← alle zaken
Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:17993

Rechtbank Den Haag · 2026-06-30 · Eerste aanleg - enkelvoudig

Zaaknummer
NL26.15543
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
5.121 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Asielaanvraag is niet-ontvankelijk verklaard. Eiser is een EU-onderdaan. Beroep ongegrond.

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL26.15543 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen [eiser], v-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. M.K. Bulthuis), en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop 1. Bij besluit van 12 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister eisers asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard. 1.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 1.2. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. Overwegingen Asielrelaas 2. Eiser bezit de Poolse nationaliteit. Eiser legt het volgende ten grondslag aan zijn asielaanvraag. Eiser heeft de militaire dienstplicht in Polen vervuld. Hij kreeg echter een brief waarin hij weer werd opgeroepen voor militaire dienst. Eiser wil dit niet, omdat hij dan voor Oekraïne moet vechten. Eiser is hiertoe wel verplicht. Als hij zich niet meldt, wordt hij als deserteur gezien. Daarop staat een gevangenisstraf van 25 jaar. Verder is eiser in Polen ten onrechte beschuldigd. Daarom vreest eiser dat hij daarvoor ten onrechte wordt veroordeeld. Bestreden besluit 3. De minister verklaart eisers asielaanvraag niet-ontvankelijk. De minister beschouwt Polen - als lidstaat van de Europese Unie - als veilig land van herkomst. Volgens de minister blijkt niet dat één van de uitzonderingsgronden uit het Protocol van toepassing is, op grond waarvan een asielaanvraag van een onderdaan van een lidstaat toch inhoudelijk behandeld moet worden. Ook bestaat geen aanleiding om voor Polen niet uit te gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. In beroep 4. Eiser betoogt dat met betrekking tot Polen niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Hij vreest namelijk voor een veroordeling vanwege de (valse) beschuldigingen en het ontbreken van een eerlijk proces. Dat hij dit niet onderbouwt met stukken doet volgens eiser hier niet aan af. De minister kan makkelijk eisers justitiële documentatie in Polen opvragen en op de hoogte zijn van lopende en afgeronde strafzaken tegen eiser. Daarnaast voert eiser aan dat het een reëel risico is dat hij bij terugkeer naar Polen in militaire dienst moet om voor Oekraïne te vechten, gelet op de duur van de oorlog, de bedreigende situatie voor Polen en de verhoogde paraatheid. 5. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat geen sprake is van één van de uitzonderingssituaties zoals genoemd onder a) tot en met d) van het Protocol. Wel is tussen partijen in geschil of ten aanzien van Polen uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. 6. Anders dan eiser stelt, is het aan hem om te onderbouwen dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan en dat Polen zich niet aan de internationale verplichtingen houdt. Dat betekent dat het niet aan de minister is om justitiële documentatie in Polen op te vragen – nog daargelaten dat daaruit niet blijkt dat sprake is van een oneerlijk proces – maar dat eiser moet onderbouwen dat hij is veroordeeld of gedetineerd is geweest op grond van valse beschuldigingen en dat hij in Polen geen eerlijk proces heeft gehad of zal krijgen. De enkele stelling dat dit zo is, is onvoldoende. Verder is van belang dat de minister terecht stelt dat eiser niet heeft onderbouwd dat hij is opgeroepen voor de militaire dienstplicht. Dat gebrek aan onderbouwing geldt ook voor eisers stelling dat hij zal worden uitgezonden naar Oekraïne om daar te vechten. Verder is van belang dat de minister in de besluitvorming heeft gesteld dat de verklaringen van eiser over de inzet van reservisten en een 25 jarige gevangenisstraf bij desertie niet overeen komen met landeninformatie. Eiser heeft dit niet weersproken. De beroepsgrond slaagt niet. Conclusie 7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Hollebrandse, rechter, in aanwezigheid van mr. L.G.C. Lelifeld, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Protocol (Nr. 24) bij het VWEU inzake asiel voor onderdanen van lidstaten van de Europese Unie.