ECLI:NL:RBDHA:2026:17689
Rechtbank Den Haag · 2026-06-09 · Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Asiel; asielrelaas deels geloofwaardig; verweerder heeft de door eiser gestelde problemen vanwege zijn werk als juwelier ongeloofwaardig kunnen vinden; de rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat eisers gestelde vrees voor de dienstplicht niet aannemelijk is en de door eiser ondervonden discriminatie niet tot een gegronde vrees voor vervolging leidt; voldoende gedragen is gemotiveerd dat in Syrië sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in de zin van 15(c) Kwalificatierichtlijn; ten onrechte geen aparte 3 EVRM beoordeling gemaakt in het kader van het arrest Sufi en Elmi; motiveringsgebrek 3:46 Awb; beroep is gegrond.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL26.13721 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser (gemachtigde: mr. M. Issa), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. K. Kana). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 8 november 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 6 maart 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. 1.1. De rechtbank heeft het beroep op 26 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A. Fawzy als tolk en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? Het asielrelaas 2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2003 en heeft de Syrische nationaliteit. Hij heeft het volgende aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd. Eiser is christen en heeft, samen met zijn vader, gewerkt als juwelier. Omdat hij al de maximale uitstel heeft gekregen van de dienstplicht om te kunnen studeren en eiser niet in het leger wil dienen, is eiser in 2023 uit Syrië gevlucht. Bij terugkeer vreest eiser voor de militaire dienstplicht en voor discriminatie vanwege zijn geloof zoals hij eerder heeft meegemaakt. Daarnaast wordt eisers vader sinds 20 januari 2025 met de dood bedreigd voor geld of goud. Nu eiser zelf ook juwelier is en ook andere juweliers worden bedreigd vanwege hun geld of goud, vreest eiser ook daardoor problemen te ondervinden bij terugkeer. Het bestreden besluit 3. Verweerder heeft drie asielmotieven uit het asielrelaas van eiser herleid. Zijn identiteit, nationaliteit en herkomst worden geloofd, evenals de discriminatie die eiser heeft ervaren als christen. De gestelde problemen vanwege eisers werk als juwelier worden niet geloofd. Eiser wordt tegengeworpen dat zijn verklaringen hierover geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Verder is eiser geen vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Sinds de val van het vorige regime in december 2024 is de dienstplicht opgeheven. De door eiser ondervonden discriminatie is niet dusdanig ernstig geweest dat het voor hem onmogelijk was om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren. Van een eventueel reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM is geen sprake, want verweerder gaat uit van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Syrië – en specifiek [plaats], waar eiser vandaan komt – en niet is gebleken van individuele omstandigheden die het risico verhogen. Tot slot wordt eiser een terugkeerbesluit opgelegd met een vertrektermijn van vier weken. Wat vindt eiser in beroep? 4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert hiertoe het volgende aan. Verweerder heeft volgens eiser onvoldoende gemotiveerd waarom er geen ex-tunc beoordeling plaats heeft kunnen vinden. Verweerder heeft door extra lang te wachten met beslissen tot er nieuw beleid was in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel gehandeld. De recent ontstane problemen zijn daarnaast geloofwaardig, omdat het vorige regime meer bescherming bood aan juweliers en christenen waarvoor eiser een begin van bewijs heeft geleverd. Eiser kan ook niet verweten wordt vaag te hebben verklaard over de bedreigingen, omdat verweerder erkent dat hij meer had moeten doorvragen. Dit had verweerder ook moeten doen bij vragen over de bedreigers met het oog op de samenwerkingsplicht, wat eiser dan ook niet tegengeworpen kan worden. Eisers verklaringen moeten daarbij in onderlinge samenhang worden beoordeeld en verweerder heeft niet duidelijk gemaakt hoe het referentiekader van eiser is meegewogen. Verder moeten verklaringen van derden, zoals eisers vader en de buren, positief worden meegewogen en zijn die niet zonder bewijswaarde. Verder kan van eiser niet worden verwacht dat hij zelf nader onderzoek doet of dat de autoriteiten dit doen. Verweerder heeft ook ten onrechte de in de zienwijze ingebrachte bronnen niet meegewogen. 