ECLI:NL:RBDHA:2026:18165
Rechtbank Den Haag · 2026-07-02 · Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
De minister heeft kort voor de zitting het besluit ingetrokken. De rechtbank acht het intrekkingsbesluit voldoende gemotiveerd. Het beroep daartegen is dus ongegrond. Wel is er een gebrek in de besluitvorming, Door het intrekken van het bestreden besluit heeft de minister de uiterste 21 maanden beslistermijn ruimschoots overschreden maar niet direct een nieuw besluit op de plaats gesteld. De minderjarige kinderen zijn door de rechter gehoord. Eiseres en haar kinderen wachten al heel lang. De rechtbank draagt de minister op om binnen de toegezegde termijn van acht weken te beslissen op de aanvraag en daarmee het geconstateerde gebrek te herstellen. Tot die tijd houdt de rechtbank de zaak aan zich.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL25.40183 T V-nummers: [v-nummer 1] [v-nummer 2] [v-nummer 3] tussenuitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen [eiseres] , eiseres, geboren op [geboortedag 1] 1984, staatloos, mede namens haar minderjarige kinderen: [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 2] 2010, [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 3] 2016, beiden van Tunesische nationaliteit, hierna samen te noemen: eisers (gemachtigde: mr. M.F. Wijngaarden), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. R.E. van Deijck). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen het besluit waarbij de afwijzing van hun asielaanvraag is ingetrokken. Ook beoordeelt de rechtbank of eisers nog belang hebben bij een beoordeling van het beroep tegen de afwijzing van hun asielaanvraag. Procesverloop 2.1. Eiseres heeft mede namens haar minderjarige kinderen op 13 april 2022 een opvolgende asielaanvraag ingediend. Met het besluit van 18 augustus 2025 (hierna: het bestreden besluit) heeft de minister deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. 2.2. Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend . 2.3. Met de brief van 8 juni 2026 (hierna: het intrekkingsbesluit) heeft de minister het bestreden besluit ingetrokken. Eisers hebben hun beroep gehandhaafd. 2.4. De rechtbank heeft de kinderen in de gelegenheid gesteld hun mening over de zaak kenbaar te maken. Op 18 juni 2026 heeft de voorzitter in aanwezigheid van de griffier een kindgesprek met hen gehouden. Een verslag van dit kindgesprek is aan het dossier toegevoegd. 2.5. De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 22 juni 2026 gezamenlijk op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, A. Belkassem als tolk en de gemachtigde van de minister. Overwegingen Het intrekkingsbesluit 3.1. Eisers hebben de rechtbank verzocht het intrekkingsbesluit te vernietigen, onder andere omdat het besluit onvoldoende is gemotiveerd. Eisers hebben er geen vertrouwen in dat de minister, zoals zijn gemachtigde ter zitting heeft gesteld, binnen acht weken opnieuw zal beslissen op de aanvraag. Zij verzoeken de rechtbank daarom om de geschilpunten te beslechten en een termijn van vier weken te stellen waarbinnen de minister opnieuw dient te beslissen. 3.2. De rechtbank overweegt dat het beroep tegen het bestreden besluit van rechtswege ook betrekking heeft op het intrekkingsbesluit . 3.3. Uit het intrekkingsbesluit volgt dat de minister het bestreden besluit heeft ingetrokken vanwege het besluit- en vertrekmoratorium Libanon . Ter zitting heeft de minister de motivering van het intrekkingsbesluit aangevuld in die zin dat de minister nader wil onderzoeken of Tunesië als veilig derde land kan worden aangemerkt. In dat kader dient de minister nog het zogenoemde ‘bandencriterium’ te toetsen. Ook dient de situatie in de VAE nader onderzocht te worden, omdat de VAE staatloze Palestijnen uitzet naar Libanon. Tot slot wenst de minister eiseres en mogelijk ook haar kinderen te horen voordat hij een nieuw besluit neemt. 3.4. De rechtbank is gelet op de nadere motivering van de minister ter zitting van oordeel dat het intrekkingsbesluit voldoende is gemotiveerd. De rechtbank ziet verder geen aanleiding om tot vernietiging van het intrekkingsbesluit over te gaan. Het beroep voor zover zich dat richt tegen het intrekkingsbesluit is daarmee ongegrond. 3.5. De rechtbank constateert echter wel een gebrek in de besluitvorming van de minister. De uiterste termijn om te beslissen op een asielaanvraag is 21 maanden. Door het intrekken van het bestreden besluit heeft de minister deze termijn ruimschoots overschreden, namelijk met meer dan 29 maanden. In dit geval had de minister dan ook direct een nieuw besluit op de aanvraag in de plaats dienen te stellen. 3.6. De rechtbank zal de minister opdragen om binnen de toegezegde termijn van acht weken te beslissen op de aanvraag en daarmee het geconstateerde gebrek te herstellen. Hoewel de minister al heeft toegezegd een nieuw besluit te nemen, zal de rechtbank, gelet op het bepaalde in artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb , in de gelegenheid stellen om aan te geven of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Het bestreden besluit 4.1. Voor de volledigheid gaat de rechtbank hierna in op het verzoek van eisers om het bestreden besluit te beoordelen, ondanks dat het besluit is ingetrokken. Volgens eisers kan een inhoudelijk oordeel over verschillende geschilpunten de minister helpen bij het nieuw te nemen besluit op hun aanvraag. Dat het bestreden besluit is ingetrokken, staat niet in de weg aan een vernietiging van dat besluit, aldus eisers. 