← alle zaken
Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:17685

Rechtbank Den Haag · 2026-06-10 · Eerste aanleg - enkelvoudig

Zaaknummer
NL26.10008
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
14.767 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Asiel; verweerder heeft het asielmotief van eiser ongeloofwaardig kunnen vinden; verweerder heeft eiser tegen kunnen werpen dat hij zijn asielaanvraag niet zo snel als mogelijk heeft ingediend en daarvoor geen verschoonbare reden gehad; aan een risico-inschatting op basis van de gestelde problemen van eiser heeft verweerder niet toe hoeven komen; beroep is ongegrond.

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL26.10008 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser (gemachtigde: mr. M.P.J.W.M. Govers), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. K. Kana). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 5 december 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 19 februari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. 1.1. De rechtbank heeft het beroep op 26 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, M. El Barbary als tolk en de gemachtigde van verweerder. De gemachtigde van eiser heeft via videoverbinding aan de zitting deelgenomen. De rechtbank heeft op 27 mei 2026 het onderzoek gesloten. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? Het asielrelaas 2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1995 en heeft de Egyptische nationaliteit. Hij heeft het volgende aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd. De opa van eiser heeft een stuk land aan eiser beloofd als erfenis. Zijn oom wilde dit stuk land echter ook graag hebben voor zijn zoon (de neef van eiser). Ook wilde de oom dat zijn zoon met de zus van eiser zou trouwen. Eiser en zijn vader hebben beiden geweigerd wat tot problemen heeft geleid. De neef van eiser is daarna in 2022 vermoord door anderen buiten de familie. Toen eisers vader de oom is gaan condoleren, heeft de oom gezegd dat eiser naast de neef zou komen te liggen. Zijn vader heeft eiser toen gewaarschuwd te vluchten. Vanwege de macht en het netwerk van de oom, heeft eiser geen aangifte tegen hem gedaan. Bij terugkeer naar Egypte vreest eiser door de oom of diens familie te worden gedood. Het bestreden besluit 3. Verweerder heeft twee asielmotieven uit het asielrelaas van eiser herleid. Zijn identiteit, nationaliteit en herkomst worden geloofd. De gestelde problemen van eiser met zijn oom worden niet geloofd. Eiser wordt tegengeworpen dat zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen en dat eiser zijn asielaanvraag niet zo snel als mogelijk heeft ingediend terwijl hij daar geen goede verklaring voor heeft. Daarnaast is eiser geen vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag en is het niet aannemelijk dat eiser bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM loopt. Tot slot wordt eiser een terugkeerbesluit opgelegd met een vertrektermijn van vier weken. Wat vindt eiser in beroep? 4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert hiertoe het volgende aan. Hij stelt dat verweerder een onjuiste geloofwaardigheidsbeoordeling heeft gemaakt door ondersteunende elementen van zijn verklaring onvoldoende te betrekken. Daardoor is van een volledig en grondig onderzoek geen sprake . Eiser is daarnaast benadeeld door de werkwijze van de tolk en de gehoorambtenaar, nu hij draconisch lang op zijn gehoor heeft moeten wachten, hij de tolk op punten niet goed kon begrijpen en hij door de onderbrekingen van de hoormedewerker zijn concentratie en verhaal kwijt raakte. Eisers verklaringen passen verder in de (Zuid-)Egyptische cultuur, waaruit volgt dat eiser tot zondebok gemaakt kan worden, vooral nu de dood van zijn neef aannemelijk is gemaakt. Ook heeft verweerder eiser niet met inconsistenties en tegenstrijdigheden mogen overvallen in het voornemen. Dit had tijdens het gehoor moeten gebeuren. Daarnaast blijkt uit de verklaringen een reëel en actueel gevaar voor eiser, hij heeft de bedreigingen die hij via zijn vader vernam bij zijn oom bevestigd gekregen en het feit dat hij contact met zijn oom heeft gehad, doet niet aan zijn vrees af omdat hij heeft willen kijken naar een oplossing. Het is daarbij niet onlogisch dat de oom meer macht heeft gekregen doordat eisers familie uit het gebied is vertrokken en voor het feit dat eiser niet meteen uit de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) is vertrokken is een verklaring gegeven. Daarbij miskent verweerder dat eiser daar een goede baan heeft achtergelaten voor zijn veiligheid. De tegenstrijdige verklaringen over de eigendomsoverdracht van het stuk land heeft eiser weersproken in de zienswijze en het overdrachtsdocument is bij verweerder ingediend. Eiser handhaaft verder zijn zienswijze over de tegenwerping dat hij tegenstrijdig zou hebben verklaard over de periode van onderduiking en bestrijdt dat hij meermaals zou hebben aangegeven de tolk goed te kunnen verstaan. Uit landeninformatie blijkt daarbij dat eiser voor kwesties als de zijne niet voor bescherming bij de autoriteiten aan kan kloppen en eiser heeft al toegelicht waarom hij niet meteen bij aankomst in Nederland asiel heeft aangevraagd. Nu duidelijk is dat verweerder het asielmotief van eiser ten onrechte ongeloofwaardig heeft gevonden, had verweerder dit mee moeten nemen in de risico-inschatting. Hierom kan ook het terugkeerbesluit geen stand houden. Wat is het oordeel van de rechtbank? Zorgvuldigheid gehoor 5. Eiser stelt zich onder andere op het standpunt dat het gehoor onzorgvuldig heeft plaatsgevonden, omdat hij de tolk op punten niet goed kon begrijpen. Dit heeft hij ook in de correcties en aanvullingen globaal benoemd. Ter zitting heeft eiser verklaard dat hij akkoord heeft gegeven op voortzetting van het gehoor met dezelfde tolk, omdat hij niet langer wilde wachten tot een ander gehoor. Verweerder heeft er desalniettemin terecht op gewezen dat het aan eiser is geweest om aan te geven dat hij de tolk niet goed begreep en eventueel een klacht kon indienen. Dit heeft hij niet gedaan. Ook heeft eiser in het nader gehoor aangegeven dat hij ondanks enkele haperingen tevreden was met de tolk. Eventuele onduidelijkheden waren opgelost. Voor de stelling van eiser dat hij het voornoemde niet zou hebben gezegd zijn geen aanknopingspunten in het dossier. 5.1. Voor wat betreft de onderbrekingen van de hoormedewerker is niet gebleken dat eiser daardoor zijn verhaal niet of onvoldoende heeft kunnen doen. Daarnaast is uitgelegd door verweerder waarom eiser is onderbroken. Namelijk om eiser bij de voor zijn aanvraag relevante onderwerpen te houden. Uit de zienswijze of het beroep blijkt verder niet dat het hele gehoor niet goed is gelopen of dat eiser zijn verhaal niet of niet volledig heeft kunnen doen. Hieruit blijkt immers niet welke relevante informatie daardoor ten onrechte niet of onvoldoende naar voren is gekomen. De correcties en aanvullingen bevatten ook geen essentiële wijzigingen die daarop zouden kunnen wijzen. Van een onzorgvuldig verlopen gehoor is naar oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake. Geloofwaardigheidsbeoordeling 6. De rechtbank is niet gebleken dat verweerder de door eiser ingebrachte documenten en steunbewijs niet of onvoldoende bij de beoordeling heeft betrokken. De door eiser ingebrachte foto’s, video’s en geluidsfragmenten zijn in het voornemen benoemd en betrokken bij de beoordeling. Verweerder heeft er echter niet de waarde aan toegekend die eiser daaraan toegekend wilde zien. Evenmin is gebleken dat verweerder ten onrechte eiser tegenstrijdigheden in het voornemen heeft tegengeworpen die hem niet eerder zijn voorgehouden. Gelet op jurisprudentie van de Afdeling , hoeven tegenstrijdigheden daarnaast niet allemaal in het nader gehoor te zijn besproken. Eiser is in ieder geval op pagina’s 12, 14 en 26 van het verslag nader gehoor met zijn eerdere verklaringen geconfronteerd. Er is dan ook geen sprake van een situatie zoals genoemd in de door eiser genoemde uitspraak van de Afdeling van 14 december 2020, nu eiser wel al in het gehoor met enkele tegenstrijdigheden is geconfronteerd, waaronder zijn verklaringen over de periode van onderduiking. In de overige door verweerder in het voornemen genoemde tegenstrijdigheden ziet de rechtbank geen onredelijke veelvoud dat een strijd oplevert met artikel 3.113, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Daar komt bij dat eiser in de zienswijze gelegenheid heeft gehad om op de genoemde tegenstrijdigheden te reageren. Eiser heeft in zijn zienswijze, voor zover hij inhoudelijk op de tegenstrijdigheden heeft gereageerd, ook geen aannemelijke verklaring daarvoor gegeven. 6.1. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder eisers asielrelaas ongeloofwaardig heeft kunnen vinden. Zij overweegt hiertoe als volgt. 6.2. Verweerder heeft eiser tegen kunnen werpen dat zijn verklaringen over zijn gestelde problemen met zijn oom geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Zo heeft verweerder erop kunnen wijzen dat de verklaringen over de reden van de bedreigingen onlogisch zijn. Uit de verklaring van eiser volgt namelijk dat de dood van zijn neef is veroorzaakt door een andere groepering waar eiser niets mee te maken heeft. Hoe het dan komt dat de oom de verantwoordelijkheid bij eiser legt, terwijl eiser destijds al enige tijd niet in Egypte verbleef – dan wel waarom eiser daarvan gevolgen moet ondervinden – volgt niet, vooral nu de oom dit niet zelf zo heeft gezegd. Hoewel eiser daarbij foto’s heeft overgelegd van het graf van ene [naam], is niet bevestigd dat dit eisers neef is, wat de omstandigheden van zijn dood zijn of dat eiser daarom door zijn oom wordt bedreigd. De dood van zijn neef heeft eiser, in tegenstelling tot wat hij in beroep aanvoert, dan ook niet aannemelijk gemaakt. Evenmin blijkt volgens verweerder uit eisers verklaring van concrete aanwijzingen van reële problemen met zijn oom. Zo hebben zich maar twee bedreigingen voorgedaan, waarvan de eerste in 2017 na de afwijzing van de neef om met de zus van eiser te trouwen en de tweede na de dood van de neef in 2022. Ten aanzien van de problemen rondom de landoverdracht heeft verweerder tegen kunnen werpen dat van een erfenis nog geen sprake is, omdat eisers opa nog leeft en het in de rede ligt dat de oom zich met eventuele problemen over de overdracht tot de opa wendt. Daarbij is niet gebleken dat eisers vader problemen met de oom heeft, terwijl de uiteindelijke overdracht via hem zou gaan. 6.3. Verweerder heeft eiser ook tegen kunnen werpen dat de vertraging van zijn vertrek uit de VAE onverklaard is gebleven. Eiser is in maart 2022 de VAE ingereisd, heeft in juli 2022 de bedreiging via zijn vader vernomen en deze is telefonisch door zijn oom bevestigd, maar eiser is pas in februari 2023 vertrokken. Niet duidelijk is waarom eiser daar zo lang mee heeft gewacht terwijl eiser stelt dat de dreiging dusdanig ernstig was dat hij moest vluchten. Dat verweerder ten onrechte zou miskennen dat dit geen afbreuk doet aan eisers gestelde vrees omdat hij juist vanwege zijn vrees een goed betaalde baan heeft achtergelaten, heeft verweerder niet zonder meer hoeven volgen. Verweerder heeft eiser daarnaast kunnen tegenwerpen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over de periode dat hij ondergedoken heeft gezeten. Zo heeft eiser in het aanmeldgehoor aangegeven dat hij begin 2023 in Egypte op vakantie was, in die tijd uitging, naar toeristische plekken ging en spelletjes speelde met zijn vriend. In het nader gehoor heeft eiser verklaard dat hij sinds 10 februari 2023 ondergedoken heeft gezeten bij zijn vriend. Daarmee geconfronteerd stelt eiser dat dat ging over zijn normale leven voordat hij het leger in ging en voordat de problemen begonnen. Dit strookt niet met eisers verklaring en zijn gestelde vrees voor zijn oom in Egypte. 6.4. De rechtbank acht voornoemde tegenwerpingen voldoende om het oordeel te dragen dat eisers gestelde problemen ongeloofwaardig zijn. Deze tegenwerpingen raken namelijk aan de kern van eisers asielaanvraag en zijn gestelde vrees. De overige tegenwerpingen en gronden daartegen behoeven daarom geen verdere bespreking meer. 7. Eiser kan tot slot worden tegengeworpen dat hij zijn asielaanvraag niet zo snel als mogelijk heeft ingediend. Eiser is namelijk op 21 november 2023 Nederland ingereisd maar hij heeft zich pas op 30 november 2023 in Ter Apel gemeld om zijn asielaanvraag in te dienen. De verklaring dat eiser tijd nodig had om op te zoeken hoe hij dat moest doen heeft verweerder niet hoeven volgen, omdat eiser eerder heeft verklaard onderzoek te hebben gedaan en omdat hij bewust een visum voor Nederland had aangevraagd met het doel om hier asiel aan te vragen. Evenmin is gebleken van belemmeringen voor eiser om dit zo spoedig mogelijk te doen, omdat eiser in beroep onder andere heeft aangegeven dat hij er vanuit ging dat hij de tijd mocht nemen om zich te informeren en dat hij wilde uitrusten. 7.1. Verweerder heeft dan ook voor dit asielmotief niet toe hoeven komen aan een risicoanalyse en verweerder heeft eiser een terugkeerbesluit op kunnen leggen. Conclusie en gevolgen 8. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser kunnen afwijzen. Dat betekent dat het beroep ongegrond is en het bestreden besluit in stand blijft. 8.1. Omdat het beroep ongegrond is krijgt eiser geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, rechter, in aanwezigheid van P.J.J. Schaap, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Vgl. de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 7 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:136. Verwezen wordt naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 14 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2959. Zie het Algemeen Ambtsbericht Egypte (AAB) van 2021, pag. 72. Pag. 33. Vgl. de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:182, en de daarin bevestigde uitspraak van de rechtbank den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 19 december 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:20737. Verslag nader gehoor, pag. 29 en 30. Verslag nader gehoor, pag. 21 tot en met 23. Verslag nader gehoor, pag. 8. Verslag aanmeldgehoor, pag. 5 en 6. Verslag nader gehoor, pag. 9.