herinneren wanneer haar man vrij is gekomen en hoe het precies zit met de ondervraging van haar zwager. Dit komt de rechtbank niet heel vreemd voor nu het arrestatiebevel ziet op eiser 1 en niet op eiseres zelf. Eiseres kent de grote lijnen en die komen overeen met hetgeen eiser 1 heeft verklaard. Zo heeft eiseres verklaard dat zij via de collega van eiser 1 te weten zijn gekomen dat er een arrestatiebevel is en ook eiser 1 heeft verklaard dat het arrestatiebevel in het dossier van zijn collega zit. Ook heeft eiser 1 al tijdens het gehoor verklaard dat hij met het arrestatiebevel de oproeping om te getuigen heeft bedoeld. Eiseres heeft het in haar nader gehoor ook over de oproeping. Eiser 1 heeft ter zitting verduidelijkt dat indien je gedwongen wordt om te getuigen, de politie je kan arresteren en je op die manier gedwongen wordt om ter zitting te verschijnen. - De onderlinge bespreking van de problemen 10.6. De rechtbank is van oordeel dat eisers geloofwaardig hebben verklaard over het politiebezoek vlak voor hun vertrek. Eiser 1 heeft verklaard dat hij van zijn buurman had gehoord dat de politie bij de buren aan de deur was geweest en naar hem heeft gevraagd. De minister werpt dat ook niet tegen. De minister werpt wel tegen dat eisers niet geloofwaardig hebben verklaard over de bespreking van de problemen. Maar ook hierover hebben eisers, naar het oordeel van de rechtbank, geloofwaardig verklaard. De rechtbank merkt daarbij op dat het eventuele niet geloofwaardig verklaren over de bespreking niet maakt dat de gebeurtenis zelf niet geloofwaardig is. Maar die situatie is hier niet aan de orde, nu de rechtbank van oordeel is dat zowel over de gebeurtenissen als over de bespreking geloofwaardig is verklaard. Eiser 1 geeft in het nader gehoor consistent aan dat hij niet direct na het bezoek van de politie aan zijn buren dit aan zijn gezin heeft verteld. Hij geeft aan dat hij dit pas later, na vertrek uit Turkije, heeft verteld. Zo heeft eiser 1 verklaard: “Heeft u uw vertrek toen besproken met uw vrouw en kinderen? Nadat de politie is langs geweest heb ik het niet meteen gedeeld om geen paniek te zaaien. Ik heb eerst onze mogelijkheden onderzocht. Ik moest ook geld lenen vanuit onze omgeving. Pas toen ik dat rond had heb ik een dag vóór dat we gingen met ze gedeeld dat we konden vertrekken. Heeft u later ook verteld waarom, namelijk dat de politie aan huis was geweest, en dat ze vroegen naar uw betrekkingen met andere Gülenisten. Ik denk dat ze het wel geraden hebben, ik heb het ze niet expliciet verteld. Omdat ze mentaal niet helemaal lekker waren. De hele situatie had ons al aardig vermoeid. Ik wilde ze niet meer belasten daarmee. Ook mijn vrouw heb ik niet alle details gegeven. Maar u bent nu al geruime tijd in Nederland, heeft u ze in de tussentijd niet verteld dat de politie aan huis is geweest? Het is de directe aanleiding van uw vertrek, het lijkt me dan ook gek dat u dat niet met ze bespreekt. Later hebben we het wel besproken, maar niet direct ná de gebeurtenis. Dus u heeft het ze wel verteld? Ja een tijdje later. Mijn vrouw kreeg steeds paniek aanvallen. Daar kreeg ze last van vanwege onze situatie. Mijn oudste zoon kreeg witte haren toen hij pas 12 was. Zojuist zei u dat u ze het niet expliciet hebt verteld over het bezoek van de politie, maar nu van wel, kunt u dat voor mij verduidelijken Toen we nog in Turkije waren heb ik ze het niet verteld. We hebben met vrees het land verlaten, tot we weg waren heb ik het niet verteld. Ik weet niet of het onderweg of bij aankomst was dat ik het vertelde. Het was geen makkelijke beslissing.” Eiseres heeft in haar nader gehoor verklaard: “Heeft uw man met u besproken dat de politie aan de deur van de buren is gekomen en naar hem geïnformeerd is? Ja. Wat is er toen precies besproken? Nadat