← alle zaken
Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:18182

Rechtbank Den Haag · 2026-06-18 · Eerste aanleg - enkelvoudig

Zaaknummer
NL25.29068
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
27.167 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Bekering. Eiseres heeft inzicht gegeven in haar persoonlijk gevoelsbeleving over de islam en het christendom en de voor haar belangrijke thema's van het christendom persoonlijk gemaakt met verklaringen over haar eigen leven en situatie. Verweerder heeft onvoldoende uitgelegd waarom van eiseres wordt verwacht dat zij nog persoonlijker moet kunnen verklaren dan zij heeft gedaan. Motiveringsgebrek. Standpunt over kennis en activiteiten ook niet deugdelijk gemotiveerd.

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL25.29068 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam 1] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres (gemachtigde: mr. F. Boone), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. F.D. In den Bosch). Procesverloop Bij besluit van 25 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarnaast heeft verweerder aan eiseres een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft het beroep op 26 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, B. Zaghdoud als tolk en de gemachtigde van verweerder. Overwegingen Inleiding 1.1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] en heeft de Iraakse nationaliteit. 1.2. Eiseres heeft op 25 juni 2021 een eerste asielaanvraag ingediend in Nederland. Hieraan heeft zij – samengevat weergegeven – ten grondslag gelegd dat haar vader problemen heeft ondervonden van een Iraakse militie en dat haar familie in Irak haar afvalligheid toedicht. Eiseres heeft op Instagram foto’s geplaatst waarop zij zonder hoofddoek te zien is. Onder deze berichten hebben familieleden haar uitgescholden. Ook is haar vader door de familie bedreigd. 1.3. Bij besluit van 7 oktober 2022 heeft verweerder deze asielaanvraag afgewezen. Verweerder heeft zowel de problemen van haar vader met de militie als de gestelde toegedichte afvalligheid van eiseres ongeloofwaardig geacht. Bij uitspraak van 14 juni 2023, NL22.20667, heeft deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, het door eiseres hiertegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Huidige asielaanvraag 2. Eiseres heeft op 29 augustus 2023 een tweede asielaanvraag ingediend. Over deze aanvraag gaat deze beroepsprocedure. Aan deze opvolgende asielaanvraag heeft eiseres – samengevat weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd. Eiseres is in Nederland bekeerd tot het (rooms-katholieke) christendom. Zij heeft zich verdiept in het geloof en ervaart binnen het christendom een persoonlijkere en meer vriendschappelijke, geestelijke band met God dan binnen de islam, waarin zij zich vooral aan God moest onderwerpen. Eiseres is samen met haar ouders, die inmiddels eveneens in Nederland verblijven, op 10 juni 2023 gedoopt in de Onze-Lieve-Vrouw Onbevlekt Ontvangenkerk te Pey. Zij heeft ter onderbouwing van haar asielrelaas een doopakte, foto’s van de doopplechtigheid en een afschrift uit het doopregister van 30 juni 2025 overgelegd. Het bestreden besluit 3.1. Verweerder heeft de volgende relevante elementen vastgesteld en beoordeeld: Identiteit, nationaliteit en herkomst; Bekering tot het christendom. 3.2. Verweerder heeft, net als in de eerste asielprocedure, de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig geacht. De gestelde bekering tot het christendom heeft verweerder echter ongeloofwaardig geacht, omdat de verklaringen van eiseres hierover volgens hem geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen als bedoeld in artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Het geloofwaardig geachte element levert volgens verweerder geen asielgrond op als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw. Gelet hierop, en nu er sprake is van een opvolgende asielaanvraag die niet niet-ontvankelijk wordt verklaard, heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, in verbinding met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw. Daarnaast heeft verweerder aan eiseres een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Verweerders argumentatie 4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de verklaringen van eiseres over haar gestelde bekering geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen als bedoeld in artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw en daarom ongeloofwaardig zijn. Verweerder heeft hieraan de volgende argumenten ten grondslag gelegd. a. a) In de eerste plaats stelt verweerder dat de verklaringen van eiseres over de tijdlijn van haar bekering vaag en wisselend zijn. Eiseres heeft met haar verklaringen niet duidelijk gemaakt wanneer zij zich heeft afgewend van de islam, wanneer haar interesse in het christendom is ontstaan en wanneer zij zich heeft bekeerd. Bovendien staan haar verklaringen over de tijdslijn in onderhavige procedure haaks op haar verklaringen tijdens de eerste asielprocedure. Eiseres heeft tijdens het gehoor in onderhavige asielprocedure (op 11 december 2024) verklaard dat zij al vanaf jonge leeftijd (11-12 jaar) twijfelde aan de islam en dat zij zich al in 2022 aan het verdiepen was in een andere religie. Tijdens het aanvullend gehoor in de eerste asielprocedure (in februari 2022) heeft zij hier echter niets over verklaard. Sterker nog, zij heeft zichzelf tijdens dat gehoor omschreven als praktiserend moslima. b) Verweerder heeft zich ook op het standpunt gesteld dat eiseres wisselend heeft verklaard over de reden waarom zij geen hoofddoek meer wilde dragen. Tijdens de eerste asielprocedure heeft eiseres namelijk verklaard dat zij dit prettiger vindt en dat dit ‘opeens’ gebeurde, terwijl zij tijdens de huidige asielprocedure heeft verklaard dat dit te maken heeft met het afstand nemen van de islam en dat zij al vanaf jonge leeftijd nadacht over het afdoen van haar hoofddoek. c) Verder heeft verweerder gesteld dat de verklaringen van eiseres over de motieven voor haar bekering oppervlakkig zijn. Eiseres heeft herhaaldelijk vergelijkingen gemaakt tussen de islam en het christendom en genoemd wat zij beter vindt aan het christendom, maar onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom die positieve punten van het christendom voor haar persoonlijk van belang zijn. Uit haar verklaringen volgt volgens verweerder ook niet zozeer dat zij aan haar religie of aan Allah ging twijfelen, maar veeleer aan het denken van haar ouders. d) Verder stelt verweerder dat eiseres wel enige kennis heeft van het christendom, maar dat die algemeen en beperkt van aard is, en dat aannemelijk is dat eiseres deelneemt aan geloofsactiviteiten, maar dat zij onvoldoende heeft uitgelegd waarom zij aan die activiteiten deelneemt en wat haar belevering hierbij is. Haar verklaringen over kennis en activiteiten zijn daarom volgens verweerder onvoldoende om de oppervlakkige en tegenstrijdige verklaringen over het motief voor en proces van bekering te compenseren. De te beoordelen beroepsgronden 5. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en betoogt dat verweerder haar bekering tot het christendom ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Zij vindt dat zij, anders dan verweerder haar tegenwerpt, niet wisselend, tegenstrijdig en oppervlakkig heeft verklaard over haar bekering. Verder stelt zij dat verweerder haar ten onrechte heeft tegenworpen dat zij haar twijfels over de islam al tijdens de eerste asielprocedure naar voren had moeten brengen. Van afvalligheid was toen nog geen sprake, haar twijfels hadden toen nog nergens toe geleid en zij zag zich op dat moment nog als moslima. Ook stelt zij dat het moment van onenigheid met haar moeder, toen zij 11/12 jaar oud was, ten onrechte als ‘afwending van de islam’ is aangemerkt. Daarvan was destijds nog geen sprake; zij was toen slechts aan het schoppen tegen het gezag van haar ouders. Voorts stelt eiseres dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met haar jonge, puberale leeftijd ten tijde van de eerste asielprocedure. Zij benadrukt verder dat een bekeringsmotief persoonlijk is en niet altijd strikt rationeel hoeft te zijn. Het oordeel van de rechtbank 6. De rechtbank toetst het bestreden besluit aan de hand van de beroepsgronden die eiseres daartegen heeft aangevoerd. 6.1. Bij het onderzoek naar de geloofwaardigheid van de gestelde bekering van eiseres heeft verweerder Werkinstructie 2022/3 (WI 2022/3) als uitgangspunt genomen. Verweerder beoordeelt volgens die WI of het aannemelijk is dat de door de vreemdeling gestelde bekering gebaseerd is op een diepgewortelde innerlijke overtuiging. Bij die beoordeling richt verweerder zich op drie thema’s, te weten: de motieven voor en het proces van bekering, de kennis van het nieuwe geloof, en de activiteiten, zoals bezoeken aan religieuze bijeenkomsten. Het zwaartepunt ligt in de meeste gevallen bij de verklaringen van de vreemdeling over het thema ‘de motieven voor en het proces van bekering’. Verder volgt uit WI 2022/3 dat minder goede verklaringen over het ene thema, kunnen worden gecompenseerd door overtuigende verklaringen over de andere thema’s. 6.2. De rechtbank overweegt dat de onder 4. genoemde argumenten a), b) en c) van verweerder zien op het thema ‘de motieven voor en het proces van bekering’. Hierop gaat de rechtbank hierna eerst in. Daarna gaat de rechtbank in op het onder 4. genoemde argument d), dat ziet op de thema’s ‘kennis’ en ‘activiteiten’. Motieven voor en proces van bekering 6.3. Over het argument a) – de verklaringen van eiseres over de tijdlijn van haar bekering zijn vaag en wisselend – overweegt de rechtbank als volgt. 6.3.1. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat eiseres vaag en/of onduidelijk heeft verklaard over de tijdlijn van haar gestelde bekering. Eiseres heeft weliswaar geen concrete data genoemd (behalve die van haar doop), maar uit het geheel aan verklaringen van eiseres blijkt naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk wat de tijdlijn is van haar gestelde bekeringsproces. Eiseres heeft verklaard dat zij op 11/12-jarige leeftijd al enige twijfels over de islam begon te krijgen, maar aan die twijfels in Irak nooit gevolg heeft gegeven, omdat dit in Irak niet toegestaan is en zij dat daar niet durfde (p. 5-6 verslag gehoor opvolgende aanvraag; hierna: GOA). Pas toen zij in Nederland kwam (halverwege 2021) en merkte dat zij hier veel meer vrijheid had, begon zij concreter na te denken over haar twijfels over de islam en ook over het afstappen van de islam, en heeft zij daartoe ook de eerste stappen gezet, zoals het afdoen van haar hoofddoek (p. 7-8 GOA). Ergens in 2022 heeft eiseres, via vriendinnen, kennis gemaakt met het christendom. Op dat moment was zij nog niet helemaal afgestapt van de islam. Zij is toen die twee religies met elkaar gaan vergelijken en heeft ontdekt dat het christendom beter bij haar past (p. 10 GOA). Zij is toen gaan leren, lezen en verdiepen en heeft vervolgens besloten om zich te bekeren tot het christendom; dit was nog in 2022 (p. 18 GOA). Daarna is zij nog verder gaan leren om er zeker van te zijn dat zij echt de goede keuze had gemaakt en toen zij voor zichzelf duidelijk had dat dit het geval was, heeft zij besloten dat zij zich wilde laten dopen (p. 18 GOA). Dit is op 10 juni 2023, samen met haar ouders, gebeurd in een christelijke kerk in Pey. Met deze verklaringen heeft eiseres de tijdlijn van haar gestelde bekeringsproces naar het oordeel van de rechtbank in grote lijnen voldoende inzichtelijk gemaakt. Hierbij heeft de rechtbank betrokken dat uit het rapport van Medifirst van 10 september 2021 blijkt dat eiseres niet goed in staat is om precieze data te noemen. 6.3.2. De rechtbank volgt verweerder ook niet in zijn standpunt dat de verklaringen van eiseres in haar huidige asielprocedure tegenstrijdig zijn aan de verklaringen die eiseres tijdens het aanvullend gehoor in haar vorige asielprocedure heeft gegeven. Meer specifiek is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van eiseres tijdens het aanvullend gehoor in haar vorige asielprocedure dat zij moslima is en praktiseert (bidden, ramadan) niet tegenstrijdig zijn met haar verklaringen in haar huidige asielprocedure. Anders dan verweerder suggereert, volgt uit de verklaringen van eiseres in haar huidige asielprocedure niet dat zij zich ten tijde van het aanvullend gehoor in haar eerste asielprocedure (op 23 februari 2022) reeds had afgekeerd van de islam en bekeerd tot het christendom. Zoals uit de vorige overweging volgt, had eiseres volgens haar verklaringen op 11/12-jarige leeftijd wel enige twijfels over de islam, maar was er op dat moment nog geen sprake van afwending van de islam. En ook op het moment dat zij in Nederland voor het eerst kennismaakte met het christendom, in 2022, was er nog geen sprake van het verlaten van de islam. Zij heeft immers duidelijk verklaard dat zij nog niet van de islam was afgestapt toen zij in Nederland kennismaakte met het christendom in 2022. 6.3.3. De rechtbank overweegt voorts dat verweerder ondeugdelijk gemotiveerd aan eiseres heeft tegengeworpen dat zij tijdens haar eerste asielprocedure niet heeft verklaard over haar twijfels over de islam en haar interesse in het christendom. Wat dit laatste betreft, geldt dat uit de verklaringen van eiseres niet kan worden opgemaakt dat zij ten tijde van het aanvullend gehoor in haar vorige asielprocedure (op 23 februari 2022) reeds kennis had gemaakt met het christendom. Daarom kan haar niet worden tegengeworpen dat zij tijdens het aanvullend gehoor in haar vorige asielprocedure niet heeft verklaard over haar interesse in het christendom. Uit de verklaringen van eiseres volgt wel dat zij ten tijde van het aanvullend gehoor in haar vorige asielprocedure al twijfels had over de islam. Verweerder heeft echter niet deugdelijk gemotiveerd waarom van eiseres wordt verwacht dat zij hierover tijdens haar vorige asielprocedure al zou verklaren. Eiseres was ten tijde van het aanvullend gehoor in haar vorige asielprocedure zestien jaar oud en daarmee nog een kind. Verweerder heeft niet deugdelijk uitgelegd waarom van een zestienjarig kind, dat afkomstig is uit een streng islamitisch land, mag worden verwacht dat zij verklaart over haar twijfels over de islam, als zij zich nog in een onderzoeks- en uitzoeksfase bevindt en voor zichzelf nog niet duidelijk heeft of zij wil verdergaan met de islam of niet. 6.3.4. Gelet op het vorenstaande, in samenhang bezien, overweegt de rechtbank dat het argument a) van verweerder niet is gebaseerd op een deugdelijke motivering. 6.4. Over verweerders argument b) – eiseres heeft wisselend verklaard over de reden waarom zijn geen hoofddoek meer wilde dragen – overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder stelt terecht dat eiseres tijdens het aanvullend gehoor in de vorige asielprocedure over het afdoen van haar hoofddoek heeft verklaard dat zij dit prettiger vindt en dat dit opeens gebeurde, terwijl uit haar verklaringen tijdens het opvolgend gehoor in haar huidige asielprocedure volgt dat het afdoen van de hoofddoek te maken heeft met het afstand nemen van de islam. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank echter niet deugdelijk gemotiveerd dat het gerechtvaardigd is om deze uiteenlopende verklaringen aan eiseres tegen te werpen. Eiseres was, zoals hiervoor al is overwogen, tijdens het aanvullend gehoor in de vorige asielprocedure een zestienjarig kind, en heeft tijdens het opvolgend gehoor in de huidige asielprocedure uitgelegd dat zij door het ouder worden is gegroeid in haar gedachten, alles beter kan plaatsen en beter kan verklaren over haar gedachten, onder andere over het afdoen van haar hoofdoek (p. 9 GOA). Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank ondeugdelijk uitgelegd waarom hij eiseres niet volgt in deze, op zichzelf niet onlogische, uitleg over haar gedachtenontwikkeling door het ouder worden. Gelet op het voorgaande overweegt de rechtbank dat het argument b) van verweerder evenmin is gebaseerd op een deugdelijke motivering. 6.5. Over het argument c) van verweerder – de verklaringen van eiseres over haar motieven voor bekering zijn summier en oppervlakkig – overweegt de rechtbank als volgt. 6.5.1. Eiseres heeft tijdens het opvolgend gehoor, zoals verweerder terecht heeft opgemerkt, herhaaldelijk een vergelijking gemaakt tussen de islam en het christendom. Daarbij heeft zij onder andere genoemd dat het christendom haar aantrekt door het directe en levendige contact met God, de fijnere manier van bidden en het thema vergeving. Verweerder werpt eiseres vooral tegen dat zij deze voor haar belangrijke thema’s van het christendom onvoldoende persoonlijk heeft gemaakt. 6.5.2. Eiseres heeft tijdens het opvolgend gehoor verklaard waarom zij een afkeer heeft gekregen van de islam en waarom zij het christendom is gaan omarmen. Over de islam heeft zij uitgelegd dat een mens wordt gezien als een ‘slaaf van God’, dat je God alleen maar tevreden moet houden, dat vergeving krijgen binnen de islam moeilijk is en dat de islam vooral gericht is op angst (p. 11 GOA). Met deze verklaringen brengt eiseres tot uiting dat de islam voor haar voelde als een keurslijf. Vervolgens heeft eiseres uitgelegd wat het met haar deed om in dit keurslijf te leven. Zij beschrijft gevoelens van onzekerheid (‘je moet God smeken om je te vergeven, maar je weet eigenlijk nooit of je vergeven wordt of niet’), neerslachtigheid en moedeloosheid (‘je kan niet met een goed gevoel doorgaan met je leven’; p. 11 GOA) en onvrijwilligheid (‘moslims moeten verplicht gaan vaste, bepaalde rituelen doen en bepaalde dingen zeggen’ p. 12 GOA). Ook heeft eiseres verklaard dat zij de islam respectloos vindt naar vrouwen, omdat in de islam mannen met vier vrouwen mogen trouwen (p. 12 GOA). Met deze verklaringen laat eiseres naar het oordeel van de rechtbank op zijn minst enige mate van persoonlijke gevoelsbeleving rondom de islam zien. Over het christendom heeft eiseres uitgelegd dat een mens daar gezien wordt als een ‘kind van God’, dat de relatie met God een makkelijke is, dat bidden een soort gesprek is met God en dat God je altijd vergeeft, ook als je grote zonden hebt begaan (p. 11-12 GOA). Met deze verklaringen brengt eiseres tot uiting dat zij het christendom ziet als een bevrijding. Vervolgens heeft eiseres uitgelegd wat deze bevrijding met haar doet. Zij beschrijft gevoelens van vertrouwen (‘als je gaat biechten en spijt toont, dan word je gelijk vergeven’; p 11 GOA), rust (‘als je het gevoel hebt dat je vergeven wordt, dan ben je uitgerust’; p. 11), optimisme (‘ik kan altijd doorgaan met mijn leven dan’; p. 11 GOA) en vrijheid (‘je mag altijd bidden, wanneer je er behoefte aan hebt; je mag alles zeggen wat in je hart is’; p 12 GOA). Met deze verklaringen laat eiseres naar het oordeel van de rechtbank op zijn minst enige persoonlijke gevoelsbeleving rondom het christendom zien. 6.5.3. De rechtbank is verder van oordeel dat eiseres de voor haar belangrijke thema’s binnen het christendom – het directe en levendige contact met God, de fijnere manier van bidden en vergeving – met haar verklaringen op zijn minst enigszins persoonlijk heeft gemaakt. Over het contact met God en het bidden heeft zij verklaard dat zij er behoefte aan heeft dat God dichtbij haar is, dat zij gelijk een gesprek met hem kan aangaan en dat hij altijd naar haar luistert als zij zich bijvoorbeeld niet lekker voelt, twijfels heeft of dingen wil vragen. Zij heeft verder verklaard dat zij onder andere aan God heeft gevraagd om haar geloof sterker te maken en haar meer zekerheid te geven in haar leven. Verder heeft zij uitgelegd innerlijke vrede en rust te voelen als zij gebeden heeft tot God (p. 13-14 GOA). Het thema vergeving heeft zij op haar eigen situatie betrokken door te verklaren dat zij hoopt dat God haar ouders gaat vergeven omdat zij onwetend zijn en niet weten wat zij haar in het verleden hebben aangedaan door zo streng (islamitisch) te zijn. Zij heeft verklaard dat zij ook om genade heeft gevraagd voor haar ouders (p. 14 GOA). Verder heeft eiseres op enigszins persoonlijke wijze verslag gedaan van twee Bijbelverhalen. Zij heeft verklaard over een blinde man die door Jezus weer kon zien en een jongen die verlamd was en door Jezus weer kon lopen, en heeft dit op haar eigen leven en situatie betrokken door te verklaren dat zij onder de islam blind en verlamd was, maar door het christendom het leven anders is gaan zien, actiever is geworden en gelukkig is geworden (p. 20 GOA). 6.5.4. Uit het vorenstaande, in samenhang bezien, volgt dat eiseres op zijn minst enig inzicht heeft gegeven in haar persoonlijk gevoelsbeleving over de islam en het christendom en dat zij de voor haar belangrijke thema’s van het christendom op zijn minst enigszins persoonlijk heeft gemaakt met verklaringen over haar eigen leven en situatie. Dit is door verweerder onvoldoende onderkend en, daarmee, onvoldoende betrokken bij zijn besluitvorming. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft uitgelegd waarom van eiseres wordt verwacht dat zij een diepere laag van gedachten, gevoelens en persoonlijke belevingen en ervaringen moet kunnen aanboren en nog persoonlijker moet kunnen verklaren dan zij heeft gedaan. De rechtbank wijst er in dit verband op dat eiseres ten tijde van het opvolgend gehoor net meerderjarig was en zich nog niet noodzakelijkerwijs in een levensfase bevond waarin een dergelijke innerlijke overtuiging reeds volledig is uitgekristalliseerd of goed onder woorden kan worden gebracht. Dit geldt te meer nu haar bekering op het moment van het opvolgend gehoor relatief kort duurde. Verder wijst de rechtbank erop dat een bekering niet zonder meer betekent dat iemand direct een ander mens wordt of voortaan beter leeft. Ook hoeft een bekering niet steeds gepaard te gaan met diepgravende of uitzonderlijke ervaringen. Dat verklaringen op onderdelen algemeen blijven, sluit daarom niet uit dat zij voor eiseres persoonlijk betekenisvol zijn. 6.5.5. Het voorgaande betekent dat verweerder zich ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiseres over haar motieven voor bekering summier en oppervlakkig, in de zin van onvoldoende persoonlijk, heeft verklaard. Het argument c) van verweerder berust aldus evenmin op een deugdelijke motivering. Kennis en activiteiten 6.6. Het onder 4. weergegeven argument d) van verweerder ziet op de WI 2022/3-thema’s ‘kennis’ en ‘activiteiten’. De rechtbank overweegt hierover als volgt. Zoals onder 6.1. is overwogen volgt uit WI 2022/3 dat minder goede verklaringen over het ene thema, kunnen worden gecompenseerd door overtuigende verklaringen over de andere thema’s. Verweerders standpunt houdt (onder meer) in dat de verklaringen van eiseres over het thema ‘motieven voor en proces van bekering’ zo ontoereikend zijn dat de verklaringen van eiseres over de thema’s ‘kennis’ en ‘activiteiten’ daarvoor niet kunnen compenseren. Nu uit wat hiervoor is overwogen echter volgt dat verweerder ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat de verklaringen van eiseres over het thema ‘motieven voor en proces van bekering’ ontoereikend zijn, is dit standpunt van verweerder met betrekking tot de compensatiemogelijkheid ook niet houdbaar. Daarnaast overweegt de rechtbank dat verweerders standpunt in het bestreden besluit dat eiseres maar beperkte kennis van het christendom aan de dag heeft gelegd ondeugdelijk is gemotiveerd. Verweerder legt niet uit waarom hij de kennis van eiseres als beperkt beschouwt, terwijl eiseres tijdens het opvolgend gehoor op alle kennisvragen een juist en concreet antwoord heeft gegeven en ook nog twee Bijbelverhalen op zichzelf heeft betrokken. Dit een en ander betekent dat ook het argument d) van verweerder niet berust op een deugdelijke motivering. Slotsom 6.7. Uit het voorgaande volgt dat geen van de dragende argumenten van verweerder als weergegeven onder 4. is gebaseerd op een deugdelijke motivering. Dit maakt dat verweerder zich in het bestreden besluit ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de verklaringen van eiseres over haar gestelde bekering geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen als bedoeld in artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw en daarom ongeloofwaardig zijn. Het onder 5. weergeven betoog van eiseres slaagt in zoverre. Overige beroepsgronden 7. Eiseres heeft verder nog aangevoerd dat het bestreden besluit onrechtmatig is omdat het niet is ondertekend, en dat WI 2024/6 in het algemeen en de toepassing daarvan in deze zaak in het bijzonder in strijd zijn met het Unierecht. Gelet op wat er hiervoor is overwogen en hierna wordt overwogen over de wijze van geschilbeslechting, is het beantwoorden van deze rechtsvragen niet nodig voor de oplossing van deze zaak (vgl. de uitspraak van de Afdeling van 1 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2401, r.o. 1.1.). De rechtbank laat deze beroepsgronden daarom inhoudelijk onbesproken. Conclusie en gevolgen 8. Het beroep is gezien het voorgaande gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. 9. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, nu verweerder de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit niet in de beroepsfase heeft hersteld. De rechtbank zal ook niet zelf in de zaak voorzien, omdat het (vooralsnog) aan verweerder is en blijft om de geloofwaardigheid van de gestelde bekering van eiseres te beoordelen en die beoordeling deugdelijk te motiveren. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor het toepassen van een bestuurlijke lus, aangezien dit, gelet op de hoeveelheid gebreken en de aard daarvan, naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zal inhouden. De rechtbank zal verweerder daarom opdragen om, met inachtneming van deze uitspraak, een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiseres. De rechtbank geeft verweerder hiervoor een termijn van acht weken. 10. Omdat het beroep gegrond is, bestaat er aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiseres met inachtneming van deze uitspraak; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Feijtel, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.