4.1. Wat betreft het risico bij terugkeer is de situatie in Syrië nog te onduidelijk om te zeggen dat de dienstplicht niet meer wordt ingevoerd. Deze angst moet ook in samenhang worden gezien met de situatie in Syrië. Verweerder is daarbij ten onrechte niet ingegaan op de door eiser genoemde rapporten over geweld tegen christenen, verweerder verwijst enkel naar een rapport van de EUAA . Dat het om individuele zaken gaat (hetgeen eiser overigens niet onderschrijft) neemt niet weg dat het gebeurt. Het is van belang dat verweerder dit erkent en de gestelde goede relaties worden met deze bronnen weersproken. De door verweerder genoemde minister blijkt ook geen christen te zijn en het nieuwe regime is daarnaast extremer. 4.2. Eiser is het verder niet met verweerder eens dat er in Syrië, specifiek [plaats], sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Primair stelt eiser dat sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld in Syrië. Zo hebben zittingsplaatsen Haarlem, Den Bosch en Roermond van de rechtbank Den Haag geoordeeld dat verweerder dit onvoldoende heeft beoordeeld en niet alle relevante informatie heeft meegewogen en het beleid van verweerder kan dus niet in stand blijven. Verweerder heeft daarbij niet duidelijk de humanitaire omstandigheden meegewogen, wat wel had gemoeten, en ook verweerder acht volgens zijn beleid geen enkel gebied veilig nu geen vestigingsalternatief wordt opgenomen. Uit informatie blijkt daarnaast dat de autoriteiten geen bescherming kunnen bieden. Subsidiair stelt eiser dat zijn individuele omstandigheden voldoende risico op ernstige schade opleveren. De veiligheidssituatie is verder fragiel, verslechtert steeds en het is voor velen moeilijk om terug te keren. Ook is in [plaats] sprake van een humanitaire crisis. Een ieder loopt gevaar vanwege ontplofbare oorlogsresten. Daarbij komt dat eiser een christelijke juwelier is, geen sociaal netwerk heeft en zichzelf in nood niet makkelijk in veiligheid kan brengen. Tot slot is eiser van mening dat gezien het voorgaande, het terugkeerbesluit ten onrechte is opgelegd dan wel dat hem uitstel van vertrek moet worden verleend op grond van artikel 64 van de Vw. Wat is het oordeel van de rechtbank? Toetsing ex-tunc 5. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder zijn aanvraag ex-tunc had moeten beoordelen in plaats van ex-nunc. Dit omdat verweerder lang heeft gewacht met het nemen van een besluit, verweerder niet tijdig heeft beslist en indien binnen zes maanden op eisers aanvraag zou zijn beslist, zijn aanvraag op basis van het toenmalige beleid zou zijn ingewilligd. Eiser is daarom van mening dat verweerder coulant moet kijken naar het toenmalige beleid en heeft hierbij onder andere verwezen naar het arrest A en S tegen Nederland , een uitspraak van de Afdeling en uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaatsen Amsterdam, Arnhem en Groningen . 5.1. Voorop staat dat eiser niet bestreden heeft dat het uitgangspunt is dat asielaanvragen ex-nunc worden beoordeeld. Verweerder heeft daarbij ter zitting kunnen tegenwerpen dat de uitspraak van de Afdeling uit 2013 de voorliggende situatie niet raakt. Deze uitspraak betrof namelijk de toepassing van overgangsrecht dat destijds in werking getreden was. Daar is hiervan geen sprake. De uitspraken van zittingsplaatsen Amsterdam en Arnhem zien eveneens op andere situaties en de uitspraak van Groningen onderschrijft juist het belang en uitgangspunt van een ex-nunc toetsing. De verwijzing naar het arrest A en S maakt dit volgens de rechtbank niet anders. In het arrest A en S ging het namelijk over de vraag welke datum bij de beoordeling van een nareisaanvraag geldt bij de bepaling van de vraag of iemand als meer- of minderjarig moet worden aangemerkt en de vraag of sprake is van een herhaald asielverzoek. De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om van het uitgangspunt af te wijken dat eisers aanvraag ex-tunc beoordeeld had moeten worden. Voor een strijd met het rechtszekerheidsbeginsel ziet