← alle zaken
Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:17690

Rechtbank Den Haag · 2026-06-09 · Eerste aanleg - enkelvoudig

Zaaknummer
NL25.42014
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
21.752 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Beroep niet-tijdig omgeklapt naar inhoudelijk beroep; asiel; eisers gestelde seksuele geaardheid en problemen vanwege politieke activiteiten niet geloofwaardig; verweerder heeft dit ongeloofwaardig kunnen vinden; onvoldoende gemotiveerd is waarom eiser vanwege zijn geloofwaardig bevonden lidmaatschap en politieke activiteiten bij terugkeer geen reëel risico op ernstige schade loopt; motiveringsgebrek op grond van artikel 4:36 Awb; beroep is gegrond.

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL25.42014 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser (gemachtigde: mr. M.J.A. Bakker), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. K. Kana). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 17 januari 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 4 november 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. 1.1. De rechtbank heeft het beroep op 26 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, J.E. Hynde als tolk en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1995 en heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Hij heeft voor het eerst op 8 augustus 2020 een asielaanvraag in Nederland gedaan. Hierin heeft eiser – kort gezegd – verklaard dat hij is gevlucht vanwege zijn homoseksuele geaardheid en omdat zijn tweelingbroer (eveneens homoseksueel) is vermoord. Zijn asielrelaas is ongeloofwaardig bevonden en deze aanvraag is afgewezen met het besluit van 19 februari 2021. Eisers beroep hiertegen is gegrond verklaard, maar de rechtsgevolgen zijn door de rechtbank in stand gelaten. Het hoger beroep hiertegen van eiser is ongegrond verklaard. 2.1. Op 30 december 2022 heeft eiser opnieuw asiel aangevraagd. Deze aanvraag is bij besluit van 10 januari 2023 buiten behandeling gesteld. 2.2. Eiser heeft aan zijn huidige aanvraag het volgende ten grondslag gelegd. Eiser heeft aangegeven nu beter te kunnen verklaren over zijn homoseksuele geaardheid en daar steunbewijs voor te hebben. Daarnaast heeft eiser aangegeven actief te zijn geweest bij de “Indigenous People of Biafra” (IPOB) en de “Movement for the Actualization of the Sovereign State of Biafra” (MASSOB), omdat eiser uit Biafra komt. In Europa is eiser hiervoor ook actief geweest en bij een eventuele terugkeer verklaart eiser dat te blijven, omdat het onmogelijk is voor hem om daarover stil te blijven. Eiser heeft verder aangegeven problemen te hebben gehad met [naam 1], een machtig lokaal persoon, vanwege vernielingen tijdens een demonstratie. Bij terugkeer vreest eiser voor het leger, de politie en [naam 1]. Het bestreden besluit 3. Verweerder heeft de volgende vier asielmotieven uit het asielrelaas van eiser herleid: eisers identiteit, nationaliteit en herkomst; eisers homoseksuele geaardheid; eisers lidmaatschap bij IPOB en MASSOB en de daardoor ondervonden problemen; eisers problemen met [naam 1]. Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst zijn door verweerder geloofwaardig bevonden. Ook wordt geloofd dat eiser lid is van IPOB en MASSOB en deel heeft genomen aan bijeenkomsten en demonstraties in zowel Italië als Nederland. Eisers gestelde homoseksuele geaardheid wordt niet geloofd, omdat eiser geen inzicht heeft kunnen geven in zijn persoonlijke beleving van zijn geaardheid, zijn gestelde relatie met [naam 2] ongeloofwaardig is en zijn deelname aan LHBTI-activiteiten zijn geaardheid niet alsnog geloofwaardig maken. Ook eisers gestelde problemen vanwege zijn activiteiten voor IPOB / MASSOB worden niet geloofd, omdat eiser niet eerder heeft aangegeven hier problemen mee te hebben gehad dan wel in de toekomst verwacht die te krijgen, en eiser legaal Nigeria uit heeft kunnen reizen en verder ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat eiser door de Nigeriaanse autoriteiten wordt gezocht. De gestelde problemen met [naam 1] worden ten slotte ook niet geloofd. 3.1. Eisers politieke overtuiging, lidmaatschap voor IPOB / MASSOB en deelname aan demonstraties vormen onvoldoende grond om aan te nemen dat eiser een gegronde vrees voor vervolging heeft bij terugkeer. Verweerder acht hierbij van belang dat eiser hiervoor weliswaar actief is, maar slechts een marginale rol heeft en niet aannemelijk is gemaakt dat eiser bij eventuele terugkeer actiever wordt. Eiser is daarom geen vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Ook is niet aannemelijk dat eiser een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer in de zin van artikel 3 van het EVRM. Omdat eisers aanvraag een opvolgende aanvraag betreft die niet niet-ontvankelijk is verklaard, is zijn aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft eerder een terugkeerbesluit opgelegd gekregen met het besluit van 19 januari 2021 dat nog steeds geldt. Tot slot is aan eiser een inreisverbod voor twee jaar wordt opgelegd. Wat vindt eiser in beroep? 4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert hiertoe het volgende aan. Eiser vindt dat zijn referentiekader ten onrechte onvoldoende en niet kenbaar door verweerder is betrokken bij de besluitvorming. Verder heeft verweerder de vragen tijdens het gehoor onvoldoende verduidelijkt, waardoor eiser niet kan worden tegengeworpen dat hij onvoldoende inzicht in zijn persoonlijke beleving heeft gegeven. Enkel een vraag herhalen, zoals is gedaan, volstaat niet wanneer eiser aangeeft het niet te begrijpen. Ook kan gelet op eisers referentiekader en het tijdsverloop niet van eiser worden verwacht dat hij zich details zoals [naam 2] achternaam herinnert. De details die eiser in zijn zienswijze heeft opgegeven heeft verweerder echter niet betrokken. Evenmin wordt duidelijk welke feitelijkheden over [naam 2] zouden ontbreken en is het tegenstrijdig om eiser tegen te werpen dat zaken niet in een eerdere correcties en aanvullingen zijn aangegeven. Verweerder had evenwel beter moeten doorvragen. De karakterschets die eiser van [naam 2] heeft gegeven – namelijk dat hij kalm was maar ook een boze kant had – is daarnaast niet tegenstrijdig en ook zijn verklaring over het einde van de relatie niet. 4.1. Verweerder kan de problemen vanwege IPOB niet ongeloofwaardig vinden enkel omdat dit niet eerder is aangevoerd. Te meer zo nu de drempel om een politieke overtuiging aan te nemen destijds hoger was. Of eiser Nigeria legaal heeft verlaten is niet relevant, nu hij niet is gecontroleerd. Verder blijkt uit landeninformatie dat IPOB door de Nigeriaanse autoriteiten is bestempeld als terroristische organisatie, dat leden van IPOB en MASSOB de doodstraf kunnen krijgen en dat zij te maken krijgen met doding, mishandeling en discriminatie vanuit de autoriteiten. Nu eiser heeft aangegeven bij terugkeer zich hiervoor uit te blijven spreken, levert dit een reëel risico op. Wat is het oordeel van de rechtbank? Eisers beroep tegen het niet tijdig beslissen door verweerder 5. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. Tegen het niet tijdig beslissen staat dan ook beroep bij de rechtbank open. Dit beroep is op grond van artikel 6:12, eerste lid, van de Awb niet aan een termijn gebonden. 5.1. Omdat eiser zijn beroep heeft ingediend tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag, zal de rechtbank eerst dit beroep behandelen. De rechtbank stelt vast dat eiser eerder eenzelfde beroep heeft ingediend, welke met de uitspraak van 7 juli 2025 van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, gegrond is verklaard. Hierop is verweerder een termijn van acht weken gegeven om alsnog een besluit te nemen. Dit houdt in dat verweerder uiterlijk op 1 september 2025 op eisers aanvraag had moeten beslissen. Nu verweerder dit niet heeft gedaan en verweerder door de rechtbank een beslistermijn is opgelegd, heeft eiser op 2 september 2025 zonder daaraan voorafgaande ingebrekestelling zijn beroep tegen het uitblijven van een beslissing kunnen indienen. 5.2. De rechtbank stelt verder vast dat verweerder bij het besluit van 4 november 2025 alsnog op de aanvraag van eiser heeft beslist. Volgens vaste rechtspraak betekent dit dat eiser geen belang meer heeft bij de beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. De rechtbank verklaart het beroep, voor zover dat gericht is tegen het niet tijdig beslissen daarom niet-ontvankelijk. 5.3. Aangezien de wettelijke beslistermijn is overschreden en verweerder pas na overschrijding van deze termijn een besluit heeft genomen, veroordeelt de rechtbank verweerder in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- met een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is omdat het alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. 5.4. Nu het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk is verklaard zal de rechtbank het beroep tegen het uiteindelijk genomen besluit verder inhoudelijk behandelen. Eisers beroep tegen het alsnog genomen bestreden besluit Zorgvuldigheid gehoor 6. De rechtbank is van oordeel dat het gehoor voldoende zorgvuldig is afgenomen. Verweerder heeft erop kunnen wijzen dat op momenten waar eiser in het gehoor heeft aangegeven een vraag niet te begrijpen, deze zijn herhaald of anders zijn gesteld. Eiser heeft daarbij verder niet aangegeven dat hij het niet begreep. Indien eiser een vraag niet heeft begrepen, lag het op zijn weg om dit bij verweerder aan te geven. Daarbij heeft eiser bij het einde van alle gehoren aangegeven dat het naar zijn mening goed was verlopen. Er is dan ook niet gebleken dat verweerder ten onrechte onvoldoende rekening heeft gehouden met het opleidingsniveau van eiser of dat sprake is geweest van een onzorgvuldig gehoor. Homoseksuele geaardheid 7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eisers gestelde homoseksuele geaardheid ongeloofwaardig heeft kunnen vinden. Zij overweegt hiertoe als volgt. Verweerder beoordeelt LHBTI-gerelateerde asielmotieven aan de hand van de werkinstructie (WI) 2019/17. Verweerder acht van belang dat juist de persoonlijke beleving van de vreemdeling belangrijk is in deze beoordeling, zoals ook uit de WI blijkt. De rechtbank overweegt dat het in deze zaak een opvolgende aanvraag betreft waarbij eisers gestelde homoseksuele geaardheid in een eerdere procedure ongeloofwaardig is geacht, wat in rechte vast staat. Dit heeft dan ook het uitgangspunt kunnen vormen voor de beoordeling van verweerder, waardoor er een verzwaarde bewijslast voor de vreemdeling geldt. Daar komt bij dat eiser bij zijn aanvraag en in zijn gehoor zelf heeft aangegeven nu beter te kunnen verklaren over zijn gestelde homoseksuele geaardheid. Eiser wordt daarom niet gevolgd in zijn stelling dat hij niet goed kon verklaren omdat hij er in Nigeria niet open over kon zijn. Hoewel de rechtbank begrijpt dat het voor eiser moeilijk kan zijn om hierover te verklaren gezien zijn achtergrond, heeft verweerder hierin gelet op het bovenstaande geen verschoonbare reden hoeven zien. 7.1. Verweerder heeft eiser in het licht van het voorgaande kunnen tegenwerpen dat hij onvoldoende inzicht heeft kunnen geven in zijn persoonlijke beleving. Eiser is bevraagd op zijn opmerking dat hij nu meer vrijuit over zijn gestelde geaardheid kan verklaren. Hierop heeft eiser aangegeven dat nu hij langer in Nederland is, hij heeft gezien dat mensen een eigen mening mogen hebben en dat ze mogen zijn wie ze willen zijn. Het is voor hem dan ook anders dan voorheen. Hoe eiser deze ontwikkeling heeft beleefd of wat voor hem concreet een belangrijk moment is geweest, wordt echter niet inzichtelijk omdat eiser herhaalt dat het voor hem nu makkelijk is dan voorheen. Juist gelet op het voorgaande heeft verweerder eiser mogen verwijten dat hij in herhaling valt en onvoldoende inzicht kan geven in zijn persoonlijke beleving. Verweerder heeft eiser ook kunnen tegenwerpen dat hij geen details over [naam 2] heeft kunnen geven, met wie hij volgens zijn verklaring zes maanden een relatie heeft gehad. Zo weet eiser niet waar [naam 2] vandaan komt of wat hij voor werk deed. Daarbij heeft verweerder eisers verklaring over [naam 2] karakter tegenstrijdig kunnen vinden, omdat hij hem beschrijft als ‘altijd kalm’ maar ook dat hij gevaarlijk kan zijn en eiser een beetje bedreigde. Ook dat eiser algemeen blijft over wat het tot [naam 2] aantrok. Eiser heeft verklaard dat [naam 2] een goed iemand is, slim en een perfect hart heeft en over hoe dat tot uiting kwam geeft eiser in algemene bewoordingen aan dat hij eiser hielp en hem probeerde aan te moedigen. Hieruit heeft voor verweerder niet hoeven blijken waarom dit voor eiser aantrekkelijk of belangrijk was. Daarbij blijkt uit eisers verklaringen – in tegenstelling tot wat hij stelt – niet dat [naam 2] hem heeft geholpen de LHBTI-gemeenschap beter te leren kennen, omdat eiser enkel verklaart over oppervlakkige activiteiten en geen diepgang geeft. Verweerder heeft eiser daarnaast kunnen tegenwerpen dat hij tegenstrijdig verklaart over het einde van de relatie nu dit eerst in december 2022 zou zijn omdat [naam 2] eiser niet zou willen helpen met een steunbrief. Het contact is toen verbroken. In het aanvraagformulier van januari 2023 geeft eiser echter aan dat de relatie weliswaar verbroken is, maar dat ze nog wel bevriend zijn en (intiem) contact hebben. Eiser heeft dit niet kunnen ophelderen. 7.2. Verweerder heeft eisers gestelde homoseksuele geaardheid vanwege de LHBTI-activiteiten waar eiser aan deelgenomen heeft, niet alsnog geloofwaardig hoeven vinden. Eiser heeft foto’s overgelegd van zijn deelname aan activiteiten samen met steunbrieven van vrienden. Verweerder heeft erop kunnen wijzen dat de foto’s niets over eisers geaardheid zeggen, omdat een ieder zich kan aansluiten bij LHBTI-feesten en ook de brieven werpen geen ander licht op de beoordeling. Als eiser daarnaast gevraagd wordt over de invloed van deze activiteiten op hem blijkt eiser in algemene termen te spreken zoals dat hij ‘dingen niet eerder heeft gezien’ en het hier geen misdaad is. Eiser kon dan ook tegengeworpen worden dat zijn verklaringen hierover vaag en summier blijven. 7.3. Nu bovenstaande tegenwerpingen voldoende zijn om de ongeloofwaardigheid van eisers gestelde homoseksuele geaardheid te dragen, is de rechtbank van oordeel dat de overige beroepsgronden aangaande dit asielmotief geen bespreking meer hoeven. Problemen wegens lidmaatschap IPOB / MASSOB 8. Verweerder heeft eisers gestelde problemen naar aanleiding van zijn lidmaatschap bij IPOB / MASSOB en deelname aan demonstraties – waarbij het lidmaatschap en de deelname aan demonstraties zelf wel geloofd wordt – niet geloofwaardig kunnen vinden. Eiser kan tegengeworpen worden dat hij deze problemen in dit kader niet bij zijn opvolgende asielaanvraag noch bij zijn eerdere procedures heeft gemeld, pas later in zijn gehoor van 17 september 2024. Van eiser mag verwacht worden dat hij eerder zou vertellen dat hij hiervoor te vrezen heeft. Het argument van eiser dat hij dit niet eerder heeft aangegeven omdat de drempel om een politieke overtuiging aan te nemen voorheen hoger lag, slaagt niet. Van een vreemdeling die een verzoek om internationale bescherming doet mag verwacht worden dat hij alle voor zijn aanvraag relevante asielmotieven benoemt. Doet hij dit niet zonder dat daarvoor sprake is van een verschoonbare reden of anderzijds een belemmering om daar eerder over te kunnen verklaren, is dat voor eigen rekening en risico. Verweerder heeft eiser daarbij kunnen tegenwerpen dat eiser Nigeria zonder problemen legaal heeft kunnen verlaten en eiser niet heeft kunnen onderbouwen dat hij specifiek op dit moment door de Nigeriaanse autoriteiten wordt gezocht. Risico bij terugkeer 9. Verweerder heeft de geloofwaardig bevonden asielmotieven van eiser getoetst op zwaarwegendheid. Dit zijn eisers politieke overtuiging, zijn lidmaatschap voor IPOB en MASSOB, zijn deelname aan demonstraties in Nigeria en Italië, zijn deelname aan activiteiten in Nederland en dat eiser geld aan IPOB geeft. Verweerder heeft hiertoe overwogen dat eiser maar beperkt actief is geweest voor IPOB en geen leidende of coördinerende rol heeft gehad. Dat eiser na zijn vertrek uit Nigeria actief is gebleven weegt wel in zijn voordeel en het is daarom ook voor verweerder aannemelijk dat eiser hiermee zal doorgaan bij terugkeer. Verweerder acht het echter niet aannemelijk dat eiser actiever zal worden dan hij nu al is, ondanks zijn verklaring voor het tegendeel. Daarbij wordt betrokken dat eiser niet op andere manieren actief is en dat als eiser actiever had willen zijn, hij dit reeds had kunnen doen. Hoewel er wel wordt opgetreden tegen Biafra-onafhankelijkheidsbewegingen door de Nigeriaanse autoriteiten, is volgens verweerder niet gebleken dat eiser persoonlijk problemen zal krijgen daardoor. 