← alle zaken
Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:17818

Rechtbank Den Haag · 2026-05-22 · Eerste aanleg - enkelvoudig

Zaaknummer
NL25.45458
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
28.129 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

De volgende steekwoorden kunnen worden gebruikt: AA, Colombia, geloofwaardigheidsbeoordeling, (indirecte) bedreiging door criminele bende niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht, artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, artikel 8 EVRM beoordeling vanwege familieleven met partner, ongegrond

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL25.45458 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam 1] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. C.C. Smit), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. M. Berkelmans). Procesverloop Bij besluit van 12 september 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 10 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, F.G. Moretto als tolk en de gemachtigde van verweerder. Totstandkoming van het besluit Het asielrelaas 1. Eiser heeft de Colombiaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] . Hij behoort tot de Christelijk-evangelische bevolkingsgroep. Eiser legt aan zijn asielaanvraag – kort samengevat – het volgende ten grondslag. Eiser is op meerdere momenten in zijn leven bedreigd. Eisers vader is in Colombia bekend geworden als politieagent die was betrokken bij operaties tegen illegale gewapende groepen. Eiser en zijn familie worden hierdoor als doelwit gezien en lastiggevallen. Eiser is tijdens zijn militaire dienst door gewapende groepen bedreigd. Zijn collega, [naam 2] , is later in [locatie] vermoord. In 2015 is eiser aangevallen door [naam 3] . Deze persoon had banden met de criminele bende Clan del Golfo. De aanval had te maken met eisers geloof. In 2016/2017 is eiser overvallen. In 2022 is eiser via Whatsappberichten aan zijn broer bedreigd. Tussen 2020 en 2022 heeft eiser gepubliceerd op het online platform van het bedrijf Omega Pro. Het bedrijf werd later in verband gebracht met witwaspraktijken en de Clan Del Golfo maakte gebruik van dit platform. Nadat het bedrijf in 2022 was opgeheven kreeg eiser een telefoontje waarin hij werd bedreigd. Een vriend van eiser, [naam 4] , is in elkaar geslagen en er werd toen naar eiser gevraagd. Daarnaast komen er binnenkort een aantal leiders van gewapende groeperingen vrij. Eiser heeft Colombia op 23 februari 2023 verlaten. Eiser vreest bij terugkeer voor vervolging en geweld door criminele groepen, met name voor de vrijgelaten leiders, de Clan del Golfo en [naam 3] . 1.1. Om zijn asielrelaas te onderbouwen heeft eiser meerdere documenten overgelegd, waaronder een echt bevonden paspoort, foto’s, een militair boekje, een aangifte van de aanval in 2015, een aangifte van de aanval van [naam 4] en een aangifte van de bedreiging van de broer van eiser, meerdere krantenartikelen en meerdere getuigenissen. Het bestreden besluit 2. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven: 1. Identiteit, nationaliteit en herkomst 2. Aanval door [naam 3] in Jardin in 2015 en de afpersing via de telefoon in 2022 3. Indirecte bedreiging via eisers broer in 2023 2.1. Verweerder heeft het eerste asielmotief geloofwaardig geacht. Verweerder acht verder geloofwaardig dat eiser in 2015 door [naam 3] is aangevallen en dat hij in 2022 is afgeperst, maar acht niet geloofwaardig dat dit verband houdt met de Clan del Golfo. Het derde asielmotief wordt door verweerder niet geloofwaardig geacht. Verweerder legt aan dit standpunt ten grondslag dat eiser de Whatsappberichten van de bedreiging niet heeft overgelegd. Daarnaast heeft eiser niet onderbouwd dat de bedreiging afkomstig is van een gewapende bende of dat eiser persoonlijk in de negatieve belangstelling van de Clan del Golfo staat. Verder wijst verweerder erop dat eisers broer geen gebruik heeft gemaakt van de beschikbare rechtsmiddelen in Colombia om bescherming te zoeken, hetgeen volgens verweerder afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van de bedreiging. 