de rechtbank evenmin aanleiding. Geloofwaardigheidsbeoordeling 6. Verweerder heeft eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig bevonden. De door eiser ondervonden discriminatie vanwege zijn geloof is ook geloofwaardig bevonden. Deze motieven staan daarom niet ter discussie. Problemen vanwege werk als juwelier 6.1. Verweerder heeft eiser tegengeworpen dat zijn verklaringen over zijn gestelde problemen vanwege zijn werk als juwelier geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Verweerder acht het namelijk niet geloofwaardig dat de telefonische bedreigingen van eisers vader pas op 20 januari 2025 zijn begonnen. De situatie is immers sinds 2011 al instabiel en eisers vader werkt al bijna 45 jaar als juwelier. Dat dit niet eerder is gebeurd dan na eisers vertrek valt niet in te zien. Daarbij zijn eisers verklaringen over de telefonische bedreigingen ongerijmd, omdat eisers vader niet heeft betaald en dat desondanks de bedreigingen doorgingen met tussenpozen van ongeveer vier maanden zonder dat deze zijn uitgevoerd. Verder heeft eiser enkel indirect vernomen dat er twee gemaskerde en gewapende mannen bij hun werkplaats zijn langsgekomen en is zijn verklaring onvoldoende onderbouwd. Het is enkel op de verklaringen van derden – de buren – gebaseerd en het is niet gebleken dat dit verband houdt met de bedreigingen, nu niet duidelijk is wie de mannen waren. De door eiser overgelegde foto’s van sociale media over vergelijkbare incidenten maken het ook niet geloofwaardig. Gezien de herkomst zijn de berichten door individuen geplaatst en kan de objectiviteit en betrouwbaarheid niet worden bepaald, zodat daar niet het door eiser gewenste gewicht aan kan worden toegekend. Ook blijkt hieruit niet dat eiser en zijn vader problemen hebben ondervonden. 6.2. Eiser heeft hiertegen aangevoerd dat het huidige regime extremer is dan het vorige en geen of minder bescherming biedt voor christenen en juweliers. Eiser heeft weliswaar verwezen naar vrij recente artikelen uit zijn zienswijze waaruit blijkt dat er (christelijke) juweliers zijn die – sinds de val van het regime van Assad – ernstige problemen ervaren, maar zelfs al zou eiser hierin gevolgd worden maakt dit zijn gestelde individuele problemen nog niet geloofwaardig. Nog daargelaten de vraag of de artikelen voldoende zijn om eisers stelling onderbouwen. Verweerder kan er dan ook in gevolgd worden dat de door eiser ingebrachte informatie te algemeen is om zijn individuele problemen geloofwaardig te achten. Het is daarbij niet gebleken dat verweerder ten onrechte niet of onvoldoende heeft gereageerd op de door eiser ingebrachte bronnen. Daarnaast blijkt uit de gronden van eiser en wat ter zitting is besproken niet waar zijn referentiekader in het bestreden besluit onvoldoende door verweerder is meegewogen. Ook heeft verweerder erop kunnen wijzen dat eiser in zijn zienswijze niets over het referentiekader heeft aangevoerd en verweerder daardoor in het bestreden besluit geen noodzaak heeft hoeven zien om op het referentiekader in te gaan. Voor wat betreft eisers stelling dat ook derdenverklaringen bij de beoordeling betrokken moeten worden en deze waarde toekomen, heeft verweerder er ter zitting op kunnen wijzen dat de verklaringen van de buren en eisers vader geen derdenverklaringen zijn. Dit betreft namelijk enkel eisers verklaring over wat zij hem zouden hebben verteld. Dit valt daarom niet buiten zijn eigen verklaring en kan dan ook niet als steunbewijs voor zijn verklaring dienen. 6.3. Ten aanzien van het gehoor heeft verweerder erkend dat eiser ten onrechte niet is bevraagd over hoeveel goud of geld is geëist door de bedreigers. Dit hoeft, zoals verweerder terecht heeft tegengeworpen, echter niet te betekenen dat de overige tegenwerpingen komen te vervallen die eiser zijn gedaan over zijn verklaringen rondom de gestelde bedreigingen. Daarbij had verweerder geen aanleiding hoeven zien om eiser verder te bevragen over wie de bedreigers zijn geweest, nu eiser zelf duidelijk heeft aangegeven dit niet te weten. Wat daarvan dan de toegevoegde waarde zou zijn is niet gebleken. Van een strijd met de samenwerkingsplicht is dan ook geen sprake en de rechtbank is – gelet op al het voorgaande – van oordeel dat verweerder eisers gestelde problemen ongeloofwaardig heeft kunnen vinden. Risicoanalyse 7. Verweerder heeft de geloofwaardig bevonden asielmotieven van eiser verder getoetst in de risicoanalyse, om te beoordelen of de door eiser gestelde vrees aannemelijk en voldoende zwaarwegend is om een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade aan te kunnen nemen. Militaire dienstplicht 7.1. Eiser heeft verklaard dat de dienstplicht de directe aanleiding voor hem was om uit Syrië te vluchten. Verweerder heeft eiser tegengeworpen dat niet aannemelijk is dat hij hiervoor heeft te vrezen bij terugkeer. Uit het Algemeen Ambtsbericht Syrië (AAB) en informatie van de EUAA blijkt dat het huidige regime de dienstplicht heeft opgeheven. Dit omdat er volgens het regime voldoende vrijwilligers zijn die zich aanmelden. Omdat het risico verband hield met het vorige regime, is dit inmiddels weggenomen. Eiser heeft hiertegen aangevoerd dat het vooralsnog te onduidelijk is of de dienstplicht geheel is opgeheven en niet later alsnog wordt ingesteld. Dit betreft echter een onzekere toekomstige gebeurtenis. Eiser heeft niet betwist dat de dienstplicht momenteel is opgeheven en heeft niet op informatie gewezen waaruit blijkt dat het huidige regime alsnog voornemens is de dienstplicht in te voeren. Los van de vraag of aannemelijk zou zijn dat eiser daarvoor te vrezen zou hebben. De rechtbank ziet hierin geen aanleiding om de conclusie van verweerder niet te volgen. Discriminatie vanwege christelijke religie 7.2. Verweerder heeft daarnaast geconcludeerd dat de discriminatie die eiser heeft ondervonden – waaronder vernedering bij het rekruteringsbureau, uitgescholden worden en dat er op eiser neergekeken werd – niet zodanig is geweest dat eiser een dusdanig ernstige beperking van zijn bestaansmogelijkheden heeft gehad dat sprake is van een gegronde vrees voor vervolging. Eiser heeft volgens zijn eigen verklaring namelijk toegang gehad tot onderwijs, werk en zorg. Dat eiser in Syrië niet hetzelfde kan leven als in Nederland maakt een situatie van vervolging ook niet aannemelijk en niet is gebleken dat eiser te maken heeft gehad met ernstige repressie. De discriminatie die eiser heeft ervaren leidt daarom niet tot de conclusie van vluchtelingschap. Eiser wordt daarbij niet gevolgd in zijn stelling dat verweerder ten onrechte enkel heeft verwezen naar informatie van de EUAA. Verweerder heeft immers ook gewezen op informatie uit het AAB, waaronder die van januari 2026. Hoewel daarin ook incidenten tegen christenen worden benoemd, heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat er geen algeheel anti-christelijk geweld uit kan worden afgeleid. De door eiser genoemde voorbeelden van dergelijke incidenten, hoe betreurenswaardig ook, maken dit niet anders en passen binnen het beeld dat uit het AAB volgt. Willekeurig geweld 8. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn , zoals geïmplementeerd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vreemdelingenwet 2000, gaat allereerst over de situatie waarin de mate van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict zo hoog is dat een ieder alleen al door zijn aanwezigheid in dat land of gebied een reëel risico loopt op ernstige schade. In deze meest uitzonderlijke situatie wordt niet toegekomen aan het betrekken van individuele omstandigheden. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn kan ook betrekking hebben op een ‘minder uitzonderlijke situatie’. Dan moet niet alleen gekeken worden naar de veiligheidssituatie in het land van herkomst, maar ook naar de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van een asielzoeker. Hoe meer een asielzoeker aannemelijk kan maken dat zijn individuele omstandigheden voor een verhoogd risico zorgen, hoe minder willekeurig geweld is vereist om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming. Bij de beoordeling of sprake is van een uitzonderlijke situatie die onder de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn valt, moeten alle relevante omstandigheden globaal in aanmerking worden genomen en specifiek de intensiteit van de gewapende confrontaties, het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten en de duur van het conflict, alsook andere elementen zoals de geografische omvang van het gebied waar het willekeurig geweld plaatsvindt, de daadwerkelijke bestemming van een asielzoeker bij terugkeer en het antwoord op de vraag of de strijdende partijen ook opzettelijk geweld gebruiken tegen burgers. De Afdeling heeft geoordeeld dat humanitaire omstandigheden ook als relevante omstandigheid in deze globale beoordeling moeten worden betrokken. Daarbij is van belang dat alleen humanitaire omstandigheden die momenteel worden veroorzaakt en/of in stand worden gehouden door het handelen en/of nalaten van de partijen die actief betrokken zijn in het gewapende conflict betrokken moeten worden bij de 15c-beoordeling. 8.1. Verweerder heeft in zijn voornemen gewezen op het huidige beleid van paragraaf C7.33.4.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), wat ook geldt voor de provincie [provincie], waar eiser vandaan komt. Hierbij is ook verwezen naar het Algemeen Ambtsbericht Syrië (AAB) van januari 2026 en de daarin genoemde bronnen. Hieruit blijkt dat het aantal inwoners, ontheemden en terugkeerders in [plaats] tussen maart 2025 en december 2025 is opgelopen. Daarnaast is het aantal burgerslachtoffers in [plaats] sinds de machtsovername in december 2024 laag gebleven, in vergelijking met het aantal inwoners. Zelfs als daarbij aangenomen zou worden dat alle burgerslachtoffers het gevolg zouden zijn van willekeurig geweld in plaats van gericht geweld, is het aantal te beperkt om te concluderen dat er een hoger risico is op willekeurig geweld. Recente hevige gevechten in de stad [plaats] van 6 januari 2026 tot en met 10 januari 2026 tussen de overgangsregering en de SDF maken dat niet anders. Basisdiensten zijn daarna door staatsinstellingen weer opgepakt en er werden veiligheidsvoorbereidingen getroffen in de wijk [wijk] voor de terugkeer van inwoners. Naar schatting zijn 81% van de mensen die van het geweld waren gevlucht teruggekeerd, zijn alle wegen weer open en het elektriciteitsnetwerk gerepareerd. De veiligheidssituatie is weliswaar fragiel, maar er is slechts in lage mate sprake van willekeurig geweld als gevolg van een gewapend conflict, wat inhoudt dat sprake moet zijn van individuele omstandigheden die het risico op willekeurig geweld verhogen. Hier is in het geval van eiser niet van gebleken. 8.2. Verweerder heeft er daarnaast op gewezen dat de precaire humanitaire situatie in Syrië niet binnen de reikwijdte van het willekeurige geweld in het kader van een gewapend conflict valt, en zodoende niet betrokken hoeft te worden binnen de beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Hierbij heeft verweerder verwezen naar een recente beslissing van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Het EHRM had namelijk overwogen om de eerder opgelegde tijdelijke maatregel (de zogeheten Rule 39) niet te verlengen en oordeelde dat de uitzetting van de Syrische verzoeker was toegestaan, omdat niet gebleken was dat de verzoeker bij terugkeer een reëel en onmiddellijk risico zou lopen op onherstelbare schending van zijn rechten zoals gewaarborgd in artikel 2 en 3 van het EVRM. 8.3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende gedragen gemotiveerd dat er momenteel in Syrië, en specifiek in [plaats], sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld en dat hij bij deze beoordeling de humanitaire omstandigheden niet hoefde te betrekken. De stelling van eiser ter zitting dat zijn herkomst uit [plaats], zijn geloof, zijn werk als juwelier en het gebrek aan sociaal netwerk in Syrië zijn risico verhogen, maakt dit niet anders. Verweerder heeft erop kunnen wijzen dat eventueel geweld richting eiser op basis van zijn geloof gericht geweld is, en dus geen willekeurig geweld. Dit geldt ook voor geweld op basis van zijn werk als juwelier. Daarbij heeft eiser ter zitting bevestigd dat hij nog familie in Syrië heeft, te weten zijn vader, moeder een zus en een broer. Nog daargelaten de vraag of het gebrek aan sociaal netwerk een verhoogd risico moet opleveren. De situatie in [plaats] is reeds bij de beoordeling betrokken. Daarbij ziet de rechtbank geen aanleiding om eiser te volgen in zijn verwijzing naar uitspraken van andere zittingsplaatsen, nu de rechtbank reeds zelf heeft overwogen dat verweerder zijn standpunt voldoende gedragen heeft gemotiveerd. Voor zover eiser daarbij heeft willen verzoeken om de prejudiciële vragen van de rechtbank Roermond af te wachten, ziet de rechtbank daartoe dan ook geen aanleiding. Evenmin heeft eiser verwezen naar landeninformatie dat aanleiding geeft om anders te oordelen. 3 EVRM 8.4. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 23 februari 2026 geoordeeld dat verweerder er in het kader van het arrest Sufi en Elmi ook als het gaat om de humanitaire omstandigheden aan gehouden is om een aparte beoordeling te maken ten aanzien van artikel 3 van het EVRM. Dit omdat de slechte humanitaire omstandigheden in Syrië het cumulatieve gevolg zijn van het jarenlange conflict dat daar heeft gelopen en beoordeeld moet worden of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt in een situatie terecht te komen dat daarmee in strijd is. Gelet op het voorgaande heeft verweerder wel getoetst aan artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en hierbinnen de humanitaire omstandigheden – hetzij kort – benoemd, maar geen aparte beoordeling van deze omstandigheden gemaakt in het kader van artikel 3 van het EVRM. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat eiser eerst zelf moet komen met iets dat erop wijst dat hij te maken zou krijgen met een schending van artikel 3 van het EVRM. Het uitgangspunt is echter dat verweerder daar zelf rekening mee dient te houden en in de beoordeling mee moet nemen. 8.5. Verweerder heeft ter zitting niet betwist dat een dergelijke beoordeling niet is gemaakt en ook uit het voornemen of het bestreden besluit volgt dit niet. Dit houdt in dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat. Nu verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat het in de eerste plaats aan eiser is om aannemelijk te maken dat hij bij terugkeer te maken krijgt met een situatie in strijd met artikel 3 van het EVRM in de zin van het arrest Sufi en Elmi, is dit gebrek ook ter zitting niet adequaat hersteld. De rechtbank ziet, gelet op de beoordeling die verweerder dan nog dient te maken, voldoende aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen. Voor zover er nog gronden van eiser onbesproken zijn gebleven, ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding deze te behandelen. Conclusie en gevolgen 9. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat en niet in stand kan blijven. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Gelet op de aard van het gebrek ziet de rechtbank geen aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten, om zelf in de zaak te voorzien of om een bestuurlijke lus toe te passen. 9.1. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. 9.2. Omdat het beroep gegrond is, krijg eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde van € 934,- per punt met een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; bepaalt dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser voor een bedrag van € 1.868,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, rechter, in aanwezigheid van P.J.J. Schaap, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. European Union Agency for Asylum. Verwezen is naar de nummers ECLI:NL:RBDHA:2025:23822, ECLI:NL:RBDHA:2025:24023 en de tussenuitspraak van 30 augustus 2025 met zaaknummer NL24.31759. Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof) van 12 april 2018, ECLI:EU:C:2018:248. Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:547. Zie de uitspraken van 15 augustus 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:13599, van 22 september 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:10973, en van 16 oktober 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:15550. Verslag nader gehoor, pag. 13. Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking). Dit volgt uit het arrest Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 9 november 2023, ECLI:EU:C:2023:843 ( X en Y ). Zie het arrest van het Hof van Justitie van de EU van 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:472 ( CF en DN ). Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153. Zie de uitspraak van de MK Den Haag van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611, r.o. 7.2. Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 28 juni 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907 ( Sufi en Elmi tegen het Verenigd Koninkrijk ), punt 278-283. Vgl. de uitspraak van deze rechtbank van 21 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:10206. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht.