ECLI:NL:RBDHA:2026:18495
Rechtbank Den Haag · 2026-07-02 · Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Asiel. Jemen. Geloofwaardigheid van het asielrelaas. Het niveau van willekeurig geweld in Sanaa. Meervoudige kamer. Beroep gegrond.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: AWB 26/1706 uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. M.M. van Woensel), en de minister van Asiel en Migratie , voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigden: mr. C.W.M. van Breda, mr. L.A. Jager en mr. W.J. Poot). Inleiding In het besluit van 27 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiser heeft een reactie op het verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft de op 29 oktober 2025 geagendeerde zitting van de enkelvoudige kamer geannuleerd en de zaak verwezen naar een meervoudige kamer. De rechtbank heeft het beroep op 25 februari 2026 op een zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is aanwezig [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.A. Jager en mr. W.J. Poot. De rechtbank heeft de uitspraaktermijn tweemaal verlengd. Beoordeling door de rechtbank De feiten 1. Eiser is geboren op [geboortedag] 2006 en heeft de Jemenitische nationaliteit. Hij heeft op 12 april 2023 asiel aangevraagd in Nederland. 2. Op 13 augustus 2024 is eiser door verweerder gehoord over zijn asielmotieven. Eiser heeft onder meer verklaard dat hij in [plaats] Jemen, en dat er veel veranderde door de komst van de Houthi’s, die een machtsstrijd voeren tegen de regering. Omdat eiser niet mee wilde doen met hun activiteiten over de jihad kreeg het hoofd van de wijk een hekel aan hem en werd zijn familie slechter behandeld dan anderen. Op een avond in juli 2022 is eiser aangerand door [persoon] , de buurman van het hoofd van de wijk. Eiser heeft aangifte gedaan maar werd niet geholpen omdat hij geen bewijzen kon overleggen. Daarna is eiser door [persoon] telefonisch bedreigd en werden er op straat roddels over hem verspreid. Eiser heeft vervolgens tegen de jongens op straat verteld over de aanranding. Ook heeft hij gezegd dat het hoofd van de wijk, een Houthi, slecht is omdat hij aan de kant van [persoon] staat. Eind 2022 werd eiser door de Houthi’s gezocht, kwamen zij met een brief bij zijn moeder aan de deur en is hij ongeveer zeven dagen daarna gevlucht. Eiser vreest bij terugkeer naar Jemen te worden vermoord door het hoofd van de wijk en de Houthi’s. De standpunten 3. In het bestreden besluit heeft verweerder eisers asielaanvraag afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 zoals die luidde tot 12 juni 2026 (Vw). Verweerder heeft de door eiser gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. Verweerder heeft echter ongeloofwaardig geacht dat eiser problemen heeft gekregen met [persoon] en dat er een klacht/arrestatiebevel van het hoofd van de wijk tegen hem is uitgevaardigd. Volgens verweerder heeft eiser dit namelijk niet onderbouwd met objectieve documenten en heeft hij hierover geen samenhangende en aannemelijke verklaringen afgelegd. Volgens verweerder heeft eiser geen geloofwaardige asielmotieven naar voren gebracht die raakvlak hebben met het Vluchtelingenverdrag 1951 (Vlv). Ook loopt eiser bij terugkeer naar [plaats] volgens verweerder geen reëel risico op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verweerder neemt aan dat er vanwege de algemene veiligheidssituatie sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld zoals bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn 2011/95/EU (Krl). Eiser heeft volgens verweerder echter niet aannemelijk gemaakt dat hij hiervan persoonlijk slachtoffer zal worden. Het gevolg van het bestreden besluit is dat eiser binnen vier weken moet terugkeren naar Jemen. 4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat verweerder ten onrechte aan hem heeft tegengeworpen dat hij zijn asielmotieven niet naar voren heeft gebracht in het aanmeldgehoor. Dit is daarvoor immers niet bedoeld. Ook voert eiser aan dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat hij niet samenhangend heeft verklaard. Daarbij heeft verweerder te weinig rekening gehouden met zijn minderjarigheid. Daarnaast voert eiser aan dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Jemen geen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld, en dat de humanitaire situatie niet voornamelijk te wijten is aan de strijdende partijen. 5. In de aanvulling op de beroepsgronden van 16 oktober 2025 heeft eiser een beroep gedaan op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153, waarin is geoordeeld dat verweerder de algemene veiligheidssituatie in Jemen opnieuw moet beoordelen. Ook heeft eiser een beroep gedaan op de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 17 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:12920, waarin is geoordeeld dat in Jemen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld. Het nieuwe landgebonden beleid dat verweerder op 8 oktober 2025 heeft bekendgemaakt, voldoet volgens eiser niet aan de opdracht van de Afdeling. Verweerder heeft daarbij volgens eiser namelijk ten onrechte alleen gekeken naar het aantal dodelijke slachtoffers in relatie tot de totale bevolking, en ten onrechte niet onderkend dat er oorlogsmethoden worden gebruikt die de toegang tot humanitaire hulp bemoeilijken. 6. In het verweerschrift stelt verweerder zich op het standpunt dat het bestreden besluit juist is. Ten aanzien van de geloofwaardigheid ziet verweerder geen aanleiding voor een ander oordeel, omdat eiser tijdens het aanmeldgehoor wel in de gelegenheid is gesteld om zijn asielmotieven naar voren te brengen en omdat bij de beoordeling niet teveel is verwacht van het vermogen om te herinneren. Met het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2025/20 van 15 oktober 2025 is het nieuwe landgebonden beleid voor Jemen gepubliceerd. Dit is gebaseerd op de kamerbrief van 8 oktober 2025 met kenmerk 6339169 en de daarbij gevoegde beslisnota en bijlage over artikel 15c van de Krl. Deze zijn opgesteld aan de hand van het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over Jemen van 18 april 2025. Uit dit nieuwe beleid volgt dat volgens verweerder in [plaats] sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld. 7. Eiser voert in zijn reactie op het verweerschrift aan dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij de ernst van de algemene veiligheidssituatie in sommige delen van Jemen lager inschat dan vóór de Afdelingsuitspraak van 16 juli 2025. Hierbij verwijst hij naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 25 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:22462. Uit beide uitspraken volgt dat verweerder zich had moeten uitlaten over de vraag waarom niet de hoogste gradatie van artikel 15c van de Krl zich voordoet in Jemen, mede gelet op de humanitaire omstandigheden. Ook verwijst eiser naar landeninformatie waarop hierna verder door de rechtbank zal worden ingegaan. De rechtbank oordeelt als volgt. De geloofwaardigheid 8. Op grond van artikel 4 van de Krl, overgenomen in artikel 31 van de Vw, wordt van een asielzoeker verlangd dat hij relevante documentatie overlegt. Als deze ontbreekt, moet worden beoordeeld of daarvoor een plausibele verklaring bestaat en of de asielzoeker samenhangende en aannemelijke verklaringen heeft afgelegd over zijn asielrelaas. 9. De rechtbank volgt eiser in zijn stelling dat wat tijdens het aanmeldgehoor is verklaard over het asielrelaas geen gevolg mag hebben voor de inwilligbaarheid van de asielaanvraag. Dit is namelijk duidelijk neergelegd in artikel 3.108d, vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 en de bijbehorende Nota van toelichting (Staatsblad 2021/250, pagina’s 27 en 28). Daarmee verhoudt zich niet dat verweerder eiser tijdens het aanmeldgehoor wel heeft bevraagd over zijn asielrelaas. Deze omstandigheid kan verweerder dan ook niet baten. Door aan eiser tegen te werpen dat hij tijdens zijn aanmeldgehoor niet heeft verklaard over al zijn asielmotieven heeft verweerder onzorgvuldig gehandeld. 10. Uit verweerders werkinstructie 2024/6 over de geloofwaardigheidsbeoordeling in asielzaken, die inmiddels is opgevolgd door de werkinstructie 2026/16, volgt dat verweerder het referentiekader in kaart moet brengen. Daarmee wordt het geheel van persoonlijke factoren bedoeld dat van invloed is op de wijze waarop een individuele asielzoeker in staat is om te verklaren over zijn asielrelaas. Hoewel er geen verplichting bestaat om in de beslissing op de asielaanvraag afzonderlijk uiteen te zetten wat volgens verweerder het referentiekader is, moet bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van een asielrelaas wel altijd kenbaar rekening worden gehouden met wat gelet op het referentiekader van de betreffende asielzoeker mag worden verwacht. In deze zaak heeft verweerder van eiser verwacht dat hij gedetailleerder kan verklaren dan hij heeft gedaan. Verweerder heeft echter nagelaten uiteen te zetten waarom dit van eiser kan worden verwacht gelet op zijn referentiekader, waarbij onder meer zijn relatief jonge leeftijd van belang is. Dat eisers verklaringen in samenhang zijn bekeken en dat hij op sommige onderdelen van zijn asielrelaas wel gedetailleerd verklaart, is daarvoor onvoldoende. Ook in zoverre heeft verweerder onzorgvuldig gehandeld. 11. Tegen deze achtergrond heeft verweerder ten onrechte overwogen dat de door eiser gestelde problemen met [persoon] ongeloofwaardig zijn. Verweerder is daarbij uitgegaan van de aanname dat het voor eiser fysiek onmogelijk moet zijn geweest om uit de auto van [persoon] te ontsnappen. Dit is echter niet terug te voeren op de verklaringen van eiser, die heeft gezegd dat hij daartoe enkel het slot van de deur omhoog hoefde te duwen en vervolgens met de hendel de deur open kon maken. Ook is verweerder uitgegaan van de aanname dat [persoon] daarna niet zou willen roepen naar eiser omdat hij niet zou willen dat de aanranding breed bekend zou worden. Uit eisers verklaringen is echter niet op te maken dat [persoon] bij het roepen de aanranding heeft benoemd. Mede gelet op wat hiervoor is overwogen, heeft verweerder verder ten onrechte aan eiser tegengeworpen dat hij niet op de minuut nauwkeurig heeft kunnen benoemen hoe lang zijn moeder, broer en neef weg waren om verhaal te gaan halen bij [persoon] . Hierbij heeft verweerder geen onderbouwing gegeven van zijn stelling dat het na het meemaken van een zeer ingrijpende gebeurtenis mogelijk moet zijn om dergelijke details te onthouden. Ten aanzien van de telefonische bedreiging werpt verweerder aan eiser tegen dat hij niet kan uitleggen hoe [persoon] “makkelijk en snel” aan zijn huistelefoonnummer is gekomen. Het is echter niet terug te voeren op eisers verklaringen dat [persoon] makkelijk en snel aan het nummer is gekomen. Daarbij heeft verweerder niet toegelicht waarom hij ervan uitgaat dat het alleen mogelijk is om gebeld te worden door mensen van wie men van tevoren weet dat diegenen over het juiste telefoonnummer beschikken. Als verweerder meent dat het niet geloofwaardig is dat [persoon] als wijkgenoot van eiser niet al bij voorbaat bekend was met het telefoonnummer, dan wel dit betrekkelijk eenvoudig kon achterhalen, had hij dat nader moeten motiveren. Verweerder heeft ook niet toegelicht waarom hij ervan uitgaat dat [persoon] of het hoofd van de wijk heeft rondverteld in de wijk over de aanranding. Hierbij is verweerder bovendien niet ingegaan op eisers verklaringen dat hij het voorval heeft gemeld bij de wijkagent. Evenmin licht verweerder toe waarom het volgens hem voor [persoon] en het hoofd van de wijk nadelig is om dit te doen. Hierbij is verweerder niet ingegaan op eisers verklaringen dat zij erop uit waren om eiser in een kwaad daglicht te stellen. Ten aanzien van de aangifte had eiser volgens verweerder moeten weten of er daarvan documenten zijn opgesteld omdat er sprake was van een heftig voorval. Dit staat naar het oordeel van de rechtbank echter niet per definitie met elkaar in verband. 12. Gelet hierop komt verweerders beoordeling van de geloofwaardigheid van de aanwezigheid van een klacht/arrestatiebevel van het hoofd van de wijk in een ander daglicht te staan. In de besluitvorming is verweerder er namelijk van uitgegaan dat er hiervoor geen aanleiding was, terwijl dat gelet op het voorgaande ontoereikend gemotiveerd is. Verweerder heeft onderkend dat eiser in de aanvulling op zijn zienswijze alsnog diverse documenten heeft overgelegd, te weten kopieën van de aangifte tegen [persoon] , bevelen tot aanhouding en oproepen om te verschijnen. Hoewel verweerder heeft opgemerkt dat kopieën niet op authenticiteit kunnen worden onderzocht, en dat eiser niet heeft toegelicht waar de originelen zijn en waarom hij de kopieën niet eerder heeft overgelegd, heeft verweerder terecht ook de inhoud van deze documenten in de beoordeling betrokken. Daartoe is hij namelijk verplicht op grond van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:478, in de zaak [naam 1] . Verweerder heeft echter ten onrechte overwogen dat deze documenten afbreuk doen aan eisers asielrelaas. De omstandigheid dat de aangifte in de ochtend is opgemaakt, betekent niet dat het document onlogisch is vanwege eisers verklaring dat hij in de avond naar de politie is gegaan. Naar algemene bekendheid is het namelijk mogelijk dat de politie op een later moment een verslag opmaakt van een aangifte. Eiser heeft verklaard dat de aanranding in juli 2022 heeft plaatsgevonden. De aangifte is gedagtekend op 29 juli 2022. Dit komt met elkaar overeen. Ook de beschrijving van de gebeurtenissen komt overeen met eisers verklaringen. De enkele omstandigheid dat niet letterlijk wordt benoemd dat het ging om een seksuele aanranding, maakt niet dat het document onlogisch is. Verder komt het overeen met eisers verklaringen dat blijkens het eerste bevel tot aanhouding en voorgeleiding sprake is geweest van belediging van een wijkhoofd. De enkele omstandigheid dat dit document spreekt over andere bevelen tot aanhouding die eiser niet heeft overgelegd, maakt niet dat dit document onlogisch is. 13. Dit breng mee dat verweerder eisers asielrelaas met de gegeven motivering ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Omdat uit het navolgende zal blijken dat verweerder ook op het punt van de zwaarwegendheid een nieuw besluit moet nemen, acht de rechtbank het niet opportuun om een bindend oordeel te geven over de geloofwaardigheid zoals bedoeld in het arrest van het HvJEU van 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:448, in de zaak Ebilum. In plaats daarvan zal de rechtbank verweerder opdragen om een nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling te verrichten. Het beoordelingskader bij de zwaarwegendheid 14. Het verlenen van een asielvergunning kan, naast de aanwezigheid van vluchtelingschap zoals bedoeld in het Vlv, gelegen zijn in een reëel risico op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM. In deze zaak is niet in geschil dat er geen sprake is van vluchtelingschap. De rechtbank ziet zich wel voor de vraag gesteld of de veiligheidssituatie in Jemen, meer in het bijzonder [plaats] , leidt tot een risico op ernstige schade voor eiser. 15. Op grond van artikel 15c van de Krl kan ernstige schade bestaan uit een ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. In deze zaak is niet in geschil dat er in Jemen sprake is van een dergelijk conflict. Het HvJEU heeft in het arrest van 9 november 2023, ECLI:C:EU:2023:843, in de zaak [naam 2] . en [naam 3] . uiteengezet dat willekeurig geweld in het kader van artikel 15c van de Krl verschillende gradaties kent, en dat daarbij sprake is van een glijdende schaal. Bij een lager niveau van willekeurig geweld kan sprake zijn van een reëel risico op ernstige schade als een asielzoeker met individuele elementen aannemelijk maakt dat hij een verhoogd risico loopt om daarvan slachtoffer te worden. Bij een hoger niveau van willekeurig geweld zijn er minder individuele elementen nodig om een dergelijk risico aannemelijk te maken. Alleen in de meest uitzonderlijke situaties van willekeurig geweld is de aanwezigheid in een bepaald gebied op zichzelf al voldoende voor een reëel risico op ernstige schade. 16. Verweerder heeft in onderdeel C2/3.3.3.2. van de Vreemdelingencirculaire 2000 vastgelegd welke aspecten hij betrekt bij het beoordelen van het niveau van willekeurig geweld: de vraag of de partijen bij het conflict oorlogsmethoden hanteren die de kans op burgerslachtoffers vergroten of burgers als doel nemen, de vraag of het gebruik van die methoden wijdverbreid is bij de strijdende partijen; de vraag of het geweld wijdverbreid is of plaatselijk; de vraag of er een veiligheidsstructuur aanwezig is; de intensiteit van de gewapende confrontaties en het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten; de aantallen doden, gewonden en ontheemden onder de burgerbevolking ten gevolge van de strijd. 17. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153, geoordeeld dat bij de toepassing van artikel 15c van de Krl ook rekening moet worden gehouden met de humanitaire omstandigheden die het directe of het indirecte gevolg zijn van het handelen of het nalaten van een actor van ernstige schade in het kader van willekeurig geweld binnen een binnenlands gewapend conflict. De toepassing 18. Allereerst stelt de rechtbank vast dat het bestreden besluit dateert van vóór het huidige landgebonden beleid van verweerder ten aanzien van Jemen zoals dat op 15 oktober 2025 is gepubliceerd onder WBV 2025/20. Al hierom is het beroep gegrond en moet het bestreden besluit worden vernietigd wegens strijd met het motiveringsvereiste van artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De vervolgvraag is of de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit geheel in stand kunnen blijven zoals bedoeld in artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb. Dit zou het geval kunnen zijn als de motivering met het verweerschrift en het verhandelde ter zitting op een deugdelijke wijze is aangevuld. De rechtbank beantwoordt deze vraag echter ontkennend gelet op het volgende. 19. Uit de ‘15c beoordeling Jemen’ die als bijlage bij de kamerbrief van 8 oktober 2025 is gevoegd, volgt dat verweerder slechts de humanitaire omstandigheden in Jemen in zijn beoordeling heeft betrokken voor zover die worden ingezet als instrument van oorlogsvoering. In de beslisnota bij deze kamerbrief is opgenomen dat verweerder niet heeft gekeken naar de cumulatieve gevolgen van de langdurige oorlog voor de humanitaire situatie. In de hiervoor onder 17 aangehaalde Afdelingsuitspraak van 16 juli 2025 is echter geoordeeld dat niet alleen het bewust inzetten van de humanitaire situatie als oorlogstactiek relevant is in het kader van artikel 15c van de Krl, maar dat alle humanitaire omstandigheden die direct of indirect het gevolg zijn van het gewapende conflict daarbij een rol spelen. Dit heeft verweerder ten onrechte niet onderkend. 20. Daarnaast is het WBV 2025/20 gebaseerd op het AAB van 18 april 2025, dat volgens pagina 6 de verslagperiode beslaat tot en met 28 februari 2025. Dit is ruimschoots vóór de Afdelingsuitspraak van 16 juli 2025. Ook de ‘15c beoordeling Jemen’ bij de kamerbrief van 8 oktober 2025 dateert van vóór die Afdelingsuitspraak. Dit roept de vraag op in hoeverre verweerder rekening heeft kunnen houden met de opdracht die de Afdeling hem heeft gegeven. De rechtbank is niet overtuigd van het standpunt van verweerder tijdens de zitting dat dit is gebeurd. Zoals hiervoor al is overwogen, is verweerder onvoldoende gemotiveerd ingegaan op de humanitaire situatie ondanks de opdracht daartoe van de Afdeling. Verder geeft de ‘15c beoordeling Jemen’ naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende weer hoe verweerder aan de hand van het samenstel van alle relevante aspecten uiteindelijk de afweging heeft gemaakt welk niveau van willekeurig geweld volgens hem van toepassing is. Weliswaar worden de vragen die in dat kader volgens het beleid van belang zijn beantwoord, maar onvoldoende blijkt waarom daaruit volgens verweerder volgt dat sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld. Daar komt nog bij dat eiser heeft gewezen op diverse recentere landenrapportages en nieuwsberichten waaruit een zeer verontrustend beeld ontstaat. Het beeld dat naar voren komt, is namelijk dat de strijd in Jemen sinds december 2025 weer is opgelaaid. Er is blijkens deze informatie een significante toename van willekeurig geweld met meer burgerslachtoffers tot gevolg, en ook van conflictgerelateerde humanitaire obstructie en ontheemding. De inschatting door verweerder van de mate van willekeurig geweld in Jemen heeft met deze recente informatie geen rekening gehouden. 21. Dit brengt mee dat verweerder niet met de gegeven motivering mocht uitgaan van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld in [plaats] . Daarmee kon er niet zonder meer vanuit worden gegaan dat eiser individuele elementen naar voren moet brengen die aannemelijk maken dat hij van het willekeurig geweld slachtoffer zal worden. De conclusie en de gevolgen 22. Gelet op wat hiervoor is overwogen, zal de rechtbank verweerder opdragen om opnieuw op de asielaanvraag van eiser te beslissen met inachtneming van deze uitspraak. Verweerder zal daarbij allereerst alsnog een zorgvuldige en deugdelijk gemotiveerde geloofwaardigheidsbeoordeling moeten verrichten. Vervolgens zal verweerder alsnog een inschatting moeten maken van het niveau van willekeurig geweld in Jemen, in het bijzonder [plaats] , die voldoet aan de Afdelingsuitspraak van 16 juli 2025 en die rekening houdt met de recentste landeninformatie. Voor zover verweerder niet het standpunt zal innemen dat in [plaats] sprake is van de meest uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld, zal verweerder moeten beoordelen hoe het niveau van willekeurig geweld zich verhoudt tot de door eiser naar voren gebrachte en geloofwaardig geachte individuele elementen. 23. In de gegrondverklaring van het beroep ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.868, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift en een punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld). Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit van 27 januari 2025; draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser met inachtneming van deze uitspraak; veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868 (achttienhonderdachtenzestig euro) aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan op 2 juli 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter en voorzitter, en mr. B.F.Th. de Roos en mr. M.J. Schouw, rechters, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier voorzitter Afschrift verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Het betreft met name: ACLED, ‘Middle East Overview: January 2026’, 12 januari 2026. Human Rights Watch, ‘Houthi Detentions Halting Aid in Crisis Hit Yemen’, 8 januari 2026. Al Jazeera, ‘The Yemeni crisis: More complexity and many repercussions’, 5 januari 2026. Al Jazeera, ‘Saudi-backed government forces retake multiple cities in southern Yemen’, 4 januari 2026. UNHCR - UN High Commissioner for Refugees, ‘Annual report on humanitarian needs, the security situation and protection’, 30 december 2025. NOS, ‘Saudi-Arabië valt haven in Jemen aan vanwege wapenleverantie’, 30 december 2025. Global Protection Cluster, ‘Yemen Protection Impact Report: Civilian Harm and Urgent Protection Response Needs’, 21 juli 2025. CGRS-CEDOCA, ‘Jemen: Veiligheidssituatie’, 19 mei 2025.