← alle zaken
Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:18203

Rechtbank Den Haag · 2026-07-02 · Eerste aanleg - enkelvoudig

Zaaknummer
NL26.1914 en NL26.1915
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
12.361 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Beroep gegrond. Afwijzing asielaanvraag kan niet in stand blijven. Transvrouw uit Colombia. Eiseres moet worden aangemerkt als ‘réfugié sur place’. In Colombia was zij nog niet gestart met haar transitie. Daardoor kan zij vrees voor vervolging niet verder individualiseren, anders dan door verwijzing naar algemene landeninformatie en beleid. Omdat uit objectieve landeninformatie volgt dat transvrouwen een hoog risico lopen op geweld en discriminatie en zij volgens een beleidswijzing van de minister geen beschermingsmogelijkheden hebben bij voorkomend geweld, de minister een te vergaande individualisering van het risico van eiseres verlangt. De minister had naar het oordeel van de rechtbank ook de afwezigheid van beschermingsmogelijkheden kenbaar in zijn besluit moeten betrekken.

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummers: NL26.1914 (beroep) en NL26.1915 (voorlopige voorziening) V-nummer: [V-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiseres] , geboren op [geboortedag] 1993 en van Colombiaanse nationaliteit, eiseres/verzoekster (gemachtigde: mr. V. Senczuk), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. A.R. Menschaart). Samenvatting 1.1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 . Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan en heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank/de voorzieningenrechter (de rechtbank) de afwijzing van de asielaanvraag en het verzoek om een voorlopige voorziening. 1.2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Het beroep is dus gegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2.1. Eiseres heeft op 16 september 2023 haar land van herkomst, Colombia, verlaten en is op 17 september 2023 aangekomen in Spanje. Vanuit Spanje is zij op 19 december 2023 in Nederland aangekomen. Eiseres heeft vervolgens op 1 december 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. 2.2. Met het bestreden besluit van 6 januari 2026 heeft de minister deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Met dit besluit heeft de minister aan eiseres ook een terugkeerbesluit opgelegd, waarin staat dat zij Nederland onmiddellijk moet verlaten. Zij heeft ook een inreisverbod opgelegd gekregen voor de duur van twee jaar. 2.3. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. 2.4. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Eiseres en de minister hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Asielrelaas 3. Eiseres legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. In 2019 is zij in Colombia bedreigd, vanwege de werkzaamheden van haar nicht. Vervolgens is eiseres verhuisd naar Cucuta. Daar heeft zij vier jaar gewoond. In mei/juni 2023 is zij weer bedreigd. De personen die haar bedreigden zeiden te horen bij de El Tren de Aragua gang. Vervolgens heeft zij het land verlaten. In Nederland is zij begonnen met de transitie naar vrouw. Daardoor verwacht zij vanwege haar transidentiteit problemen te ervaren bij terugkeer naar Colombia. Asielmotieven 4.1. De minister onderscheidt de volgende asielmotieven: Nationaliteit, identiteit en herkomst. Dreigementen in 2019. Dreigementen in 2023. Transidentiteit. 4.2. De minister acht de nationaliteit, identiteit en herkomst van eiseres geloofwaardig. De minister acht de dreigementen uit 2023 niet geloofwaardig. De minister acht de dreigementen uit 2019 wel geloofwaardig, maar deze leiden niet tot bescherming. De minister acht de transidentiteit van eiseres ook geloofwaardig, maar dit leidt ook niet tot bescherming. Beoordeling door de rechtbank 5. Eiseres voert aan dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende deugdelijk is gemotiveerd. Eiseres voert daartoe het volgende aan. Referentiekader 5.1. Eiseres voert aan dat de minister is uitgegaan van het verkeerde referentiekader. De minister is namelijk uitgegaan van ‘vrouw’ in plaats van ‘transvrouw’. De minister heeft dit ook erkend in het primaire besluit, maar heeft vervolgens niks veranderd aan zijn oordeel. Volgens eiseres is dat onzorgvuldig. 5.2. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. Op de zitting heeft de gemachtigde van de minister toegelicht dat het noemen van ‘vrouw’ in plaats van ‘transvrouw’ een kennelijke verschrijving is. De rechtbank volgt dit. Uit het bestreden besluit blijkt namelijk dat de minister er steeds vanuit is gegaan dat eiseres een transvrouw is en dus van het juiste referentiekader. Bedreigingen in 2023 6.1. Eiseres voert aan dat de bedreigingen in 2023 wel geloofwaardig moeten worden geacht. Zij heeft deze namelijk aannemelijk gemaakt met haar zienswijze en relaas. Zij heeft wel moeite gedaan om bescherming te krijgen van de autoriteiten in Colombia. Zij wijst er verder op dat er in Colombia veel samenwerkingen zijn tussen de politie en de groeperingen, zodat zij dacht dat zij voor haar veiligheid niet anders kon dan het land verlaten. 6.2. De rechtbank is van oordeel dat de minister de bedreigingen in 2023 terecht niet geloofwaardig heeft geacht. De minister heeft daarbij terecht betrokken dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een link is tussen de bedreigingen in 2019 en de bedreigingen uit 2023. Eiseres heeft na de bedreigingen in 2019 nog vier jaar zonder problemen in Cucuta gewoond. Ook heeft zij zelf verklaard dat het slechts een vermoeden is dat er een link is tussen de bedreigingen. De minister heeft verder terecht betrokken dat eiseres, nadat zij is aangekomen in Nederland, nog ruim twee maanden heeft gewacht met het indienen van haar asielaanvraag. Indien zij vanwege bedreigingen in 2023 bescherming nodig had, dan had van haar verwacht mogen worden dat zij onmiddellijk naar de autoriteiten zou stappen wanneer zij daar de kans voor kreeg. Transidentiteit 7.1. Eiseres voert aan dat de minister niet op de juiste wijze heeft beoordeeld of zij vanwege haar huidige uiterlijk en geïndividualiseerde omstandigheden terug kan keren naar haar land van herkomst, zonder dat sprake is van een schending van artikel 3 van het EVRM . Eiseres kan haar omstandigheden niet individualiseren, vanwege haar gewijzigde verschijningsvorm na vertrek uit haar land van herkomst. De situatie van eiseres is vergelijkbaar met de situatie van een réfugié sur place. Voor zover de minister heeft verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 5 juni 2024 , voert eiseres aan dat deze niet ziet op huidige actuele situatie in Colombia. Eiseres onderbouwt met krantenartikelen dat alleen al in de eerste vier maanden van 2025 in Colombia 25 LHBTIQ+-personen zijn vermoord, waaronder 15 transpersonen. 7.2. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat er in haar geval individualiseerbare omstandigheden zijn, waarop gebaseerd kan worden dat er voor haar een gegronde vrees voor vervolging bestaat, of dat zij een reëel risico loopt op behandeling in strijd met het bepaalde in artikel 3 van het EVRM, wanneer zij moet terugkeren naar het land van herkomst. Uit de uitspraak van de Afdeling van 5 juni 2024, specifiek in rechtsoverweging 11, volgt volgens de minister dat eiseres dit wel had moeten doen en dat enkel de transidentiteit onvoldoende is om te stellen dat zij een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade loopt. 7.3. De rechtbank overweegt als volgt. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 5 juni 2024 in rechtsoverweging 11 het volgende bepaald: ‘ De Afdeling leidt uit de landeninformatie af dat in Colombia, ondanks het progressieve wettelijke kader, de lhbti-gemeenschap, en in het bijzonder trans vrouwen, het doelwit zijn van geweld en discriminatie. Dit is niet alleen afkomstig van burgers, maar ook van overheidsfunctionarissen. In de praktijk zijn er obstakels om een beroep te doen op beschermingsmechanismen. Het institutionele kader en de werkelijkheid lopen dan ook uiteen. Dat neemt niet weg dat de situatie voor trans vrouwen in Colombia niet zodanig is dat zij systematisch worden blootgesteld aan vervolging of ernstige schade vanwege hun genderidentiteit en dat van hen, ondanks de moeilijke situatie waarin zij zich bevinden, verwacht mag worden dat zij een beroep doen op bestaande beschermingsmechanismen bij voorkomende problemen.’ 7.4. Voorts heeft de minister op 10 februari 2025 zijn landenbeleid ten aanzien van Colombia aangepast. Met deze aanpassing heeft de minister aangenomen dat het voor transpersonen niet mogelijk is om bescherming te krijgen van de Colombiaanse autoriteiten en/of internationale organisaties. 7.5. De rechtbank is met eiseres van oordeel dat zij moet worden aangemerkt als een réfugié sur place. Toen zij nog in haar land van herkomst verbleef, was zij nog niet gestart met haar transitie. De vrees voor vervolging wegens haar transidentiteit is ontstaan toen zij in Nederland in transitie is gegaan. Persoonlijke incidenten of ervaringen in Colombia heeft zij niet. Zij beschikt ook niet over andere informatie over de situatie van transvrouwen. Dat betekent dat zij anders dan door verwijzing naar algemene landeninformatie en beleid niet in staat is om haar vrees voor vervolging als transvrouw te individualiseren. Tegen deze achtergrond is de rechtbank van oordeel dat nu uit objectieve landeninformatie volgt dat transvrouwen een hoog risico lopen op geweld en discriminatie en zij volgens de beleidswijzing van de minister van na de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling, geen beschermingsmogelijkheden hebben bij voorkomend geweld, de minister een te vergaande individualisering van het risico van eiseres verlangt dan in deze gegeven omstandigheden is aangewezen. De minister had naar het oordeel van de rechtbank ook de afwezigheid van beschermingsmogelijkheden voor eiseres kenbaar in zijn besluit moeten betrekken. Door dat niet te doen heeft de minister zijn besluit onvoldoende gemotiveerd. Conclusie en gevolgen 8.1. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en draagt de minister op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van deze uitspraak. 8.2. Nu de rechtbank heeft beslist op het beroep, is er geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. 8.3. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden deze proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 2.802,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift en een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Beslissing De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL26.1914: verklaart het beroep gericht tegen het bestreden besluit gegrond; vernietigt het bestreden besluit; draagt de minister op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak. De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL26.1915: - wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. De rechtbank/voorzieningenrechter, in beide zaken: - veroordeelt de minister tot betaling van proceskosten aan eiseres tot een bedrag van € 2.802,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Vegter, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr.I.G.A. Karregat, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open. Vreemdelingenwet 2000. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. ECLI:NL:RVS:2024:2331. Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2000 2025/5 en zie paragraaf C7/10.4.2 en paragraaf C7/10.5.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000. Zie ook het Handboek UNHCR, paragraaf 94, 95 en 96 over het begrip réfugié sur place.