2.2. Het eerste en tweede geloofwaardig geachte asielmotief leidt volgens verweerder niet tot een vervolgingsgrond in de zin van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag) of tot een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw omdat eiser niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd toen dat mogelijk was. Eiser krijgt voorlopig uitstel van vertrek in afwachting van de beslissing op de ambtshalve beoordeling om toepassing van artikel 64, van de Vw. Beoordeling door de rechtbank Geloofwaardigheidsbeoordeling 3. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten om te motiveren in hoeverre alle door eiser gegeven verklaringen zijn betrokken bij de integrale beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas in zijn geheel, en of eiser toch niet het voordeel van de twijfel had moeten worden gegeven ondanks dat volgens verweerder niet aan alle voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw is voldaan. De door verweerder uitgevoerde geloofwaardigheidsbeoordeling is hiermee in strijd met het Unierecht. 3.1. Naar het oordeel van de rechtbank resulteert toepassing van de geloofwaardigheidsbeoordeling zoals neergelegd in Werkinstructie 2024/6 niet in iedere zaak zonder meer tot een met het Unierecht strijdige geloofswaardigheidsbeoordeling. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 6 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:3440, r.o. 4.3. tot en met 4.6, en naar de uitspraak van de meervoudige kamer van zittingsplaats Utrecht van 10 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10057, r.o. 7.1. tot en met 7.3. In deze uitspraken is overwogen dat er geen sprake is van een met het Unierecht strijdige verhoging van de bewijsmaatstaf, zolang alle verklaringen van de vreemdeling, al het overgelegde bewijsmateriaal en alle overige omstandigheden bij de beoordeling worden betrokken en in samenhang worden beoordeeld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eisers verklaringen tijdens het nader gehoor en de overgelegde documenten voldoende zorgvuldig in onderling verband en samenhang bezien en beoordeeld. Zo wijst verweerder er niet ten onrechte op dat niet slechts één cumulatieve voorwaarde van artikel 31, zesde lid, van de Vw is tegengeworpen. Daarnaast heeft verweerder er in zijn verweerschrift en nogmaals op de zitting op kunnen wijzen dat bij de geloofwaardigheidsbeoordeling van het derde asielmotief ook de omstandigheid dat eisers vader politieagent was en de algemene landeninformatie kenbaar bij de beoordeling zijn betrokken. Gelet hierop ziet de rechtbank geen reden om te oordelen dat de door verweerder uitgevoerde geloofwaardigheidsbeoordeling in strijd is met het Unierecht. De beroepsgrond slaagt niet. De door verweerder uitgevoerde geloofwaardigheidsbeoordeling van het derde asielmotief toetst de rechtbank hierna. Indirecte bedreiging via eisers broer in 2023 4. Eiser stelt zich op het standpunt dat het derde asielmotief ten onrechte ongeloofwaardig is geacht. Eiser voert hiertoe aan dat hem niet kan worden tegengeworpen dat hij de Whatsappberichten die zijn broer heeft ontvangen niet kan overleggen. Ook kan hem niet worden tegengeworpen dat zijn broer na de aangifte geen vervolgstappen heeft genomen. Zijn broer heeft namelijk psychische problemen, ter onderbouwing heeft eiser ook een medisch document overgelegd. Verder is eisers broer van nummer en telefoon gewisseld waardoor hij de Whatsappberichten niet meer heeft. Daarnaast kan niet van eiser worden verwacht dat hij bewijst dat de bedreigingen afkomstig zijn van Clan del Golfo. Verweerder legt de lat hiermee te hoog, vooral omdat eiser uit een gebied komt waar Clan del Golfo actief is en het dus zeer reëel is dat eiser door hen is bedreigd. Tot slot wijst eiser er op dat hij PTSS heeft zodat hem niet kan worden tegengeworpen dat hij zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend. Dit betekent volgens eiser ook dat de asielaanvraag niet als kennelijk ongegrond kon worden afgewezen. 4.1. De rechtbank stelt voorop dat verweerder erkent dat er criminele groepen actief zijn in Colombia. Verweerder stelt zich naar het oordeel van de rechtbank echter niet ten onrechte op het standpunt dat niet aannemelijk is dat eiser (via zijn broer) door een criminele groepering is bedreigd. Verweerder heeft eiser in dit kader allereerst kunnen tegenwerpen dat hij de Whatsappberichten van zijn broer niet heeft overgelegd en dat het, gelet op het belang van de berichten, niet onredelijk is om dit van eiser te verlangen. Verweerder heeft zich verder op het standpunt kunnen stellen dat niet valt in te zien waarom eisers broer deze berichten niet heeft bewaard, temeer nu de broer zelf ook asiel heeft aangevraagd in Spanje (pagina 7 nader gehoor). Dat zijn broer van telefoon en/of telefoonnummer is gewisseld, heeft verweerder daarom ook onvoldoende verschoonbaar kunnen vinden. Daarnaast wijst verweerder er terecht op dat het wisselen van telefoon of telefoonnummer er niet automatisch toe leidt dat alle berichten verloren gaan. Verweerder wijst er verder terecht op dat uit het door eiser in beroep overgelegde medische dossier volgt dat eisers broer in september 2024 een acute psychotische stoornis heeft gehad maar dat dit geruime tijd na de gestelde ontvangst van de Whatsappberichten is en ook nadat eiser zich heeft gemeld voor asiel. Verweerder ziet dit daarom terecht niet als verschoonbare reden voor het niet overleggen van de berichten. 4.2. Verweerder heeft zich verder op het standpunt kunnen stellen dat eisers verklaringen over de bedreiging geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Verweerder kon er op gelet op het dossier op wijzen dat eisers verklaring dat hij (via zijn broer) door een criminele groepering, mogelijk de Clan del Golfo, is bedreigd speculatief is en dat hij zijn vermoeden dat hij door een criminele groepering is bedreigd niet is onderbouwd met specifieke en verifieerbare informatie. Uit de overgelegde aangifte van de broer blijkt enkel dat de afzender van de berichten eisers naam en familieachtergrond kent, maar niet wie er achter de gestelde bedreigingen zat. Daarnaast heeft eiser verklaard dat het de Clan del Golfo kan zijn, maar dat hij niet precies weet welke bende het was en dat hij nooit rechtstreeks door de Clan del Golfo is benaderd (pagina 19 nader gehoor). Op de zitting heeft eiser bevestigd dat hij niet weet wie er achter de bedreiging(en) zat. Verweerder stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat niet duidelijk is wie er achter de gestelde bedreiging zit en dat het ook mogelijk is dat de gestelde bedreigingen niet van een criminele bende, maar van een individu afkomstig zijn. Het ligt op eisers weg om aannemelijk te maken met welke groepering hij problemen heeft (gehad) tenzij dit echt onmogelijk is. Dit is immers bepalend voor de geloofwaardigheid van eisers asielrelaas. Anders dan eiser stelt legt verweerder de bewijslat hiermee naar het oordeel van de rechtbank niet te hoog. Dat uit algemene landeninformatie volgt dat de Clan del Golfo of andere criminele bendes in eisers leefomgeving actief zijn, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank ook onvoldoende doorslaggevend kunnen vinden. Dit zegt immers niets over de vraag of eiser persoonlijk door een van hen is bedreigd. 4.3. De rechtbank stelt verder vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend. Wel is in geschil of eisers PTSS hiervoor een verschoonbare reden is. In dit kader heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank aan eiser kunnen tegenwerpen dat uit zijn verklaringen niet blijkt dat zijn gestelde mentale gezondheid dusdanig was dat eiser hierdoor niet in staat was om zich eerder te melden. Zo blijkt uit het proces-verbaal dat eiser heeft verklaard dat hij een hernia en een fractuur aan zijn ellenboog heeft, dat zijn zicht de laatste tijd achteruit is gegaan door de stress en dat hij zich paranoïde voelt, alsof hij wordt achtervolgd. Verweerder stelt niet ten onrechte dat uit deze verklaringen niet blijkt dat eiser zich niet eerder had kunnen melden dan pas 109 dagen nadat hij Nederland was ingereisd en dat dit de geloofwaardigheid van eisers gestelde vrees ondermijnt. Verweerder heeft hierbij ook kunnen betrekken dat, gelet op eisers referentiekader, waaronder zijn opleiding, internationale reiservaring, werkervaring en kerkelijke activiteiten, van eiser mocht worden verwacht dat hij zich over de procedure in Nederland had geïnformeerd, temeer nu eiser heeft verklaard dat hij Colombia heeft verlaten met de bedoeling om niet meer terug te keren (pagina 10 aanmeldgehoor). Gelet op het voorgaande heeft verweerder de asielaanvraag ook kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw. Tussenconclusie geloofwaardigheidsbeoordeling 5. Al gelet op de hiervoor vermelde tegenwerpingen, in samenhang bezien, heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de verklaringen van eiser over de indirecte bedreiging via zijn broer in 2023 ongeloofwaardig zijn. De overige hiertoe gerichte beroepsgronden laat de rechtbank daarom onbesproken. De beroepsgrond slaagt niet. Geloofwaardig geachte elementen en artikel 15c 6. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Colombia een reëel risico op ernstige schade loopt vanwege de geloofwaardig geachte feiten en incidenten en de aanwezigheid van willekeurig geweld. Eiser wijst hierbij op het werk van zijn vader, de bedreigingen aan het adres van hemzelf en zijn broer, de aanvallen op zijn vrienden, zijn ontheemding, de aanwezigheid van bendes in zijn regio en de onmogelijkheid om tegen bendegeweld beschermd te worden. Volgens eiser heeft verweerder deze omstandigheden ten onrechte niet meegenomen in zijn beoordeling. 6.1. Verweerder erkent in zijn verweerschrift dat het bestreden besluit op dit punt onvoldoende zorgvuldig is gemotiveerd omdat niet is betrokken dat in het departement Antioquia, waar eiser vandaan komt, een relatief lager niveau van willekeurig geweld geldt (paragraaf C7/10.4.2. van de Vreemdelingencirculaire 2000). De beroepsgrond slaagt. De rechtbank vindt echter dat dit gebrek met de nadere motivering in het verweerschrift, in combinatie met de reeds gegeven motivering in het bestreden besluit, is hersteld en ziet daarom aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Zij legt hieronder uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen. 6.2. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in zijn verweerschrift en de reeds gegeven motivering in het bestreden besluit voldoende deugdelijk gemotiveerd waarom eiser er niet in is geslaagd om aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk te maken dat 1) die omstandigheden leiden tot een verhoogd risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld, en 2) dat juist eiser specifiek vanwege deze omstandigheden een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Verweerder heeft er in dit kader terecht op gewezen dat eisers vader in de jaren 90/00 actief was bij de politie en dat eiser daarna geen problemen heeft ondervonden die hiermee verband houden. Over de aanval door [naam 3] in 2015, de overval door onbekende daders in 2016/2017 en de telefonische poging tot afpersing in 2022 heeft verweerder zich onbetwist op het standpunt gesteld dat dit losstaande incidenten betreffen en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt waarom hij door deze eerdere incidenten bij terugkeer een groter risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. De bedreiging van eiser en zijn broer heeft verweerder, zoals hiervoor is overwogen, niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht zodat ook hieruit niet een verhoogd risico voor eiser volgt. Over de aanval op [naam 4] en de moord op [naam 2] heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze incidenten verband houden met eiser en in het verlengde daarvan dat eiser daardoor een verhoogd risico loopt op willekeurig geweld. Ook de omstandigheid dat er criminele bendes aanwezig zijn in Colombia is onvoldoende persoonlijk. Verweerder erkent verder dat eiser door de Colombiaanse autoriteiten is erkend als gedwongen ontheemde maar wijst er op dat door de Colombiaanse autoriteiten niet is erkend dat eiser is aangevallen. Ook dit heeft verweerder terecht onvoldoende aanleiding gevonden voor het oordeel dat eiser een verhoogd risico loopt op willekeurig geweld. Daarnaast wijst verweerder er terecht op dat eiser zich tot de lokale autoriteiten kan wenden voor bescherming en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Colombiaanse autoriteiten hem geen adequate bescherming kunnen bieden. De enkele stelling dat dit het geval is, is hiervoor onvoldoende. 6.3. De hiervoor besproken geloofwaardig geachte persoonlijke feiten en omstandigheden zijn ook op zichzelf onvoldoende zwaarwegend om aan te nemen dat eiser een reële grond heeft om te vrezen voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade. Die vrees is namelijk gebaseerd op losse incidenten. Er is geen indicatie dat eiser door Clan del Golfo of een andere groep wordt vervolgd. Ook is er geen aanwijzing dat de incidenten uit een verder verleden (in 2000, 2011, 2015, 2016, 2022) samenhangen met de latere incidenten en dat er daadwerkelijk een groep of een persoon is die het op eiser heeft gemunt. Van de mishandeling van [naam 4] en de moord op [naam 2] kan ook niet worden gezegd dat die verband houden met eiser. Weliswaar stelt eiser dat daarbij ook richting hem bedreigingen zijn geuit maar dat is onvoldoende omdat niet duidelijk is waarom en van wie die bedreigingen dan afkomstig zouden kunnen zijn en verder ook niet is gebleken dat eiser met [naam 4] en Wilmar contacten had of activiteiten ondernam die die bedreigingen begrijpelijk zouden kunnen maken. Artikel 8 van het EVRM 7. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij en zijn partner een duurzame relatie hebben en samenwonen. Eiser heeft in dit kader in beroep ook verschillende documenten overgelegd, waaronder een huurcontract, een brief van zijn psycholoog, een kopie van een bankafschrift van een gezamenlijke rekening, een loonstrook van eiser en een loonstrook van zijn partner, foto’s, e-mails en een verklaring van zijn partner. Verweerder heeft volgens eiser onvoldoende gemotiveerd waarom hij geen reguliere verblijfsvergunning krijgt. 7.1. Verweerder heeft naar aanleiding van de door eiser in beroep overgelegde stukken aangenomen dat er tussen eiser en zijn partner familieleven bestaat zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft in zijn verweerschrift vervolgens een belangenafweging gemaakt tussen enerzijds het belang van eiser bij uitoefening van zijn familieleven met zijn partner en anderzijds het Nederlands algemeen belang bij het niet toestaan van verblijf aan eiser in Nederland. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) over de toetsing van een dergelijke belangenafweging, bijvoorbeeld de uitspraak van 25 augustus 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:2485), volgt dat de rechter moet toetsen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en, als dit het geval is, of hij zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een 'fair balance' tussen het belang bij de uitoefening van het familieleven van de vreemdeling in Nederland en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder bij zijn belangenafweging alle door eiser in beroep aangevoerde feiten en omstandigheden betrokken. Dit is tussen partijen ook niet in geschil. De rechtbank beoordeelt hierna of verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt. 7.2. Over het Nederlands algemeen belang bij het niet toestaan van verblijf aan eiser in Nederland overweegt de rechtbank als volgt. De Nederlandse staat heeft belang bij het hanteren van een restrictief toelatingsbeleid, onder andere vanwege het economische welzijn van Nederland. Hierbij speelt een rol of eiser voldoet aan het middelenvereiste. In dit kader heeft eiser een loonstrook overgelegd van zichzelf en van zijn partner. Verweerder heeft zich hierover op de zitting op het standpunt gesteld dat hiermee mogelijk is aangetoond dat wordt voldaan aan het middelenvereiste. Dit werkt in eisers voordeel. Verweerder wijst er echter ook op dat het economisch belang breder is dan het middelenvereiste en dat het belang van de bescherming van de uit de algemene middelen gefinancierde faciliteiten (zoals onderwijs, gezondheidszorg en infrastructuur) ook een rol speelt. Verweerder stelt dan ook niet ten onrechte dat er ook een economisch belang bestaat bij het niet toestaan van verblijf aan eiser. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat er een Nederlands algemeen belang bestaat bij het niet toestaan van verblijf aan eiser. 7.3. Verweerder heeft verder terecht gesteld dat eiser in Nederland nooit een verblijfsvergunning heeft gehad, dat het hier dus gaat om eerste toelating en dat eiser in Nederland familieleven is gaan uitoefenen met zijn partner, terwijl hij illegaal (of met onzeker verblijfsrecht) in Nederland verbleef. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de gevolgen van deze bewuste keuze om familieleven in Nederland te gaan uitoefenen tijdens illegaal verblijf in overwegende mate voor zijn rekening en risico komen. Dit standpunt van verweerder is in overeenstemming met de vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens op dit punt, waaronder het arrest in de zaak Jeunesse tegen Nederland van 3 oktober 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1003JUD001273810, en het arrest in de zaak Butt tegen Noorwegen, van 4 december 2012, ECLI:CE:ECHR:2012:1204JUD004701709. Uit deze rechtspraak volgt dat als het familieleven is ontstaan en geïntensiveerd in een gastland waar de vreemdeling geen dan wel een precair verblijfsrecht had, uitzetting van die vreemdeling slechts in ‘uitzonderlijke omstandigheden’ (exceptional circumstances) in strijd is met artikel 8 van het EVRM. 7.4. Verweerder heeft er naar het oordeel van de rechter verder terecht op gewezen dat eiser nog niet zo lang – ongeveer drie jaar – in Nederland verblijft en dat dit verblijf de gehele periode precair is geweest. Verweerder wijst er niet ten onrechte op dat een (precair) verblijf van dergelijke duur op zichzelf in het algemeen geen hechte of bijzondere banden met Nederland doet ontstaan en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit in zijn geval anders is. Dat eiser in Nederland heeft gewerkt levert weliswaar enige binding met Nederland op, maar verweerder heeft niet ten onrechte gesteld dat dit, gelet op de relatief korte duur van het verblijf in Nederland geen hechte of bijzondere banden met Nederland doet ontstaan. Verweerder heeft zich verder op het standpunt kunnen stellen dat eiser wél sterke banden heeft met Colombia nu hij de Colombiaanse nationaliteit heeft en daar het grootste deel van zijn leven heeft gewoond. Verweerder gaat er dan ook niet ten onrechte vanuit dat eiser in staat moet worden geacht om zich, (eventueel) samen met zijn partner, in Colombia te (her)vestigen en zijn leven daar opnieuw op te bouwen. Hierbij betrekt de rechtbank dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van doorslaggevende objectieve of subjectieve belemmeringen om zijn familieleven in Colombia uit te oefenen. Dat eisers partner niet bekend is met de Spaanse taal en de Colombiaanse cultuur en gewoonten heeft verweerder in dit kader onvoldoende doorslaggevend kunnen vinden, temeer nu niet is gebleken dat eisers partner zich niet zou kunnen aanpassen of niet zou kunnen wonen in Colombia. De medische omstandigheden die eiser heeft aangevoerd worden daarnaast beoordeeld in de separate artikel 64 van de Vw beoordeling. Verweerder heeft tot slot kunnen overwegen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er zich op het punt van het familieleven met zijn partner uitzonderlijke omstandigheden voordoen die maken dat de belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen. 7.5. Gelet op het vorenstaande, in samenhang bezien, heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het belang van eiser bij uitoefening van zijn familieleven met zijn partner in Nederland, naar objectieve maatstaven bezien, minder zwaar weegt dan het Nederlands algemeen belang bij het niet toestaan van verblijf aan eiser in Nederland. De beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen 8. Het beroep is gelet op hetgeen onder 6.1. is overwogen gegrond vanwege een motiveringsgebrek (artikel 3:2 van de Awb). De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Gelet op hetgeen onder 6.2. is overwogen ziet de rechtbank aanleiding om de rechtsgevolgen op grond van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand te laten. 9. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van €934,- en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit van 12 september 2025; bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven; veroordeelt verweerder tot betaling van €1.868,- aan proceskosten van eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Boesman, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Eiser verwijst hierbij naar het UNHCR Handboek, paragraaf 203 en 204, de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 29 juni 2023 (C-756/21, ECLI:EU:C:2023:523, overweging 89) en van 9 november 2023 (C-125/22, ECLI:EU:C:2023:843, overweging 47), de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 8 augustus 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:14846) en een publicatie van EASO, Judicial analysis: Evidence and credibility assessment in the context of the Common European Asylum System, p. 77 en de tweede editie, p. 105. Zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, geïmplementeerd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vw. Zie ook de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 juni 2021 (ECLI:EU:C:2021:472, CF en DN) en 9 november 2023 (ECLI:EU:C:2023:843, X en Y) en de uitleg daarvan in de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2927) en 16 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3153). Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 4 maart 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:876), rechtsoverweging 2.