ECLI:NL:RBDHA:2026:18521
Rechtbank Den Haag · 2026-07-06 · Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Asiel, geloofwaardigheid problemen met oom in Guinee, motiveringsgebrek, arrest Ebilum, motief ongeloofwaardig, beroep gegrond en in stand laten rechtsgevolgen.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL25.33159 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juli 2026 in de zaak tussen [eiser], v-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. M.L. Saija), en de minister van Asiel en Migratie (gemachtigde: mr. G.W. Wezelman). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft de door eiser gestelde problemen met zijn oom namelijk terecht ongeloofwaardig geacht. Het bestreden besluit bevat een motiveringsgebrek, waardoor de rechtbank het bestreden besluit zal vernietigen. Zij ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 14 juli 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 27 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Het asielrelaas 3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij in Guinee problemen heeft gehad met zijn oom [naam oom 1] (oom). Zowel eiser als zijn vader zijn van gemengde etniciteit en dat werd in de familie niet geaccepteerd. De vader van eiser is om die reden bedreigd en uiteindelijk in opdracht van de oom tijdens een voetbalwedstrijd vermoord. Eiser heeft toen samen met een vriend van zijn vader een onderzoek laten opstarten zodat de daders opgepakt konden worden. Naar aanleiding daarvan werd ook hij bedreigd. De vriend van zijn vader is door het instellen van dit onderzoek verdwenen. Eiser heeft toch aangifte gedaan en is vervolgens mishandeld door zijn oom. Zijn oom heeft een hoge functie bij de militaire politie en uiteindelijk is eiser opgesloten in een politiecel. Daar is hij gemarteld. Met hulp van een vriend en een bewaker is eiser ontsnapt en vervolgens gevlucht uit Guinee. Eiser vreest dat hij bij terugkeer weer opgepakt en gemarteld zal worden door zijn oom. 3.1. Ten tijde van het indienen van zijn asielaanvraag en het naar voren brengen van zijn zienswijze heeft eiser geen documenten ter staving van zijn asielaanvraag overgelegd. In de beroepsprocedure is door eiser wel een document overgelegd. Dit betreft een vonnis ter vervanging van de overlijdensakte van zijn vader. Hierin wordt bevestigd dat de vader van eiser tijdens etnisch geweld om het leven is gekomen. Het bestreden besluit 4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven: - identiteit, nationaliteit en herkomst; - problemen met oom. Het eerste asielmotief acht de minister geloofwaardig, maar het tweede asielmotief is ongeloofwaardig geacht. De verklaringen van eiser zijn niet onderbouwd met objectieve documenten, dus heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval omdat niet voldaan is aan artikel 31, zesde lid, onder a en c, van de Vw 2000, zoals dat luidde tot 12 juni 2026. Eiser heeft volgens de minister namelijk geen oprechte inspanning geleverd om zijn aanvraag te staven en zijn verklaringen over het asielmotief vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Is de geloofwaardigheidsbeoordeling in WI 2024/6 in strijd met het Unierecht? 5. De beroepsgrond dat de door de minister toegepaste, en in de WI 2024/6 opgenomen geloofwaardigheidsbeoordeling niet in overeenstemming is met het Unierecht, slaagt niet. De rechtbank verwijst voor dit oordeel naar de uitspraken van 25 juni 2025 en 8 september 2025 . De rechtbank ziet in de onderhavige zaak geen aanleiding voor een ander oordeel. Mocht de minister de problemen van eiser met zijn oom ongeloofwaardig achten? Stap 2a – onderbouwing met documenten 6. Eiser betoogt dat de minister zijn asielmotief dat hij problemen heeft ondervonden met zijn oom, ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Zijn asielaanvraag is ten onrechte afgewezen. 6.1. Niet is in geschil dat eiser het asielmotief met betrekking tot de problemen met zijn oom niet heeft onderbouwd met (objectieve) documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. Daarom heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder a en c, van de Vw 2000, zoals dat luidde tot 12 juni 2026. Geen oprechte inspanning om de aanvraag met documenten te staven (voorwaarde a) 7. Eiser betoogt dat de minister geen integrale geloofwaardigheidsbeoordeling heeft gemaakt. Eisers verklaringen zijn namelijk niet beoordeeld in onderlinge samenhang met het door hem in beroep overgelegde document, namelijk de (vervangende) overlijdensakte van zijn vader. De minister had aanleiding moeten zien om de overlijdensakte te laten onderzoeken door Bureau Documenten en integraal bij zijn verklaringen te betrekken en te laten meewegen in de geloofwaardigheidsbeoordeling. Daarbij heeft eiser betoogd dat het hem niet kan worden aangerekend dat hij de overlijdensakte niet eerder heeft overgelegd. Een vriend van zijn vader zou het regelen maar hij heeft lange tijd geen contact kunnen krijgen met deze vriend. 7.1. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser geen oprechte inspanning heeft geleverd om zijn asielrelaas en zijn asielmotieven met objectieve documenten te staven. Eiser heeft gedurende de behandeling van zijn asielaanvraag ruim de mogelijkheid gehad om dit document in te brengen. Niet is gebleken dat eiser zich hier tijdig voor heeft ingespannen. Pas na de beslissing op zijn asielaanvraag is verzocht om een afgifte van een bewijs van overlijden van zijn vader, terwijl eiser tijdens het nader gehoor zelf verklaart dat een vriend van zijn vader hier al een geruime tijd mee bezig is. Dat eiser stelt geen contact te krijgen, komt voor zijn rekening en risico. De minister mag eiser daarom aanrekenen dat hij geen oprechte inspanning heeft verricht om eerder in het bezit te komen van deze documenten. Onder 10.1 gaat de rechtbank in op de vraag of de minister het in de beroepsfase overlegde vonnis met betrekking tot het overlijden van de vader van eiser alsnog integraal bij de verklaringen van eiser moet betrekken en meewegen. Verklaringen zijn niet samenhangend en aannemelijk en in strijd met beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor zijn verzoek (voorwaarde c) 8. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte stelt dat zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Zijn asielmotief is daarom onterecht ongeloofwaardig geacht. In de eerste plaats heeft de minister ten onrechte geen integrale beoordeling verricht van eisers verklaringen, ook in samenhang met de in beroep overgelegde bevestiging van overlijden van zijn vader. Daarnaast is de minister er met betrekking tot de verklaringen van eiser over zijn ontsnapping uit de politiecel ten onrechte van uitgegaan dat eiser heeft verklaard over één bewaker bij de gevangenis waarin hij was opgesloten. Eiser heeft het gehad over een plan van één bewaker en heeft niet gezegd dat de bewaking slechts uit één bewaker bestond. Hierbij verwijst eiser naar het nader gehoor waaruit blijkt dat, anders dan de minister stelt, niet tweemaal is gevraagd of slechts één bewaker aanwezig was. Verder bedoelde eiser met de relatie tussen zijn oom en de jongens dat de jongens in dienst waren bij de politie en onder het gezag van eisers oom vielen. Ook heeft eiser in het aanmeldgehoor verklaard dat hij problemen heeft ondervonden van een andere oom, namelijk [naam oom 2] (de andere oom). De minister had nadere vragen moeten stellen over deze oom en de rol die hij heeft gespeeld bij de moord op zijn vader. Dit is ten onrechte niet gebeurd. Voor het overige verwijst eiser naar hetgeen hij in zijn zienswijze heeft gesteld. 8.1. De rechtbank stelt voorop dat eiser met zijn verwijzing naar de zienswijze in de beroepsgronden, de standpunten van de minister in het bestreden besluit niet gemotiveerd heeft bestreden of betwist. De rechtbank zal hier dan ook niet verder op ingaan. Verklaringen over andere oom 8.2. Tijdens het aanmeldgehoor heeft eiser verklaard over een andere oom. Die andere oom werd door eiser omschreven als een extremist en als degene die zijn oom feitelijk de opdracht heeft gegeven zijn vader om te brengen. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat het bevreemdend is dat eiser tijdens het nader gehoor in het geheel niet over deze andere oom spreekt. Pas op het einde van het nader gehoor is het de gehoormedewerker zelf die eiser confronteert met zijn uitlatingen in het aanmeldgehoor en hem vraagt waarom eiser zijn andere oom geen enkele keer heeft genoemd. De stelling van eiser dat de minister hierop had moeten doorvragen, treft dan ook geen doel. Verder heeft eiser in zijn vrije relaas ook geen melding gemaakt van zijn andere oom. Van eiser mag verwacht worden dat hij, indien hij (ook) problemen heeft met deze oom en hierdoor asiel aanvraagt, dit in het vrije relaas naar voren brengt. Etniciteit ouders 8.3. De minister stelt zich verder terecht op het standpunt dat eiser in het aanmeldgehoor ongerijmd heeft verklaard over de etniciteit van zijn ouders. Eerst verklaart hij dat beide ouders de Koyanke etniciteit hebben. Later heeft eiser echter verklaard dat zijn moeder Gelzé is. Dit is tegenstrijdig. De rechtbank acht dit van groot belang gezien het feit dat eisers ouders een andere etniciteit zouden hebben de kern betreft van zijn asielrelaas. Juist het feit dat zijn ouders een verschillende etniciteit hebben zou de oorzaak van de problemen zijn geweest en de reden waarom de oom van eiser zijn vader heeft laten ombrengen. Dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over de etniciteit van zijn ouders, plaatst zijn overige verklaringen in een ander licht en werkt dan ook integraal door in de geloofwaardigheid en de aannemelijkheid daarvan. Ontsnapping uit de gevangenis 8.4. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich ook terecht op het standpunt dat eiser ongerijmd heeft verklaard over zijn ontsnapping uit de gevangenis. Eiser heeft in het nader gehoor verklaard dat de bewaker van de gevangenis het plan had om veel (alcohol) te gaan drinken zodat eiser de sleutel gewoon zou kunnen pakken. De minister stelt hierover terecht dat niet valt in te zien dat een bewaker bewust gevangenen laat ontsnappen om vervolgens een kennelijke staat van dronkenschap op te geven als verklaring voor zijn gebrek aan alertheid. Zeker niet nu niet duidelijk is geworden wat die bewaker daarvoor in ruil kreeg aangeboden. Verder heeft eiser verklaard dat hij de sleutel van de bewaker kon pakken om te ontsnappen, terwijl eiser ook verklaart dat de deur ‘kapot was gemaakt’ en dat iedereen begon te rennen. Deze verklaringen zijn tegenstrijdig. Naar het oordeel van de rechtbank betoogt eiser echter wél terecht dat uit zijn verklaringen in het nader gehoor niet kan worden opgemaakt dat hij heeft verklaard dat er slechts één bewaker was voor het gehele gevangeniscomplex. Dit leest de rechtbank ook niet zo terug in het verslag van het nader gehoor. Op de verduidelijkende vragen van de gehoormedewerker of er geen andere bewakers achter eiser aankwamen en of het om één bewaker ging, heeft eiser geantwoord dat het een plan was van één bewaker. Daarin leest de rechtbank niet, zoals de minister stelt, dat eiser heeft verklaard dat er maar één bewaker was voor de hele gevangenis. Daarmee is sprake van een motiveringsgebrek. De rechtbank zal hieronder onder 9 en verder bespreken wat de gevolgen hiervan zijn voor het bestreden besluit en de afwijzing van eisers asielaanvraag. De rol van oom 8.5. Eiser betoogt naar het oordeel van de rechtbank terecht dat de minister ten onrechte tegenwerpt dat niet duidelijk is wie die jongens zijn die zijn vader hebben gedood en eiser hebben bedreigd. Eiser heeft in het nader gehoor duidelijk uiteengezet dat het gaat om jongens die werken onder het gezag van zijn oom en die door zijn oom worden aangestuurd. Er is daarom ook op dit punt sprake van een motiveringsgebrek. Het beroep is vanwege de twee onterechte tegenwerpingen gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Arrest Ebilum 9. De rechtbank ziet aanleiding om, met inachtneming van het arrest Ebilum, te beoordelen of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit op dit punt in stand gelaten kunnen worden. Daarbij geldt dat de rechter volgens dit arrest een eigen uitputtende en actuele beoordeling van de relevante feiten moet verrichten en niet behoeft terug te verwijzen naar de minister als een volledig onderzoek heeft plaatsgevonden. De rechtbank is van oordeel dat van een dergelijke situatie in onderhavige zaak sprake is en zal dat hierna toelichten. Kan de geloofwaardigheidsbeoordeling van de minister in stand blijven? 10. Naar het oordeel van de rechtbank maken de twee onterechte tegenwerpingen door de minister niet dat het asielmotief van eiser alsnog geloofwaardig moet worden geacht of dat de minister een nieuw onderzoek naar de feiten moet verrichten. Daarbij acht de rechtbank allereerst van belang dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over de etniciteit van zijn ouders. Zoals overwogen onder 8.3 komt aan deze tegenstrijdigheid veel gewicht toe, nu juist het hebben van een verschillende etnische achtergrond van de (groot)ouders van eiser de basis vormt voor de rest van eisers verklaringen over het conflict met zijn oom en de moord op zijn vader. Deze tegenwerping raakt daarmee de kern van het asielrelaas. Verder heeft eiser niets verklaard over de andere oom terwijl die andere oom juist degene zou zijn geweest die op de achtergrond de initiator is geweest van het tegen de vader van eiser gerichte geweld. Ook dit raakt de kern van het asielrelaas. Tot slot heeft eiser ongerijmd verklaard over zijn ontsnapping, waarbij een bewaker bewust dronken zou zijn geworden zodat eiser kon ontsnappen. Ter zitting heeft de minister gesteld dat deze tegenwerpingen, die niet zijn bestreden, voldoende zijn voor het oordeel dat het asielmotief niet geloofwaardig is. Hieruit volgt dat het wegvallen van de twee tegenwerpingen de geloofwaardigheidsbeoordeling niet anders zou maken. De rechtbank onderschrijft dit standpunt. 10.1. Alles in onderlinge samenhang wegend oordeelt de rechtbank dat de minister het asielmotief problemen met de oom terecht ongeloofwaardig heeft verklaard. Daarbij betrekt de rechtbank dat de minister niet gehouden was om het document vonnis ter vervanging van de overlijdensakte van de vader van eiser, dat in de beroepsfase is overgelegd, alsnog te laten onderzoeken en te betrekken bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas. Uit het document blijkt enkel dat de vader van eiser is overleden. De rol van de oom van eiser bij de dood van eisers vader kan hieruit niet worden afgeleid. De minister hoeft aan dit stuk dan ook niet meer belang te hechten dan dat aannemelijk is gemaakt dat de vader van eiser door geweld om het leven is gekomen. Conclusie en gevolgen 11. Het beroep is gegrond. Het besluit moet wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd worden. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand , omdat zij oordeelt dat de overige tegenwerpingen de ongeloofwaardigheid van het asielmotief en daarmee de afwijzing van eisers asielaanvraag kunnen dragen. Dat betekent dat de afwijzing van eisers asielaanvraag in stand blijft. 11.1. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding bedraagt €1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen (1 punt per handeling met een waarde per punt van €934,- op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht). Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het besluit van 14 juli 2025; - bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven; - veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van €1.868,- . Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van F. Metz, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Rb. Den Haag, zp. Arnhem 25 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:11149. Rb. Den Haag, zp. Arnhem 8 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:16613. Pagina 17 van het nader gehoor. Pagina 18 van het nader gehoor. Pagina 21 van het nader gehoor. Pagina 4 en pagina 7 van het aanmeldgehoor. Pagina 19 van het nader gehoor. Pagina 8 van het nader gehoor. Pagina 19 van het nader gehoor. HvJEU 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:448, punt 45. Zie ook de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats, 23 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:17061, r.o. 7.4. Punt 49 en 50. Op grond van artikel 8:72, derde lid, onder a, van de Awb.