4.2. In artikel 6:19, zesde lid, van de Awb, voor zover hier van belang, is bepaald dat intrekking van het bestreden besluit niet in de weg staat aan vernietiging van dat besluit als de indiener van het beroepschrift daarbij belang heeft. 4.3. Het is de rechtbank niet gebleken dat eisers nog een belang hebben, als bedoeld in artikel 6:19, zesde lid van de Awb, bij een beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit. Anders dan eisers betogen, is dit belang niet gelegen in de gestelde onrechtmatigheid van het besluit, maar in wat zij kunnen bereiken bij de eventuele vaststelling daarvan. Door de intrekking van het bestreden besluit hebben eisers in dit geval geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het besluit. Het besluit geldt immers al niet meer. De rechtbank verwijst naar de door de minister genoemde uitspraak van de Afdeling van 9 december 2024 . Conclusie 5.1. Uit de voorgaande overwegingen blijkt dat aan het intrekkingsbesluit een gebrek kleeft, omdat de minister niet direct een nieuw besluit op de aanvraag in de plaats heeft gesteld. Het intrekkingsbesluit is dus onvolledig. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om de minister in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Om het gebrek te herstellen, moet de minister binnen acht weken een besluit op de aanvraag van eisers nemen met inachtneming van deze tussenuitspraak. De minister moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb binnen één week meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als er een besluit is genomen, dan zal de rechtbank eisers vragen of zij het eens zijn met het besluit en of zij het beroep willen voorzetten. Eisers krijgen dan vier weken de tijd om te reageren. 5.2. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt. 5.3. De rechtbank heeft voor de kinderen een aparte terugkoppeling van deze tussenuitspraak gemaakt. Deze terugkoppeling, in de vorm van een brief aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , is gelijktijdig met de tussenuitspraak verstuurd en als bijlage aan deze tussenuitspraak gehecht. Beslissing De rechtbank: - draagt de minister op binnen één week de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen; - stelt de minister in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak of plaatsing in het digitale dossier het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak; - houdt iedere verdere beslissing aan. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, voorzitter, en mr. L.H. Waller en mr. C.A.R. Bleijendaal, leden, in aanwezigheid van mr. S. Pirs, griffier. Beste [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , Op 18 juni 2026 hebben wij met elkaar gepraat op de rechtbank. Supergoed van jullie dat jullie zijn gekomen en mij hebben verteld wat jullie van de zaak vinden. Jullie hebben mij verteld dat jullie zaak al zo lang duurt en dat jullie hier in Nederland helemaal geïntegreerd zijn en hier willen blijven. Jullie spreken de taal, doen het heel goed op school en hebben leuke vrienden. Het leven in het AZC voor zo een lange tijd valt jullie zwaar. Het liefst zouden jullie een eigen plek willen samen met jullie moeder, zodat jullie jullie vrienden kunnen laten komen. Jullie moeder is jullie steun en toeverlaat. Jullie maken je zorgen dat jullie terug moeten naar Libanon, Dubai of Tunesië. Dat maakt jullie verdrietig en boos. Jullie hele leven is sinds 2018 in Nederland. Ik heb jullie tijdens ons gesprek laten weten dat ik samen met twee andere rechters ga nadenken over jullie zaak. Op 22 juni 2026 was de zitting over jullie zaak. Toen zaten jullie ook in de zaal en hebben wij vooral gepraat met jullie moeder, de advocaat van jullie moeder en de advocaat van de minister. Vandaag hebben wij een tussenuitspraak gedaan in jullie zaak. In deze brief leg ik uit wat wij hebben besloten. In onze uitspraak hebben wij als eerste gezegd dat wij begrijpen waarom de minister het besluit op jullie aanvraag heeft ingetrokken. Hij kan jullie namelijk op dit moment niet naar Libanon sturen, omdat het daar onveilig is. Verder wil de minister kijken of Tunesië voor jullie veilig is. Ook gaat de minister de situatie in de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) onderzoeken, omdat de VAE staatloze Palestijnen (zoals jullie moeder) uitzet naar Libanon. Wij hebben in onze uitspraak gezegd dat jullie zaak erg lang duurt en dat wij het fout vinden dat de minister het besluit in jullie zaak zo kort voor de zitting heeft ingetrokken maar daar geen nieuw besluit voor in de plaats heeft genomen. Jullie wachten namelijk al meer dan 29 maanden op de beslissing op jullie aanvraag en dat is veel te lang. De minister heeft nu gezegd dat hij binnen acht weken een besluit gaat nemen op jullie aanvraag. Dat hebben wij hem in onze uitspraak opgedragen te doen. Wij snappen dat het voor jullie vervelend is dat jullie nog langer moeten wachten, maar omdat de minister nog een onderzoek moet doen en jullie eventueel wil horen, is die acht weken tijd niet onredelijk. Tot die tijd houden wij jullie zaak wel aan ons zodat wij, als de minister straks een besluit heeft genomen, kunnen beoordelen of dat een goed besluit is. Ik hoop dat het voor jullie zo duidelijk is wat wij hebben beslist, en waarom wij die beslissing hebben genomen. Verder hopen wij dat het goed met jullie zal gaan. Groetjes, De rechter: M.B. de Boer. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak. Zaaknummer: NL25.40184. Dit volgt uit artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Kamerstukken II 2025/2026, 19637, nr. 3563; Stcrt. 2026, 14240. Verenigde Arabische Emiraten. Algemene wet bestuursrecht. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. ECLI:NL:RVS:2024:5043.