9.1. Zoals beschreven onder rechtsoverweging 4.1 heeft eiser gewezen op landeninformatie waaruit blijkt dat IPOB sinds 2017 als terroristische organisatie is aangemerkt en alle activiteiten illegaal zijn verklaard wat tot arrestatie en vervolging kan leiden. Daarbij hebben de Nigeriaanse autoriteiten de neiging om op bijeenkomsten en demonstraties van MASSOB en IPOB te reageren met arbitraire arrestaties, wederrechtelijke dodingen, intimidatie, discriminatie, etc. Ook heeft de Nigeriaanse regering in 2020 en 2021 bewust haar pijlen gericht op vermeende leden en escaleert het geweld sinds augustus 2020. Verweerder heeft niet gewezen op landeninformatie dat een ander beeld schetst of waaruit blijkt dat hier nu geen sprake meer van is. 9.2. Gelet op de informatie van eiser heeft verweerder niet met voornoemde motivering kunnen volstaan. Te meer omdat hieruit niet blijkt dat onderscheid gemaakt wordt tussen de demonstranten en in welke mate zij een rol hebben bij demonstraties, en dus welk risico eiser als iemand met een beperkte rol al dan niet loopt bij een terugkeer naar Nigeria en voortzetting van zijn politieke activiteiten. Verweerder zal nader moeten motiveren waaruit blijkt, afgezet tegen beschikbare informatie, dat een dergelijk risico niet aannemelijk is. De rechtbank is daarom van oordeel dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat en niet in stand kan blijven. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Nu verweerder het risico bij terugkeer opnieuw moet beoordelen aan de hand van beschikbare landeninformatie, ziet de rechtbank geen aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten, een bestuurlijke lus toe te passen of zelf in de zaak te voorzien. Conclusie en gevolgen 10. Het beroep tegen het alsnog genomen besluit is gegrond. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat het besluit een motiveringsgebrek bevat en niet in stand kan blijven. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet gelet op hetgeen is overwogen onder rechtsoverweging 9.2 geen aanleiding om de zaak op een andere manier af te doen. 10.1. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. 10.2. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde van € 934,- per punt en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep voor zover het is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk; verklaart het beroep voor zover het is gericht tegen het alsnog genomen besluit gegrond; vernietigt het bestreden besluit; draagt verweerder op om opnieuw op de asielaanvraag van eiser te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak; veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 2.335,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, rechter, in aanwezigheid van P.J.J. Schaap, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Zie het rapport ‘Country Guidance: Nigeria’ van de EASO (heden EUAA) van oktober 2021, pag 54, 28 en 65. Zie ook het artikel ‘Nigeria: Thousands killed, hundreds forcibly disappeared in two years in South-East region’ van Amnesty International van 13 augustus 2025. Zie de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 4 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3348. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Vlg. de uitspraak van de Afdeling van 28 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2713. Verslag nader gehoor, pag. 5 en 6. Verslag nader gehoor, pag. 7 en 10. Verslag nader gehoor, pag. 11. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht.