← alle zaken
Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:18464

Rechtbank Den Haag · 2026-07-03 · Eerste aanleg - enkelvoudig

Zaaknummer
NL25.14032
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
22.068 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Asiel, geloofwaardigheid, Somalië, Al-Shabaab, minderheidsstam, ongegrond.

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL25.14032 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2026 in de zaak tussen [eiser], v-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. M.J. Verwers), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. D.A.M. Friezer). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat hij het juiste beoordelingskader heeft toegepast en dat wel rekening is gehouden met het referentiekader van eiser. Voorts heeft de minister de problemen van eiser met Al Shabaab terecht ongeloofwaardig geacht . Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 19 maart 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2 De minister heeft hierop een verweerschrift ingediend. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Het asielrelaas 3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is geboren op [geboortedag] 1994, heeft de Somalische nationaliteit en behoort tot de Reer Hamar-clan. Eiser is meermaals telefonisch bedreigd door Al Shabaab vanwege zijn werkzaamheden in een elektronicawinkel. Al Shabaab is op een later moment naar het werk van eiser gekomen en zij hebben de eigenaar van de winkel toen doodgeschoten. Eiser was op dat moment in het magazijn achterin de winkel. Hij heeft zich stilgehouden en heeft kunnen ontsnappen. Hierna is eiser ondergedoken bij twee kennissen. Daarna is hij naar een bekende van een van de kennissen gegaan. Deze laatste persoon heeft eiser geholpen bij het verlaten van Somalië. Ook de vader en de toenmalige vrouw van eiser zijn benaderd door Al Shabaab. Dit was reden voor de ex-vrouw van eiser om van hem te scheiden. De vader van eiser is gegijzeld door Al Shabaab en eiser heeft sindsdien niets van hem vernomen. Bij terugkeer naar Somalië vreest eiser te worden gedood door Al Shabaab. Het bestreden besluit 4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven: 1. identiteit, nationaliteit en herkomst; 2. problemen met Al Shabaab; 3. discriminatie vanwege afkomst uit een minderheidsstam. 4.1. De minister heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht. Het tweede asielmotief, de problemen met Al Shabaab, heeft eiser niet onderbouwd met objectieve documenten en dit asielmotief vindt de minister niet geloofwaardig: de verklaringen van eiser vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel . De minister heeft eiser in dat kader het volgende tegengeworpen: heeft wisselend verklaard over wanneer hij telefonisch is bedreigd door Al Shabaab, eiser heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom Al Shabaab zes tot zeven maanden heeft gewacht voordat ze actie hebben ondernomen, eiser heeft niet inzichtelijk gemaakt hoe Al Shabaab achter zijn telefoonnummer is gekomen, eiser heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom hij weer is gaan werken na de bedreigingen, eiser heeft tegenstrijdig verklaard over hoeveel aanvallers er waren en eiser baseert de ontvoering van zijn vader op vermoedens. Het derde asielmotief, de discriminatie vanwege afkomst uit een minderheidsstam, is geloofwaardig geacht. De minister heeft gekeken of eiser op grond van geloofwaardig geachte asielmotieven in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning. Dat is volgens de minister niet het geval. Daarom heeft de minister de aanvraag afgewezen als ongegrond. Heeft de minister het juiste toetsingskader toegepast? 5. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte gebruik heeft gemaakt van de Werkinstructie (WI) 2024/6. De minister had, gelet op de datum van de asielaanvraag, gebruik moeten maken van WI 2014/10. De minister kan niet tijdens een lopende asielprocedure een nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling toepassen. Dat is in het geval van eiser wel gebeurd. 5.1. De minister stelt zich op het standpunt dat het juiste beoordelingskader is toegepast. Nergens is vastgelegd dat asielaanvragen moeten worden beoordeeld aan de hand van de werkinstructies die van kracht waren ten tijde van de asielaanvraag. Hierbij verwijst de minister naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg. In het bestuursrecht wordt een besluit genomen op basis van het op dat moment geldende beleid. Dit is anders wanneer sprake is van overgangsrecht of als dat uit (andere) wetgeving volgt. Dat is echter bij het beslissen op asielaanvragen niet het geval. 5.2. De beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft de asielaanvraag van eiser terecht beoordeeld aan de hand van WI 2024/6. Dat beleid is met onmiddellijke ingang van toepassing. Uitgangspunt in het bestuursrecht is namelijk dat een besluit wordt genomen op basis van het op dat moment geldende recht, zelfs al zou een betrokkene door toepassing van nieuwe beleidsregels in een ongunstigere positie komen. Hierbij verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats. Heeft de minister rekening gehouden met het referentiekader van eiser? 6. Eiser betoogt dat de minister bij de beoordeling van de verklaringen onvoldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser. Uit het nader gehoor blijkt dat eiser een vraag niet begrijpt. Dat zijn aanwijzingen dat het referentiekader een rol speelt en kenbaar betrokken had moeten worden. Het opleidingsniveau van eiser had dan ook meegenomen moeten worden in het referentiekader. 6.1. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat in het bestreden besluit wel degelijk een referentiekader is opgenomen. Nergens uit het dossier is gebleken dat het feit dat eiser geen opleiding heeft invloed heeft gehad op de manier waarop hij kan verklaren of op zijn asielrelaas. De minister stelt zich dan ook terecht op het standpunt dat niet valt in te zien hoe het betrekken van het opleidingsniveau van eiser tot een andere uitkomst van de geloofwaardigheidsbeoordeling kan leiden. Dit is door eiser ook niet onderbouwd. Heeft de minister de problemen van eiser met Al Shabaab ongeloofwaardig mogen achten? 7. Niet in geschil is dat eiser zijn verklaringen over de problemen met Al Shabaab niet heeft onderbouwd met (objectieve) documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. Daarom heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat de verklaringen van eiser niet een samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De rechtbank zal hieronder de gronden van eiser die zijn gericht tegen de tegenwerpingen van de minister in het kader van dat standpunt bespreken. Wisselende verklaringen over de telefonische bedreigingen door Al Shabaab 7.1. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat hij wisselend heeft verklaard over de telefonische bedreigingen door Al Shabaab. Eiser heeft aangevoerd dat de tolk eiser niet goed heeft begrepen en de datum van de eerste telefonische bedreiging niet juist heeft vertaald. Ook de verklaring van eiser dat de bedreiging plaatsvond in de maand maart heeft de tolk niet juist vermeld. De minister gaat voorbij aan wat is aangevoerd in de correcties en aanvullingen. Eiser heeft hierin de data die hij in het nader gehoor heeft genoemd gecorrigeerd. De minister concludeert in het bestreden besluit ten onrechte dat sprake is van een dusdanig groot verschil in de verklaringen van eiser dat dit in het nadeel van eiser weegt. Bovendien is eiser tijdens het gehoor niet geconfronteerd met de tegenstrijdigheden, waardoor dit niet aan eiser kan worden tegengeworpen. 7.2. De rechtbank stelt voorop dat zij, gelet op het arrest van het Hof van Justitie in Ebilum , het standpunt over de geloofwaardigheid van de door een betrokkene afgelegde verklaringen voortaan zonder enige terughoudendheid zal beoordelen. Het Hof heeft namelijk geoordeeld dat de asielrechter een volledig onderzoek moet verrichten van de relevante feitelijke elementen. De rechtbank zal daarom niet langer, wanneer zij het standpunt van de minister over de geloofwaardigheid toetst, beoordelen of de minister zich ‘niet ten onrechte’ op een bepaald standpunt heeft gesteld. Dit in aanmerking genomen is de rechtbank van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat eiser wisselend heeft verklaard over de telefonische bedreigingen door Al Shabaab. Eiser noemt verschillende data in het gehoor. In de correcties en aanvullingen heeft eiser verklaard dat het om andere data ging. Hierdoor zijn de verklaringen van eiser wisselend. Tijdens het gehoor is aan eiser gevraagd of de data juist waren. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat het feit dat de data weer wisselden in de correcties en aanvullingen afbreuk doet aan de consistentie van het betoog van eiser. Daarnaast heeft eiser vier data genoemd, maar kan hij niet noemen in welke maand dit was. Eiser schatte bij benadering in dat dit in maart moet zijn geweest. De minister stelt terecht dat van eiser verwacht mag worden dat hij de maand kan noemen, omdat hij ook de dagen van het incident weet te benoemen. Dat eiser dit niet heeft kunnen doen betekent dat hij niet inzichtelijk heeft kunnen maken wanneer hij telefonisch is bedreigd. In het verweerschrift stelt de minister zich op het standpunt dat de correcties en aanvullingen wel zijn betrokken. Dit heeft echter alleen maar onduidelijkheid veroorzaakt, omdat er nog een extra datum is genoemd. Dat de tolk het één en ander niet juist heeft vertaald, heeft eiser verder niet onderbouwd, zodat de minister eiser op dit punt niet hoeft te volgen. Ook volgt de minister eiser terecht niet in zijn betoog dat hij tijdens het gehoor niet is geconfronteerd met de tegenstrijdigheden en dat dit wel had gemoeten. De hoormedewerker is niet verplicht om elke tegenstrijdigheid of wisselende verklaring voor te houden. In het verweerschrift stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser in de correcties en aanvullingen en in de zienswijze voldoende mogelijkheid heeft gehad om op de tegenwerpingen te reageren. Niet inzichtelijk waarom Al Shabaab zes tot zeven maanden heeft gewacht voordat ze actie hebben ondernomen 7.3. Eiser voert aan dat hij maximaal anderhalf jaar werkte, waarbij hij pas in de laatste maanden zelf problemen heeft gekregen met Al Shabaab. De eigenaar van de elektronicawinkel waar hij werkte had die problemen echter al zes of zeven maanden daarvoor gekregen. Eiser betoogt dat het aannemelijk is dat de winkel in het vizier van Al Shabaab kwam omdat de eigenaar zijn belasting niet betaalde, waardoor ze uiteindelijk bij eiser terecht zijn gekomen. Het is logisch dat Al Shabaab uiteindelijk ook eiser ging lastig vallen, omdat er werd samengewerkt met de overheid. Hier heeft eiser uitgebreid over verklaard in het nader gehoor. Het is om die reden niet bijzonder dat de bedreigingen aan het adres van eiser pas op een later moment zijn begonnen. Hierbij is van belang dat Al Shabaab geen standaard patroon volgt. De enkele verwijzing van de minister naar de gewelddadige aard van Al Shabaab maakt niet dat daaruit volgt dat eiser eerder had moeten worden lastig gevallen. De minister stelt ten onrechte dat hij gedurende de anderhalf jaar dat hij in de winkel werkte niet heeft gedacht aan vluchten. Eiser heeft pas in de laatste maand dat hij daar werkzaam was problemen gekregen, waardoor er geen reden was om eerder te vluchten. Eiser wist ook niet van de bedreigingen die de eigenaar ontving totdat hij sprak over zijn eigen telefonische bedreigingen. 7.4. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom hij zes tot zeven maanden, zoals hij zelf in eerste instantie heeft verklaard volgens de minister, heeft kunnen werken in de winkel zonder dat hij problemen had met Al Shabaab. Het feit dat de eigenaar van de winkel geen belasting betaalde staat los van de door eiser gestelde problemen. Eiser heeft namelijk verklaard dat Al Shabaab hem in het vizier had vanwege het samenwerken met de overheid. Hieruit is niet op te maken hoe de belastingstatus van de eigenaar van de winkel hier invloed op had. De minister stelt zich hierover terecht op het standpunt dat eiser niet duidelijk heeft gemaakt hoe de problemen van de eigenaar van de winkel zijn verschoven naar eiser. Wat eiser hierover in de zienswijze heeft betoogd is terecht als speculatief aangemerkt. Eiser heeft daarmee niet inzichtelijk gemaakt waarom Al Shabaab zo lang heeft gewacht met het belemmeren van de werkzaamheden: het is bevreemdend dat het ruim anderhalf jaar, over welke periode eiser in de zienswijze heeft verklaard, heeft geduurd voordat Al Shabaab achter eiser is aangekomen. Volgens de verklaringen van eiser was hij namelijk als werknemer veelvuldig aanwezig en beschikbaar om door Al Shabaab om wat voor reden dan ook lastig te worden gevallen. Dat dit vervolgens anderhalf jaar niet is gebeurd is bevreemdend gelet op de agressieve en gevaarlijke aard van deze organisatie. Ook heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat het bevreemdend is dat eiser gedurende deze lange periode nooit heeft besloten om te vluchten. Niet inzichtelijk hoe Al Shabaab achter het telefoonnummer van eiser is gekomen 7.5. Eiser betoogt dat niet van hem kan worden verwacht dat hij kan achterhalen hoe Al Shabaab aan zijn telefoonnummer is gekomen, zodat de tegenwerping die de minister hem in dit kader maakt ten onrechte is. Het is aannemelijk dat Al Shabaab spionnen heeft bij telecomproviders. Dit wordt door de minister niet weerlegd. Ook is het gezien de invloed die Al Shabaab heeft in Mogadishu voorstelbaar dat zij het nummer van eiser hebben achterhaald. Dat dit een gebruikelijke werkwijze is blijkt ook uit het ambtsbericht van maart 2020 en uit een door eiser overgelegde brief van Vluchtelingenwerk van 6 augustus 2024. Eiser verwijst tenslotte naar informatie van Noorse Landinfo van 17 oktober 2022, waaruit blijkt dat de chantage door Al Shabaab om mensen te rekruteren vaak plaatsvindt door herhaalde telefoontjes, bedreigingen en soms zelfs door het vermoorden van mensen in de omgeving van de betreffende persoon. 7.6. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe Al Shabaab achter zijn telefoonnummer is gekomen. De hoormedewerker heeft eiser tijdens het nader gehoor gevraagd hoe Al Shabaab specifiek achter het telefoonnummer van eiser is gekomen. Eiser heeft hierop verklaard dat het mogelijk is dat Al Shabaab spionnen heeft bij de telecomprovider. Dit antwoord is speculatief en niet voldoende om inzichtelijk hoe Al Shabaab aan het nummer van eiser is gekomen. Het had op de weg van eiser gelegen om dit aannemelijk te maken. De minister stelt zich voorts terecht op het standpunt dat eiser miskent dat de door hem aangehaalde landeninformatie ziet op rekrutering door Al Shabaab, wat in het geval van eiser niet van toepassing is, nu het gaat om bedreigingen. Uit de informatie blijkt, anders dan eiser betoogt, niet dat Al Shabaab spionnen bij de telefoonproviders heeft werken en op die manier aan telefoonnummers weet te komen. Niet inzichtelijk gemaakt dat eiser weer is gaan werken nadat hij is bedreigd 7.7. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt dat hij is blijven werken nadat hij was bedreigd. Eiser kon zijn inkomen niet missen, mede omdat zijn gezin en zijn ouder financieel afhankelijk zijn van hem. Na de aanval op de winkel is eiser niet meer teruggegaan naar de winkel. De risico’s waren toen te groot geworden. De telefonische dreigementen zijn bovendien niet te vergelijken met de daadwerkelijke aanval op de winkel. De minister kan niet in de plaats van eiser beoordelen op welke wijze eiser deze afweging heeft gemaakt. Het is onduidelijk in welk kader de minister zich op het standpunt heeft gesteld dat eiser ondanks dat hij de kostwinner was wel het land heeft kunnen ontvluchten. 7.8. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom hij weer is gaan werken na de telefonische bedreigingen. Uit het betoog van eiser komt naar voren dat de gestelde bedreigingen zeer ernstig waren en dat eiser zelfs met de dood is bedreigd. De enkele verklaring van eiser dat hij zijn familie moest onderhouden weegt hier dan ook niet tegen op. Eiser heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom hij na de bedreigingen met de dood is blijven werken en hiermee welbewust heeft gekozen voor het risico dat hij vermoord zou kunnen worden door Al Shabaab en dan zijn gezin en ouders helemaal niet meer financieel zou kunnen bijstaan. De ontvoering van de vader van eiser is gebaseerd op vermoedens 7.9. Eiser betoogt dat zijn vader al meerdere keren was lastiggevallen en bedreigd door Al Shabaab, omdat de vader van eiser hem moest uitleveren aan Al Shabaab. Dat de vader van eiser daarna is ontvoerd is daarom een logisch gevolg van de eerdere bedreigingen. Bovendien had de vader van eiser zelf geen problemen met Al Shabaab. Dat de ontvoerders niet hebben verteld waarom ze de vader van eiser hebben ontvoerd maakt dit niet anders, omdat er na de ontvoering geen enkel contact meer is geweest. Ook het enkele feit dat Al Shabaab een jaar heeft gewacht met het ontvoeren van de vader van eiser maakt dit niet anders, omdat de vader van eiser daarvoor al meermaals is bedreigd. De minister heeft niet onderbouwd dat dit tijdsverloop niet aannemelijk is. De verklaringen van eiser omtrent de ontvoering van zijn vader komen bovendien overeen met objectieve landeninformatie, wat door de minister niet gemotiveerd is weerlegd. 7.10. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn vader is ontvoerd door Al Shabaab. Eiser heeft op geen enkele wijze aangetoond dat de daders van de ontvoering verbonden waren aan Al Shabaab. Het is enkel een vermoeden van eiser dat zijn vader is ontvoerd door Al Shabaab door de problemen die eiser met hen heeft. De ontvoerders hebben niet verteld waarom zij de vader van eiser hebben ontvoerd. Ook hebben zij niet kenbaar gemaakt wie ze zijn. Bovendien heeft eiser niet inzichtelijk gemaakt waarom, mocht Al Shabaab de dader zijn, ze een jaar hebben gewacht voordat ze de vader van eiser ontvoerden. Tot slot stelt de minister zich terecht op het standpunt dat het asielrelaas altijd wordt beoordeeld tegen de achtergrond van het land van herkomst en met medeneming van actuele landeninformatie. De tegenwerpingen die de minister heeft laten vervallen 7.11. Eiser betoogt dat de minister in het besluit twee tegenwerpingen heeft laten vallen, namelijk dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over de aanleiding van de bedreigingen en over het aantal overvallers. De minister stelt zich ten onrechte op het standpunt dat het vervallen van deze punten niet opweegt tegen de andere punten uit bestreden besluit. Hierbij wordt namelijk niet aangegeven waarom dit het geval is en hoe zwaar de overige punten dan wegen. 7.12. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat het vervallen van deze twee punten niet opweegt tegen de overige punten in het voornemen. In totaal waren er zeven tegenwerpingen waarvan er nu nog vijf overblijven die zien op de kern van het asielrelaas van eiser. De minister stelt terecht dat niet valt in te zien dat dit nader gemotiveerd had moeten worden, omdat uit het handhaven van het overige deel van de besluitvorming volgt dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Daaruit volgt ook dat de overige tegenwerpingen dus voldoende zwaar waren om de afwijzing te dragen. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze zittingsplaats. Conclusie over de geloofwaardigheidsbeoordeling 7.13. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiser de problemen met Al Shabaab niet aannemelijk heeft gemaakt. De minister heeft dit asielmotief dan ook ongeloofwaardig mogen achten. Conclusie en gevolgen 8. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat de afwijzing van zijn asielaanvraag in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van mr.F.E. Brokke, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 (zoals dat luidde tot 12 juni 2026). Rb Den Haag, zp Middelburg 15 november 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:18978. Rb Den Haag, zp Arnhem 11 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:3804. Rb Den Haag, zp Arnhem 25 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:11149. HvJEU 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:448, onder 58.