← alle zaken
Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:18504

Rechtbank Den Haag · 2026-06-18 · Voorlopige voorziening

Zaaknummer
NL26.33009
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
8.174 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

voorlopige voorziening hangende asiel. Verweerder heeft ten onrechte geen opschortende werking aan de voorlopige voorziening toegekend. Verzoeker valt niet onder artikel 3.1, tweede lid, onder e van het Vb omdat onvoldoende is gebleken dat hij zijn asielaanvraag enkel heeft ingediend om uitzetting uit te stellen of te verijdelen. Daarnaast wil verzoeker in de beroepsfase landeninformatie overleggen en heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd hoe verzoeker met objectieve bewijsmiddelen kan aantonen dat de Algerijnse autoriteiten hem geen bescherming willen bieden. Redelijke kans van slagen van het beroep kan op dit moment niet worden ontzegd.

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL26.33009 uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [naam] , V-nummer: [V-nummer] , verzoeker (gemachtigde: mr. J.J.J. Jansen), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. A.E. van der Burg). Procesverloop Verzoeker heeft op 28 mei 2026 een opvolgende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) ingediend. Bij besluit van 10 juni 2026 heeft verweerder de asielaanvraag van verzoeker niet-ontvankelijk verklaard. Bij aanvullend besluit van 10 juni 2026 heeft verweerder bepaald dat verzoeker de behandeling van zijn beroep en zijn verzoek om een voorlopige voorziening niet in Nederland mag afwachten omdat verzoeker zijn asielaanvraag enkel heeft ingediend om uitzetting te vertragen of te voorkomen. Verzoeker heeft beroep ingesteld. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft dit beroep betrekking op beide besluiten van 10 juni 2026 (samen: het bestreden besluit). Verzoeker heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Verzoeker heeft hierbij laten weten dat de voorlopige voorziening spoed heeft omdat de uitzetting van verzoeker gepland staat op 18 juni 2026. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker, A. Touzani als tolk en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de voorzieningenrechter Wat vindt verzoeker? 1. Volgens verzoeker heeft het beroep redelijke kans van slagen. Hij verzoekt de voorzieningenrechter daarom te bepalen dat uitzetting naar Algerije wordt uitgesteld totdat op het beroep is beslist en dat verzoeker in de opvang van het COA mag verblijven in afwachting van de uitspraak. Verzoeker stelt daartoe ten eerste dat verweerder ten onrechte in het aanvullende besluit heeft bepaald dat hij de behandeling van zijn verzoek om een voorlopige voorziening niet in Nederland mag afwachten omdat hij zijn asielaanvraag alleen zou hebben ingediend om uitzetting te vertragen of te voorkomen (p. 1). Verzoeker heeft namelijk op advies van zijn advocaat het hoger beroep afgewacht voordat hij opnieuw asiel heeft aangevraagd. Verweerder volgt dit standpunt ook in het eerste besluit. Het eerste besluit en het aanvullende besluit zijn volgens verzoeker daarom tegenstrijdig. Dit is volgens verzoeker een schending van het vertrouwensbeginsel en het motiveringsbeginsel. 2. Ten tweede stelt verzoeker dat hij bij zijn asielaanvraag wel degelijk nieuwe elementen en bevindingen naar voren heeft gebracht. Hij heeft namelijk documenten overgelegd die aantonen dat hij geen bescherming van de Algerijnse autoriteiten kan krijgen. Verzoeker wil daarnaast tijdens de beroepsfase met landeninformatie onderbouwen dat de Algerijnse autoriteiten niet bereid zijn bescherming te bieden in eerwraakzaken. Wat vindt verweerder? 3. Verweerder stelt dat terecht is bepaald dat verzoeker de behandeling van zijn voorlopige voorziening niet in Nederland mag afwachten. Verweerder legt aan dit standpunt kort samengevat ten grondslag dat verzoeker zijn asielaanvraag pas heeft ingediend nadat de Algerijnse autoriteiten zijn identiteit en nationaliteit hebben bevestigd en er een vluchtaanvraag is ingediend. Daarbij verwijst verweerder naar het vertrekgesprek van 21 mei 2026 en naar de bewaringsmaatregel van 1 juni 2026, waarin ook is gemotiveerd dat de asielaanvraag van verzoeker enkel is ingediend om zijn vertrekprocedure te voorkomen of te vertragen. Verweerder heeft daarnaast verwezen naar artikel 82, eerste lid en tweede lid onder b van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daarin is bepaald dat de werking van een besluit omtrent een verblijfsvergunning wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of op het beroep is beslist, maar niet als de aanvraag niet-ontvankelijk is verklaard. 4. Daarnaast meent verweerder dat verzoeker bij zijn asielaanvraag geen nieuwe relevante elementen of bevindingen naar voren heeft gebracht en dat het beroep dus geen redelijke kans van slagen heeft. Beoordeling door de voorzieningenrechter 5. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan het beroep op dit moment geen redelijke kans van slagen worden ontzegd. De voorzieningenrechter legt dat hieronder uit. 6. Verzoeker stelt terecht dat verweerder ten onrechte in het aanvullende besluit heeft opgenomen dat verzoeker een voorlopige voorziening niet in Nederland mag afwachten. Artikel 7.3, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) bepaalt dat het de vreemdeling is toegestaan de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening in Nederland af te wachten. De uitzonderingen op deze hoofdregel staan in artikel 3.1, tweede lid, onder a en e van het Vb. Een van de uitzonderingen is wanneer een eerste opvolgende asielaanvraag is ingediend louter om de uitvoering van het terugkeerbesluit te vertragen of te verhinderen en de aanvraag niet-ontvankelijk kan worden verklaard omdat geen sprake is van nieuwe elementen of bevindingen (artikel 3.1, tweede lid, onder e van het Vb). 7. De bewaringsrechter heeft in haar uitspraak van 17 juni 2026 (NL26.30763) geoordeeld dat uit de bewaringsmaatregel van 1 juni 2026 onvoldoende is gebleken dat verzoeker de asielaanvraag enkel heeft ingediend louter om uitzetting uit te stellen of te verijdelen. De bewaringsrechter heeft de enkele verwijzing naar de timing van de asielaanvraag in dit kader onvoldoende geacht. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om hier anders over te oordelen, omdat verweerder ook hier enkel heeft verwezen naar de timing van de nieuwe asielaanvraag en de motivering hiervan in de bewaringsmaatregel. 8. De voorzieningenrechter volgt verweerder ook niet in zijn standpunt dat (ook) uit artikel 82, eerste lid en tweede lid onder b van de Vw volgt dat aan de voorlopige voorziening schorsende werking wordt onthouden. Dit artikel gaat over de schorsende werking van het beroep, niet van de voorlopige voorziening. Het is niet in geschil dat aan het beroep geen schorsende werking toekomt, omdat de opvolgende asielaanvraag niet-ontvankelijk is verklaard. 9. De voorzieningenrechter vindt het verder van belang dat verzoeker heeft aangegeven in de beroepsfase landeninformatie te willen overleggen waaruit blijkt dat in eerwraakzaken geen bescherming bij de Algerijnse autoriteiten kan worden gevraagd en dat verweerder op de zitting geen antwoord heeft kunnen geven op de vraag hoe verzoeker met objectieve bewijsmiddelen kan aantonen dat de Algerijnse autoriteiten hem geen bescherming zullen bieden. Daarom is een nadere bestudering van de beroepszaak vereist. 10. Verzoeker heeft er belang bij om de uitkomst van het beroep in Nederland te kunnen afwachten, alleen al omdat het in zijn zaak gaat om het risico op refoulement bij uitzetting naar Algerije. Conclusie en gevolgen 11. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe, schorst het bestreden besluit en bepaalt dat verzoeker niet mag worden uitgezet totdat op het beroep tegen het bestreden besluit is beslist. 12. De voorzieningenrechter bepaalt dat verzoeker een vergoeding krijgt van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-. Beslissing De voorzieningenrechter: treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit wordt geschorst en dat verzoeker niet mag worden uitgezet totdat is beslist op het beroep; veroordeelt verweerder tot betaling van een bedrag van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoeker. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.