← alle zaken
Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:18159

Rechtbank Den Haag · 2026-07-02 · Eerste aanleg - enkelvoudig

Zaaknummer
NL26.34123
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
5.528 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Asiel. Dublin Roemenië. Interstatelijk vertrouwensbeginsel. Medische omstandigheden. Discretionaire bevoegdheid. Beroep ongegrond.

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL26.34123 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. P.R. Klaver), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder. Inleiding In het besluit van 18 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat Roemenië daarvoor verantwoordelijk is. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Beoordeling door de rechtbank 1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1997 en de Ghanese nationaliteit te hebben. Hij heeft op 1 maart 2026 asiel aangevraagd in Nederland. 2. In het bestreden besluit heeft verweerder eisers asielaanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 zoals die luidde tot 12 juni 2026. Uit het Eurodac-systeem is namelijk gebleken dat eiser eerder asiel heeft aangevraagd in Roemenië. Op 24 april 2026 hebben de Roemeense autoriteiten het verzoek om eiser terug te nemen geaccepteerd op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening (EU) Nr. 604/2013 (Dublinverordening). 3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat verweerder heeft miskend dat hij tijdens een eerder verblijf in Roemenië ernstig is bedreigd en dat hij daartegen geen bescherming kon krijgen. Daarom is onvoldoende uitgesloten dat hij bij overdracht aan Roemenië te maken krijgt met een situatie in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verweerder gaat dan ook ten onrechte uit van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verder voert eiser aan dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat de door hem overgelegde medische informatie geen aanleiding geeft tot inschakeling van het Bureau Medische Advisering (BMA). Tot slot voert eiser aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij zijn asielaanvraag niet onverplicht in behandeling heeft genomen. De rechtbank oordeelt als volgt. 4. Binnen de Europese Unie geldt het uitgangspunt dat de lidstaten er over en weer op kunnen vertrouwen dat het Europese recht wordt nageleefd. Dit is het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Bij het beantwoorden van de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor het behandelen van een asielaanvraag, kan alleen van dit uitgangspunt worden afgeweken als een asielzoeker aannemelijk maakt dat er in de verantwoordelijke lidstaat sprake is van systematische tekortkomingen in de asielprocedure of in de opvangvoorzieningen. Dit staat in artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening. 5. Eiser heeft in beroep niet aannemelijk gemaakt dat zich in Roemenië dergelijke tekortkomingen voordoen. Dat hij eerder in Roemenië niet adequaat zou zijn behandeld, is onvoldoende. Beoordeeld moet namelijk worden in welke situatie eiser bij overdracht terechtkomt in zijn hoedanigheid van Dublinclaimant ten aanzien van wie de Roemeense autoriteiten expliciet akkoord zijn gegaan met terugname. Eisers eerdere verblijf in Roemenië was in een andere hoedanigheid. De rechtbank verwijst hierbij naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 5 april 2024, ECLI:EU:C:2024:195, in de zaak X. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer als Dublinclaimant geen effectieve bescherming kan krijgen van de Roemeense autoriteiten. 6. Overdracht aan een andere lidstaat in het kader van de Dublinverordening moet vanwege gezondheidsklachten achterwege blijven als dat een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de medische situatie van de asielzoeker zou betekenen. Het ligt op de weg van de asielzoeker zelf om dit met objectieve gegevens aannemelijk te maken. Dit volgt uit het arrest van het HvJEU van 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127, in de zaak C.K. tegen Slovenië. Uit het door eiser overgelegde medisch journaal van de huisarts volgt niet dat een dergelijke situatie voorzienbaar is. Verweerder heeft dan ook terecht geen aanleiding gezien om het BMA om advies te vragen. 7. Op grond van artikel 17 van de Dublinverordening mag een lidstaat een asielaanvraag onverplicht in behandeling nemen. Volgens onderdeel C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 maakt verweerder hier terughoudend gebruik van, en doet hij dit onder meer in situaties waarin overdracht zou getuigen van onevenredige hardheid. Uit wat eiser heeft aangevoerd blijkt niet van een dergelijke situatie. Verweerder heeft dan ook geen aanleiding hoeven zien om eisers asielaanvraag aan zich te trekken. 8. Het beroep is kennelijk ongegrond. 9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan op 2 juli 2026 door mr. M.J. Paffen, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. Deze uitspraak is bekendgemaakt op: Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.