we uit Turkije zijn vertrokken heeft mijn man verteld dat er bij de buren navraag naar hem is gedaan. Wanneer hebben jullie dit besproken? We kwamen bij de Servische grens aan. Rond die tijd heeft hij het besproken. Kan u een datum noemen? rond 4 september. Wat heeft uw man er toen over verteld? Kijk, de avond dat we vertrokken toen vertrokken we op stel en sprong. Dus toen kon hij het niet vertellen. Maar hij heeft later rond Servië verteld dat dit de redenen zijn geweest dat we moesten vertrekken.” Eiser 2 heeft in het nader gehoor het volgende verklaard: “Op welke manier raakte u op de hoogte dat u Turkije moest verlaten? Het was op 30 augustus 2023 geloof ik. Op een avond kwam mijn vader met angst en bezorgdheid thuis. Hij zei: wij moeten zo snel voorbereiden en inpakken en we gaan morgen weg, want ik word gezocht. Hij heeft ons geen details gegeven. De volgende dag zijn we vertrokken. Op 30 augustus zijn we uit Turkije vertrokken. U gaf net aan dat uw vader u niet alle details gaf. Heeft hij deze details op een later moment wel aan u gegeven? Wat wij wel weten is dat hij zei: we moeten snel weg, we zijn hier niet veilig. Het kan zijn dat ik opnieuw word opgepakt. Hebt u ooit daarna gevraagd aan uw vader wat de reden was dat hij opeens zo snel wilde vertrekken? Ja zeker. Na ons vertrek uit Turkije hebben we hier openlijk over gepraat. Hij zei: wij waren niet veilig in Turkije. Ik had opnieuw opgepakt kunnen worden vanwege de Hizmet-beweging. Mijn vrienden zijn allemaal langer opgepakt. Sommigen zitten vijf of zes jaar, dus vanwege de angst om opnieuw opgepakt te worden, zei hij. ” Tot slot heeft eiser 3 het volgende verklaard: “Op een avond kwam mijn vader thuis en zei: we moeten voorbereidingen treffen want we gaan vertrekken. Hij vertelde niet wat de reden was maar het was wel duidelijk dat er iets ergs aan de hand was. Heeft hij dat later nog verteld? Nee. Heeft u daar wel naar gevraagd? Ja, maar hij gaf niet echt antwoord ze wilden daar, over dat onderwerp, niet over praten. […] Is er sinds dat uw vader is vrijgelaten nog iets gebeurd met de politie? Dat weet ik niet, als dat is geweest dan vertelt hij (vader) dat niet aan ons zodat we niet bang worden. Heb ik goed begrepen dat u vader op een avond zei pak jullie spullen we gaan morgen vertrekken? Dat klopt.” 10.7. Uit al deze verklaringen volgt dat eiser 1 niet direct de aanleiding heeft verteld waarom het gezin moest vertrekken. Verder verklaren zowel eiser 1 en 2 als eiseres dat eiser 1 het op een later moment wel heeft verteld. Alleen eiser 3, de jongste zoon, heeft dit niet verklaard. In de correcties en aanvullingen geeft eiser 3 echter aan dat hij de vraag verkeerd had begrepen en dat hij dacht dat werd bedoeld of zijn vader het later in Turkije nog had verteld. Dat was niet het geval, maar wel toen ze Turkije uit waren. Eisers hebben dan ook in grote lijnen gelijkluidend aan elkaar verklaard. De rechtbank volgt niet dat eiser 1 tegenstrijdig zou hebben verklaard over wanneer hij de reden voor vertrek heeft verteld aan zijn gezin. Eiser 1 zegt weliswaar eerst dat hij het niet expliciet heeft gezegd, maar bijna direct daarna, als de gehoorambtenaar zijn vraag net iets anders formuleert, legt hij uit dat hij het pas buiten Turkije expliciet heeft verteld. Dit komt de rechtbank niet tegenstrijdig voor. - De late indiening van de asielaanvraag 10.8. De minister heeft bij de beoordeling van de geloofwaardigheid ook betrokken dat eisers niet direct na aankomst in Nederland hun asielaanvraag hebben ingediend maar dat zij eerst zes maanden hebben gewacht om zo aan een Dublinclaim op Duitsland te ontkomen. De minister heeft hierbij verwezen naar artikel 31, zesde lid, onder d, van de Vw 2000 zoals die gold ten tijde van de bestreden besluiten. 10.9. Artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000 is de implementatie van artikel 4, vijfde lid van de Kwalificatierichtlijn. Met het ingaan van het Asiel- en migratiepact op 12 juni 2026 is de Kwalificatierichtlijn ingetrokken en is de Kwalificatieverordening van kracht geworden. Er is geen overgangsrecht van toepassing. Met het ingaan van de Kwalificatieverordening is ook artikel 4, vijfde lid, aangepast. De d-grond is komen te vervallen. Daarbij komt dat het beleid van de minister is dat een asielverzoek niet enkel wordt afgewezen op grond van de omstandigheid dat een verzoek niet zo snel mogelijk is gedaan terwijl daar geen overtuigende verklaring voor is gegeven. Een asielmotief wordt niet enkel om die reden ongeloofwaardig geacht. De rechtbank zal eisers dit dan ook niet tegenwerpen. Tussenconclusie 11. De rechtbank is van oordeel dat eisers geloofwaardig hebben verklaard over hun politieke overtuiging en over de door hen ondervonden problemen. De rechtbank zal dan nu ook beoordelen of eisers met deze geloofwaardig bevonden elementen hun vrees voor vervolging aannemelijk hebben gemaakt. Gegronde vrees voor vervolging 12. Eisers hebben aangevoerd dat zij op individueel niveau aannemelijk hebben gemaakt dat zij in de negatieve belangstelling staan van de Turkse autoriteiten. In dit verband hebben zij erop gewezen dat eiser 1 eerder vervolgd is. Niet alleen is eiser 1 strafrechtelijk vervolgd, maar er zijn ook bestuursrechtelijke maatregelen tegen hem genomen. Zo is hij per decreet ontslagen bij de rechtbank. Dit ontslag is, ook na zijn vrijspraak, in stand gelaten omdat eiser 1 Gülenist is. De minister heeft dit ten onrechte niet betrokken bij zijn beoordeling. De minister blijft ook ten onrechte de legale uitreis van eisers tegenwerpen en stelt zich ten onrechte op het standpunt dat de legale uitreis afbreuk doet aan de stelling dat eiser 1 in de negatieve belangstelling staat van de Turkse autoriteiten. Eisers hebben hierbij ook gewezen op algemene landeninformatie die hun overwegingen verder onderbouwen. 12.1. De rechtbank stelt voorop dat eiser 1 eerder is vervolgd in vluchtelingrechtelijke zin. Eiser 1 is weliswaar vrijgesproken in strafrechtelijke zin, maar er zijn ook administratieve maatregelen tegen hem genomen vanwege zijn politieke overtuiging. Zo is eiser 1 per decreet ontslagen. Eiser 1 heeft dit ontslag bestuursrechtelijk aangevochten maar dat heeft tot niets geleid. Uit het overgelegde vonnis van de bestuursrechtbank blijkt dat eiser 1 is aangemerkt als lid van de Gülen-beweging. Volgens de bestuursrechter is eiser 1 een niveau 5-lid, dat betekent dat hij vertrouwd en bekend was met de beweging. Verder blijkt uit de hoger beroepsuitspraak uit 2024 dat eiser1 zijn ontslag in stand is gebleven, ondanks de strafrechtelijke vrijspraak. De bestuursrechter heeft geoordeeld dat eiser 1 wel wordt gezien als een Gülen-aanhanger, ondanks de vrijspraak. De rechtbank merkt daarbij op dat in het bestuursrecht andere begrippenkaders en bewijsregels gelden dan in het strafrecht. Een strafrechtelijke vrijspraak van lidmaatschap van een verboden organisatie betekent enkel dat er strafrechtelijk te weinig bewijs was voor het tenlastegelegde lidmaatschap als bedoeld in het Turkse Wetboek van Strafrecht. Niets meer, maar ook niets minder. Het samenstel van strafrechtelijk en bestuursrechtelijke maatregelen vanwege een politieke overtuiging levert daden van vervolging op. De eerdere vervolging van eiser is een duidelijke aanwijzing dat de vrees van eisers voor vervolging gegrond is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging zich niet opnieuw zal voordoen. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken van goede redenen om aan te nemen dat vervolging zich niet opnieuw zal voordoen. De rechtbank betrekt daarbij het volgende. 12.2. Eiser 1 is opgeroepen om te komen getuigen in de zaak van een collega. Dit is ook niet in geschil. Dat betekent dat eiser 1 in ieder geval in de belangstelling staat van de autoriteiten. 12.3. In de bestuursrechtelijke procedure is expliciet overwogen dat eiser 1 is gecategoriseerd als een ‘niveau 5-lid’. Uit landeninformatie blijkt dat er zeven niveaus van betrokkenheid bestaan. De vijfde laag bestaat uit functionarissen die verantwoordelijk zijn voor het maken en uitvoeren van het beleid van de Gülen-beweging. Eiser 1 wordt dus door de Turkse overheid gezien als een redelijk hooggeplaatste Gülenist. 12.4. Uit landeninformatie blijkt dat Gülenisten nog steeds een risico lopen op vervolging in Turkije. Weliswaar niet meer met dezelfde intensiteit als net na de coup, maar het risico is nog steeds aanwezig. Vooral Gülenisten in het veiligheids- en justitiële apparaat staan in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten. Het gaat hier om onder andere cadetten, militairen, gendarmes, politieagenten, rechters en openbaar aanklagers. Eiser 1 is ook werkzaam geweest bij de rechtbank en daarmee in het justitiële apparaat. Verder blijkt uit landeninformatie dat individuen die eerder een sepot hebben gekregen, dan wel zijn vrijgesproken, zoals eiser 1, of een deel van hun straf niet hebben uitgezeten wat betreft Gülenisme, in de negatieve belangstelling staan van de Turkse overheid. Daarbij volgt voorts uit de landeninformatie dat de (negatieve) belangstelling van de Turkse overheid jegens (vermeende) Gülenisten niet per se hoeft op te houden na een veroordeling of beslissing tot niet vervolging. De Finse immigratiedienst schrijft dat meerdere bronnen aangeven dat de Turkse overheid opnieuw kan overgaan tot een strafrechtelijk onderzoek en vervolging van (vermeende) Gülenisten. Ook hoogleraar Johan Vande Lanotte beschrijft dat personen die eerder werden verdacht van betrokkenheid bij de Gülen-beweging, opnieuw in de negatieve belangstelling van de overheid kunnen komen te staan. In het Algemeen Ambtsbericht is opgemerkt dat het onduidelijk is of vrijgelaten Gülenisten opnieuw vervolgd worden. 12.5. Verder volgt uit het Algemeen Ambtsbericht dat de Turkse overheid zich in de loop van de tijd ook is gaan richten op ‘burgers die (financiële) steun geven aan gevangengezette Gülenisten en/of hun familieleden”. Deze personen worden door de Turkse overheid verdachte van het ‘herstructureren’ van de Gülen-beweging. Ook Vande Lanotte maakt melding van de verdenking van ‘herstructurering’. Vande Lanotte beschrijft dat sinds enige tijd ook personen die hulp bieden aan gedetineerde Gülenisten in de negatieve aandacht staan van de autoriteiten en dat zij worden vervolgd op beschuldiging van het ‘herstructureren’ van de Gülen-beweging. 12.6. Ook de Finse Immigratiedienst maakt melding van ‘herstructuringsoperaties’, gericht tegen personen die bezig zouden zijn met het herstructureren of opnieuw opbouwen van de Gülen-beweging. Een door de Finse Immigratiedienst gesproken expert geeft aan dat het helpen van een Gülenist die in de gevangenis zit, waarschijnlijk het meest gehanteerde criterium is om een nieuw strafrechtelijk onderzoek te starten. Een andere expert geeft aan dat het merendeel van de personen die verdacht worden van herstructurering al eerder onderzocht waren vanwege banden met de Gülen-beweging. Onder deze personen zitten “ family members of those still in prison as well as those individuals, either in Turkey or abroad, whose sentences have not yet been finalized, their family members and their ‘close circle’ .” 12.7. Uit landeninformatie volgt verder dat ook familieleden van (vermeende) Gülenisten, zoals eiseres en eisers 2 en 3 een risico lopen. Volgens de Finse immigratiedienst lopen ook personen die na de coup van 2016 de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt een risico op vervolging. Het gaan dan bijvoorbeeld om jongeren die op een Gülen-school hebben gezeten en van wie hun ouders banden met de Gülen-beweging wordt verweten. Verder meldt de Finse immigratiedienst dat strafrechtelijke vervolging van familieleden van (vermeende) Gülenisten willekeurig is. Partners, kinderen, broers en zussen lopen daarbij het meeste risico. Ook de UK Home Office stelt dat het enkel zijn van een familielid van een Gülenist voldoende is als risicofactor voor vervolging. De Finse immigratiedienst schrijft voorts dat juist echtgenotes en kinderen doelwit zijn. Een door de Finse immigratiedienst gesproken bron geeft verder aan dat de autoriteiten een discretionaire bevoegdheid hebben om verschillende familieleden van een Gülenist op willekeurige wijze te vervolgen. Een uitspraak van het Turkse Hof van Cassatie over de erkenning van het concept “ connection (iltisak) to a terrorist organisation ” heeft deze willekeur volgens deze expert in de hand gewerkt nu het niet duidelijk is wat deze term inhoudt. 12.8. Dat eisers legaal hebben kunnen uitreizen, maakt, anders dan de minister heeft gesteld, niet dat geen sprake is van negatieve belangstelling vanuit de autoriteiten. Uit het Algemeen Ambtsbericht volgt immers dat een strafrechtelijke procedure en de mogelijkheid om het land legaal uit te reizen twee verschillende aangelegenheden zijn. 12.9. Verder hebben eisers in Nederland activiteiten ontplooit vanuit het Gülenisme. Ook dit is een factor die bijdraagt aan de gegronde vrees voor vervolging bij terugkeer. Uit het Algemeen Ambtsbericht volgt dat de strijd van de Turkse autoriteiten tegen de Gülen-beweging zich niet beperkt tot het territorium van Turkije zelf. Het gaat hier niet alleen om hooggeplaatste Gülenisten. Eisers hebben zelf ook landeninformatie overgelegd waaruit blijkt dat Gülenisten in Nederland in de gaten worden gehouden. Zo hebben eisers erop gewezen dat de organisaties waarvoor zij activiteiten verrichten, namelijk SECU en Time to Help, door de Turkse autoriteiten worden gezien als Gülen-instellingen en in die hoedanigheid in de gaten worden gehouden. Verder hebben zij erop gewezen dat de schoonzus van eiser 1 in het onderzoeksrapport van de Turkse inlichtingendienst wordt genoemd. 12.10. Gelet op de landeninformatie en de persoonlijke omstandigheden van eisers, met name de omstandigheid dat eiser 1 eerder is vervolgd, eiseres en eisers 2 en 3 als familieleden gevaar lopen en eisers in Nederland activiteiten hebben ontplooit, hebben eisers naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat zij bij terugkeer naar Turkije gegronde vrees hebben voor vervolging. 12.11. Gelet op het bovenstaande, behoeven de overige gronden van eisers geen bespreking. Conclusie en gevolgen 13. De minister heeft de aanvragen ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. De beroepen zijn gegrond omdat de bestreden besluiten in strijd zijn met de artikelen 4, 18 en 19 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, als ook omdat aan de voorwaarden uit de Kwalificatieverordening voor het toekennen van vluchtelingrechtelijke bescherming is voldaan en dat uit die verordening dan ook volgt dat een status moet worden verleend. De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten. Op basis van alle relevante feitelijke en juridische gegevens en na een uitputtend en geactualiseerd onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming van eisers stelt de rechtbank vast dat aan eisers internationale bescherming moet worden verleend. De rechtbank verwijst de zaak daarom terug naar de minister en draagt de minister op om de gevraagde internationale bescherming te verlenen, tenzij er zich feitelijke of juridische gegevens aandienen die objectief een nieuwe geactualiseerde beoordeling vereisen. 14. Omdat de rechtbank nu beslist op de beroepen van eisers, is er voor het treffen van de voorlopige voorzieningen geen reden meer. De rechtbank wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening daarom af. 15. Omdat de beroepen gegrond zijn krijgen eisers een vergoeding van hun proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 3.269,- omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift en een verzoekschrift heeft ingediend, aan de zitting heeft deelgenomen en na de heropening schriftelijk heeft gereageerd (1 punt per proceshandeling in samenhangende zaken, met een waarde van € 934,- per punt, met een wegingsfactor 1 voor het indienen van het beroepschrift, het verzoekschrift en het deelnemen aan de zitting en een wegingsfactor 0,5 voor de schriftelijke reactie na heropening). Beslissing De rechtbank verklaart de beroepen gegrond; vernietigt de bestreden besluiten; - verwijst de zaken terug naar de minister en draagt de minister op aan eisers een verblijfsvergunning asiel te verlenen als vluchteling; wijst de gevraagde voorzieningen af; veroordeelt de minister tot betaling van € 3.269,- aan proceskosten aan eisers. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C.E. Krikke, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hayas, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Op grond van de artikelen 8:68 en 8:84, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Arrest Quotal, C-198/25, ECLI:EU:C:2026:447 en arrest Ebilum, C-xxx/xx, ECLI:EU:C:2026:448 Vreemdelingenwet 2000. Zie onder andere het arrest van het Hof van 4 juni 2026, Quotal, C-198/25, ECLI:EU:C:2026:447, rechtsoverwegingen 31-35. Het Hof verwijst daarbij naar eerdere arresten van het Hof waar dit ook al uit volgt. Arrest Quotal, rechtsoverwegingen 38 en 42. Arrest Quotal, rechtsoverwegingen 45 en 46. Arrest Quotal, rechtsoverweging 58. Zie het Hof, 4 juni 2026, Ebilum, C-440/25, ECLI:EU:C:2026:448, rechtsoverweging 73. Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming en voor de inhoud van de verleende bescherming. Arrest Ebilum, rechtsoverwegingen 73-74. Arrest Ebilum, rechtsoverweging 76. Arrest Ebilum, rechtsoverweging 87. Verordening (EU) 2024/1347 van het Europese Parlement en de Raad van 14 mei 2024 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen, en voor de inhoud van de verleende bescherming, tot wijziging van Richtlijn 2003/109/EG van de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2011/95 van het Europees Parlement en de Raad. Zie artikel 41. ECLI:NL:RBDHA:2026:14790. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Zie pagina 19 van het verslag van het nader gehoor van eiseres. Zie pagina 10 van het verslag van het nader gehoor van eiser 1. Ten tijde van de besluitvorming was dit geregeld in artikel 4, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 16 van de Procedurerichtlijn. Met de inwerkingtreding van het Asiel- en migratiepact is artikel 4, eerste lid, aangepast in die zin dat in de Kwalificatieverordening niet langer wordt gesproken over de samenwerkingsplicht. Wel spreekt artikel 12, tweede lid, van de Procedureverordening (Verordening (EU) 2024/1348) over dat de verzoeker in de gelegenheid moet worden gesteld om uitleg te geven over eventueel ontbrekende elementen of inconsistenties of tegenstrijdigheden in zijn of haar verklaringen. Zie pagina 10, 11 en 12 van het verslag van het nader gehoor van eiseres. Zie pagina 8 van het verslag van het nader gehoor eiser 1. Zie pagina 17 en 18 het verslag van het nader gehoor eiseres. Zie pagina 10 van het verslag van het nader gehoor eiser 2. Zie pagina 8 van het verslag van het nader gehoor van eiser 3. Zie de uitspraak van deze rechtbank van 6 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:3440, recht