← alle zaken
Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:18145

Rechtbank Den Haag · 2026-07-02 · Eerste aanleg - enkelvoudig

Zaaknummer
NL25.13376 - NL25.13377 en NL25.13378
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
ja
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
11.385 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Vernietiging besluiten vanwege ontbreken wijze van toetsing van de aanvraag. Rechtsgevolgen terugkeerbesluit niet in stand omdat onduidelijk is of Griekenland de status intrekt. Rechtsgevolgen wel in stand voor zover het gaat om de afwijzing van de aanvragen als ongegrond. Jezidi’s uit de KAR.

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummers: NL25.13376, NL25.13377, NL25.13378 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [eiser 1] , eiser I V-nummer: [V-nummer 1] [eiser 2] , eiser II V-nummer [V-nummer 2] [eiser 3] , eiser III V-nummer: [V-nummer 3] Tezamen: eisers (gemachtigde: mr. R.E.J.M. van den Toorn), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. S. Hoesseinbaks). Procesverloop Met drie besluiten van 24 februari 2025 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de asielaanvragen van eisers in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond. Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. Verweerder heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. De rechtbank heeft het beroep op 6 mei 2026 in Breda op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, mr. S.A.M. Fikken als waarnemer van de gemachtigde van eisers, tolk [naam] en de gemachtigde van verweerder. Overwegingen 1. Eiser I is geboren op [datum 1] 1998. Eiser II is geboren op [datum 2] 2006 (broer van eiser I). Eiser III is geboren op [datum 3] 2001 (neef van eisers I en II). Zij hebben alle drie de Iraakse nationaliteit. Op 23 december 2022 hebben zij een asielaanvraag ingediend in Nederland. 2. Met de bestreden besluiten heeft verweerder de asielaanvragen afgewezen als ongegrond. Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers geloofwaardig. Ook de problemen die zij hebben omdat zij Jezidi’s zijn acht verweerder geloofwaardig, maar niet zwaarwegend genoeg voor verlening van een asielvergunning. Volgens verweerder lopen eisers bij terugkeer naar Irak geen risico op ernstige schade. 3. Eisers hebben tegen de bestreden besluiten aangevoerd dat verweerder uiterlijk op 23 maart 2024 op hun asielaanvraag had moeten beslissen en dan had moeten beslissen conform het gunstigere beleid voor Jezidi’s in WBV 2022/5. De toepassing van WBV 2024/12 heeft rechtsongelijkheid tot gevolg, want asielaanvragen van Jezidi’s die voor de beleidswijziging van 1 juli 2024 zijn ingewilligd worden niet herbeoordeeld. De beleidswijziging wordt bovendien niet gedragen door de landeninformatie van Vluchtelingenwerk Nederland van 3 januari 2025 die door eisers is overgelegd. Hieruit blijkt dat de leefomstandigheden in de kampen in de Koerdische Autonome Regio (KAR) moeilijk zijn en Jezidi’s kwetsbaar zijn voor armoede, voedselonzekerheid en brandgevaar. Ook wordt melding gemaakt van discriminatie, haatcampagnes en risico op arbitraire arrestatie door veiligheidsdiensten en milities. De omstandigheden voor Jezidi’s zijn dusdanig verslechterd dat zij bij terugkeer een reëel risico lopen om slachtoffer te worden van geweld of ernstige schade, waardoor gedwongen terugkeer strijdig is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. De rechtbank oordeelt als volgt. Toetsing 4. In het verweerschrift van 4 mei 2026, twee dagen voor de geplande zitting, heeft verweerder gesteld dat abusievelijk de beoordeling van de vluchtelingenstatus van eisers in Griekenland niet is opgenomen in de bestreden besluiten, terwijl dit intern wel zou zijn beoordeeld en meegewogen. Gewezen wordt op het arrest van het HvJEU van 18 juni 2024 waarin is geoordeeld dat er een volledig onderzoek gedaan moet worden naar de asielaanvraag van de vreemdeling die al bescherming geniet in een andere lidstaat van de EU. De status van internationale bescherming die is verleend door die lidstaat hoeft niet automatisch te worden overgenomen. Wel moet verweerder ten volle rekening houden met de beslissing van de Griekse autoriteiten om de status toe te kennen en met de elementen waarop die beslissing is gebaseerd. 5. Verweerder stelt dat uit de Griekse asieldossiers blijkt dat eisers een vluchtelingenstatus hebben gekregen omdat zij Jezidi’s zijn, niet vanwege persoonlijke problemen die zij in Irak hebben ondervonden. De aanvragen van eisers zijn in Nederland individueel, volledig en naar de actuele stand van zaken onderzocht en beoordeeld. 6. De wijze waarop een aanvraag getoetst wordt vormt een essentieel onderdeel van de besluitvorming. Het feit dat hierover in de bestreden besluiten niets naar voren komt (er wordt zelfs met geen enkel woord gerept over de vluchtelingenstatus van eisers in Griekenland), vormt naar het oordeel van de rechtbank dan ook een dusdanige omissie dat de bestreden besluiten niet in stand kunnen blijven. Dat betekent dat de bestreden besluiten voor vernietiging in aanmerking komen. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de rechtsgevolgen van de vernietigde bestreden besluiten in stand kunnen blijven. Terugkeerbesluit 7. Verweerder kan, mede gelet op de Afdelingsuitspraak van 2 juli 2025 , geen terugkeerbesluit nemen in zaken van Griekse statushouders voordat hij de uitkomst van zijn beoordeling of de vreemdeling in aanmerking komt voor een asielstatus, heeft gedeeld met de Griekse autoriteiten en de Griekse autoriteiten in reactie hierop hebben aangegeven of zij aanleiding zien om de verleende asielstatus in te trekken. 