← alle zaken
Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:18489

Rechtbank Den Haag · 2026-07-03 · Eerste aanleg - enkelvoudig

Zaaknummer
NL25.60316 en NL25.60317
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
9.904 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Asielaanvraag ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De minister heeft zich gebaseerd op artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, maar heeft niet onderbouwd dat is voldaan aan de voorwaarden van dat artikel. De minister heeft namelijk niet onderbouwd dat eiseres in de Verenigde Staten de vluchtelingenstatus heeft of anderszins voldoende bescherming geniet daar. Dat eiseres een Green Card heeft, wil nog niet zeggen dat zij ook een vluchtelingenstatus heeft in de Verenigde Staten. De rechtbank ziet in het dossier verder ook geen andere aanwijzingen die de aanname van de minister, dat eiseres een asielstatus heeft in de Verenigde Staten, kunnen staven. Het bestreden besluit is daarom onzorgvuldig voorbereid en gebrekkig gemotiveerd. Beroep gegrond, verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummers: NL25.60316 (beroep) en NL25.60317 (voorlopige voorziening) V-nummer: [V-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiseres] , geboren op [geboortedag] 1958, van Syrische nationaliteit, eiseres en verzoekster, hierna: eiseres (gemachtigde: mr. C.M.G.M. Raafs) en de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister (gemachtigde: mr. D.A.H. van den Tillaar). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag van eiseres. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag. Ook beoordeelt de voorzieningenrechter in deze uitspraak het verzoek van eiseres om een voorlopige voorziening. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden afgewezen. Hieronder legt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft met het bestreden besluit van 2 december 2025 deze aanvraag in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard. 2.1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft zij verzocht om een voorlopige voorziening, ertoe strekkende dat zij de behandeling van haar beroep in Nederland mag afwachten. 2.2. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, J. Labban als tolk in de taal Syrisch-Arabisch en de gemachtigde van de minister. 2.3. Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen twee weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen. Beoordeling door de rechtbank Achtergrond en asielrelaas 3. Eiseres heeft in juni 2023 voor het eerst asiel aangevraagd in Nederland. Zij heeft de uitkomst van die procedure niet afgewacht en is in november 2023 naar de Verenigde Staten gegaan, waar een zoon van haar woont. De zoon van eiseres had namelijk een Permanent Resident Card (ook wel ‘Green Card’) voor haar geregeld. In 2024 is eiseres teruggegaan naar Syrië omdat ze ruzie had met de echtgenote van haar zoon in de Verenigde Staten. In november 2025 heeft ze opnieuw asiel aangevraagd in Nederland. Eiseres legt aan haar huidige asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiseres is helemaal alleen in Syrië. Ook voelt zij zich daar niet veilig als christen. Er zijn twee incidenten geweest waarbij haar kruisketting van haar nek is getrokken. Het bestreden besluit 4. De minister heeft de aanvraag van eiseres niet-ontvankelijk verklaard. Eiseres kan namelijk op grond van haar Green Card terugkeren naar de Verenigde Staten, dat voor haar als veilig derde land geldt. De minister heeft zich gebaseerd op artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000). Dat eiseres haar Green Card niet langer in haar bezit heeft, maakt niet dat zij niet kan terugkeren naar de Verenigde Staten. Uit de website van de Amerikaanse overheid volgt namelijk dat het mogelijk is een tijdelijk reisdocument aan te vragen in geval van verlies of diefstal van de Green Card. Eiseres kan dit ook doen. Niet is gebleken waarom dit voor haar niet mogelijk zou zijn. Gronden 5. Eiseres voert aan dat de minister haar aanvraag ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Verweerder heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat eiseres in de Verenigde Staten als vluchteling is erkend of daar anderszins bescherming geniet. Daarnaast voert eiseres aan dat haar Green Card niet meer geldig is. Een Green Card kan ingetrokken worden als iemand lang buiten de Verenigde Staten verblijft of naar een ander land gaat met de bedoeling daar permanent te verblijven. Dat is hier duidelijk het geval, aangezien eiseres lang buiten de Verenigde Staten heeft verbleven en hier in Nederland een asielaanvraag heeft ingediend. Juridisch kader 6. Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 kan een asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard worden als de vreemdeling die die aanvraag heeft ingediend erkend is als vluchteling in een derde land en hij die bescherming nog kan genieten of anderszins voldoende bescherming geniet in dat land, met inbegrip van het beginsel van non-refoulement, en opnieuw tot het grondgebied van dat land wordt toegelaten. Is voldaan aan de voorwaarden van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000? 7. De rechtbank is van oordeel dat de minister zijn besluit, waarmee hij de asielaanvraag van eiseres niet-ontvankelijk heeft verklaard, onzorgvuldig heeft voorbereid en onvoldoende heeft gemotiveerd. De minister heeft zich gebaseerd op artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, maar heeft niet onderbouwd dat is voldaan aan de voorwaarden van dat artikel. De minister heeft namelijk niet onderbouwd dat eiseres in de Verenigde Staten de vluchtelingenstatus heeft of anderszins voldoende bescherming geniet daar. 7.1. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van de minister in dit kader toegelicht dat de minister ervan is uitgegaan dat eiseres de vluchtelingenstatus heeft in de Verenigde Staten omdat zij een Green Card heeft gekregen en dat het aan eiseres is om deze aanname te ontkrachten. De rechtbank gaat hier echter niet in mee. Het is aan de minister om door hem genomen besluiten te onderbouwen. De minister kan in dit geval niet volstaan met een aanname en de bewijslast voor de ontkrachting daarvan vervolgens bij eiseres leggen. 7.2. De rechtbank ziet ook onvoldoende onderbouwing voor de aanname van de minister. Dat eiseres een Green Card heeft, wil nog niet zeggen dat zij ook een vluchtelingenstatus heeft in de Verenigde Staten. Eiseres heeft tijdens de zitting verklaard dat zij niet weet op welke grond de Green Card aan haar is toegekend. Haar zoon had de Green Card namelijk voor haar geregeld en eiseres zelf spreekt geen Engels, waardoor zij hierover ook geen informatie tot zich heeft kunnen nemen. De rechtbank ziet in het dossier verder ook geen andere aanwijzingen die de aanname van de minister, dat eiseres een asielstatus heeft in de Verenigde Staten, kunnen staven. Het bestreden besluit is daarom onzorgvuldig voorbereid en gebrekkig gemotiveerd. 7.3. De beroepsgrond slaagt. Conclusie en gevolgen 8. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de asielaanvraag van eiseres te nemen. Dit omdat de bevoegdheid hiertoe in de eerste plaats bij de minister ligt. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat de minister opnieuw onderzoek moet doen naar de asielaanvraag van eiseres en de bestuurlijke lus zich niet leent voor een dergelijke situatie waarin nog onderzoek gedaan moet worden. 9. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken. 10. Nu met deze uitspraak op het beroep is beslist bestaat geen aanleiding meer voor de door eiseres gevraagde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek hiertoe daarom af. 11. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De rechtbank stelt deze vergoeding aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank, in de zaak NL25.60316: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit van 2 december 2025; draagt de minister op binnen na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak. De voorzieningenrechter, in de zaak NL25.60317: - wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. De rechtbank, in beide zaken: - bepaalt dat de minister de proceskosten van eiseres moet vergoeden tot een bedrag van € 2.802,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Vegter, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Hollander, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.