8. In dit geval blijkt uit de besluitvorming niet dat verweerder de uitkomst van de beoordeling met de Griekse autoriteiten heeft gedeeld en ook niet wat de reactie van de Griekse autoriteiten daarop is geweest. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder gesteld dat dit inmiddels in gang is gezet, maar dat betekent dat het tot op heden onduidelijk is of de Griekse autoriteiten de aan eisers verleende asielstatus zullen intrekken. Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder daarom (nog) geen terugkeerbesluit mogen opleggen aan eisers. De terugkeerbesluiten kunnen dan ook niet in stand blijven. Asielrelaas 8. Het uitgangspunt bij het nemen van een besluit is dat het recht wordt toegepast dat op dat moment geldt. Dit geldt ook voor beleidsregels. Alleen in het geval van bijzondere omstandigheden kan van dit uitgangspunt worden afgeweken. Per 1 juli 2024 is het nieuwe beleid onder het WBV 2024/12 in werking getreden. Het oude beleid waarbij Jezidi’s aangemerkt waren als kwetsbare minderheidsgroep, is hiermee vervallen. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers in dit verband geen bijzondere omstandigheden aangevoerd waarom in hun geval van het oude beleid uitgegaan moet worden. Het overschrijden van de beslistermijn is op zichzelf geen bijzondere omstandigheid die maakt dat verweerder had moeten afwijken van het algemene uitgangspunt. Er zijn immers vele vreemdelingen waarvoor geldt dat de beslistermijn (ruimschoots) is overschreden. Dat eisers mogelijk geen verblijfsvergunning hebben verkregen in tegenstelling tot andere Jezidi’s uit Irak waarbij eerder inwilligend op de aanvraag is beslist, kan dus niet aangemerkt worden als een bijzondere omstandigheid. Ook de omstandigheid dat eisers door toepassing van nieuw beleid in een ongunstigere positie stellen te komen is onvoldoende. Daar komt bij dat het oude beleid niet meebracht dat zonder meer een vergunning zou worden verleend. Verweerder zou in dat geval nog steeds een beoordeling van het asielrelaas moeten maken. Dit relaas wordt vervolgens afgezet tegen de algemene situatie in het land van herkomst. Zowel in het oude als het nieuwe beleid is sprake van het individualiseringsvereiste. Het nieuwe beleid levert voor eisers dus geen benadeling op. De beroepsgrond slaagt niet. 9. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat ontheemdenkampen [locatie 1] (eisers I en II) en [locatie 2] (eiser III) in de KAR de normale woon- en verblijfplaats vormen van eisers. Verder is gesteld noch gebleken dat de humanitaire situatie in die kampen het gevolg is van acties van strijdende partijen in een conflict. 10. Uit het arrest Sufi en Elmi van het EHRM volgt dat als een humanitaire situatie zich niet afspeelt in de context van een gewapend conflict, artikel 3 van het EVRM slechts wordt geschonden in very exceptional cases where the humanitarian grounds against removal are compelling . 11. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat in de ontheemdenkampen in de KAR uitzonderlijke omstandigheden zoals bedoeld in het arrest Sufi en Elmi bestaan. De verklaringen van eisers over de leefomstandigheden in de kampen zijn onvoldoende om deze hoge lat te halen. Ook de verwijzing van eisers naar de brief van Vluchtelingenwerk Nederland van 3 januari 2025 met de enkele stelling dat deze informatie recenter is dan het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over Irak van november 2023, is onvoldoende. Daarbij komt dat er in november 2025 een thematisch ambtsbericht Irak is verschenen. Ook uit dit ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken blijkt niet dat de (hoge) lat van artikel 3 van het EVRM wordt gehaald, nu er basisvoorzieningen aanwezig zijn in de ontheemdenkampen en de bewoners bewegingsvrijheid hebben. Conclusie en gevolgen 12. Gelet op wat onder 6. is overwogen zijn de beroepen gegrond. De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten. De rechtbank ziet aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten voor zover het gaat om de afwijzing van de aanvragen als ongegrond. Zoals onder 8. is overwogen kon verweerder geen terugkeerbesluit opleggen aan eisers. In zoverre kunnen de rechtsgevolgen dan ook niet in stand blijven. 13. Omdat de beroepen gegrond zijn, krijgen eisers een vergoeding van hun proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding bedraagt € 1.868 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting in samenhangende zaken , met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor van 1). Beslissing De rechtbank: verklaart de beroepen gegrond; vernietigt de bestreden besluiten; bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde bestreden besluiten in stand blijven voor zover het gaat om de afwijzing van de aanvragen als ongegrond; veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868 aan proceskosten aan eisers. Deze uitspraak is gedaan op 1 juli 2026 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Sterks, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Wijzigingsbesluit vreemdelingencirculaire. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Handvest van de grondrechten van de grondrechten van de Europese Unie. Hof van Justitie van de Europese Unie. C-753/22, ECLI:EU:C:2024:524. Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. ECLI:NL:RVS:2025:2865. Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden. Arrest van 28 juni 2011, zaaknummers 8319/07 en 11449/07. Op grond van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht.