ECLI:NL:RBDHA:2026:17595
Rechtbank Den Haag · 2026-06-26 · Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
De minister heeft met het bestreden besluit van 12 augustus 2025 deze aanvraag in de verlengde asielprocedure ingewilligd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet. Eiseres is het hier niet mee eens en stelt zich op het standpunt dat in het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd wordt waarom zij niet kan worden aangemerkt als vluchteling zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. De rechtbank oordeelt allereest dat eiseres procesbelang heeft bij haar beroep. De rechtbank concludeert dat het beroep gegrond is. De minister heeft nagelaten om in het bestreden besluit te motiveren waarom eiseres niet kan worden aangemerkt als Vluchteling in de zin van het vluchtelingverdrag. De minister heeft namelijk niet inzichtelijk gemaakt waarom de door eiseres gestelde feiten en omstandigheden niet leiden tot verlening van de vluchtelingenstatus. De minister dient te onderzoeken of eiseres als gevolg van haar problemen kan worden aangemerkt als verdragsvluchteling en/of behoort tot het risicoprofiel van alleenstaande vrouw.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: NL25.41452 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres (gemachtigde: mr. M.K. Bulthuis), en de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. S. Yousef). Procesverloop 1. Eiseres heeft op 17 oktober 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 12 augustus 2025 deze aanvraag in de verlengde asielprocedure ingewilligd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet . 2. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. 2.1. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 10 april 2026 op zitting behandeld. De gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister zijn verschenen. 2.3. Op 22 mei 2026 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de minister verzocht te reageren op de omstandigheid dat de Eerste Kamer de Wet invoering Tweestatusstelsel op 21 april 2026 heeft aangenomen. Op 4 juni 2026 heeft de minister hierop gereageerd. Namens eiseres is op 23 juni 2026 gereageerd. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Beoordeling door de rechtbank Wat is het standpunt van de minister in het bestreden besluit? 3. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1988 en heeft de Somalische nationaliteit. In het bestreden besluit stelt de minister zich op het standpunt dat de verklaringen over de identiteit, nationaliteit geloofwaardig zijn. Ook vindt de minister de verklaringen van eiseres over de problemen vanwege haar gedwongen huwelijk geloofwaardig. De asielaanvraag van eiseres is ingewilligd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Eiseres krijgt geen verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw, omdat de geloofwaardig geachte asielmotieven niet te herleiden zijn tot één van de gronden van het Vluchtelingenverdrag. Ook wijst de minister op het landenbeleid, waaruit blijkt dat de minister voor Zuid- en Centraal-Somalië alleenstaande vrouwen als risicoprofiel aanmerkt (Vc C2/30.3.2). Aan een alleenstaande vrouw uit Somalië verleent de minister in de regel een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw. Dat eiseres bescherming nodig heeft vanwege haar alleenstaande status, wordt echter niet gevolgd. Uit de verklaringen van eiseres blijkt niet dat eiseres is aan te merken is als een alleenstaande vrouw, omdat uit haar verklaringen blijkt dat zij familie heeft in Somalië. Eiseres krijgt daarom geen verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Heeft eiseres procesbelang bij haar beroep? 4. De minister stelt zich in het verweerschrift en op zitting op het standpunt dat eiseres geen procesbelang heeft bij de beoordeling van het beroep en dat het beroep om die reden niet-ontvankelijk verklaard moet worden. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat de vreemdeling, indien hij reeds over een verblijfsvergunning asiel beschikt, tegen dat oordeel van de minister dat geen vergunning wordt verleend als verdragsvluchteling op de a-grond, kan opkomen bij het besluit tot intrekking of de weigering tot verlenging van de aan hem verleende verblijfsvergunning. De Afdeling heeft op 25 maart 2022 bevestigd dat een wijziging van de verleningsgrond van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet leidt tot een gunstigere positie. Ook kan het procesbelang niet worden ontleend aan een toekomstige onzekere gebeurtenis, zoals de uitkomst van een wetgevings- procedure. De minister verwijst naar de uitspraken van de Afdeling van 21 november 2025 . Daarom kan het procesbelang niet worden ontleend aan het aanhangige wetsvoorstel Tweestatusstelsel. In de brief van 4 juni 2026 heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat eiseres vanaf 12 juni 2026 procesbelang zal hebben bij de beoordeling van de vraag of terecht de vluchtelingstatus is onthouden. 5. De rechtbank ziet zich daarom eerst voor de vraag of eiseres procesbelang heeft bij de beoordeling van haar beroep. Een belanghebbende kan bij de daartoe bevoegde rechter tegen een besluit opkomen, indien hij of zij daarbij een belang heeft. Daarvan is sprake wanneer het instellen van het rechtsmiddel ertoe kan leiden dat de belanghebbende in een gunstigere positie zou kunnen komen. 5.1. De rechtbank stelt allereerst vast dat de Eerste Kamer de Wet invoering Tweestatusstelsel op 21 april 2026 heeft aangenomen en de wet op 12 juni 2026 in werking is getreden. De uitkomst van de wetgevingsprocedure is dan ook geen onzekere toekomstige gebeurtenis meer. De rechtbank stelt vervolgens vast dat de consequentie van de Wet invoering Tweestatusstelsel is, dat er andere rechten en voorwaarden kunnen worden toegekend aan subsidiair beschermden dan aan personen met de vluchtelingenstatus. Met een wijziging van de verleningsgrond van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan eiseres dus in een gunstigere positie komen. Eiseres heeft, gelet op het voorgaande, procesbelang en de rechtbank behandelt het beroep daarom inhoudelijk. Heeft de minister voldoende gemotiveerd of eiseres wordt aangemerkt als verdragsvluchteling? Het betoog van eiseres 6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat in het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd wordt waarom zij niet kan worden aangemerkt als vluchteling zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. Eiseres heeft in haar asielrelaas uitgebreid verklaard over haar etnische afkomst en dat zij tot een minderheidsclan behoort. Haar problemen houden daar direct verband mee. Eiseres stelt ook dat zij ten onrechte niet is aangemerkt als alleenstaande vrouw. Haar vader is namelijk gedood en eiseres heeft niemand waar zij voor opvang en bescherming op kan terugvallen. Het oordeel van de rechtbank 7. De rechtbank constateert dat de minister in het bestreden besluit weliswaar concludeert dat eiseres geen verblijfsvergunning krijgt op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw, omdat de geloofwaardig geachte asielmotieven niet te herleiden zijn tot één van de gronden van het Vluchtelingenverdrag en zij niet tot een risicoprofiel behoort. De minister heeft echter nagelaten om in het bestreden besluit te motiveren waarom eiseres niet kan worden aangemerkt als Vluchteling in de zin van het vluchtelingverdrag . De minister heeft namelijk niet inzichtelijk gemaakt waarom de door eiseres gestelde feiten en omstandigheden niet leiden tot verlening van de vluchtelingenstatus. Ook heeft de minister niet gemotiveerd waaruit blijkt dat eiseres op haar familie kan terugvallen voor opvang en bescherming. De minister stelt immers dat eiseres niet behoort tot het risicoprofiel van alleenstaande vrouw omdat zij familie heeft in Somalië. Dit levert een motiveringsgebrek op. Tegen die achtergrond dient de minister te onderzoeken of eiseres als gevolg van haar problemen kan worden aangemerkt als verdragsvluchteling en/of behoort tot het risicoprofiel van alleenstaande vrouw. Wanneer de minister van mening is dat de vluchtelingenstatus niet wordt verleend, zal de minister in een (voornemen en) nieuw besluit deugdelijk moeten motiveren waarom deze afgewezen wordt. Temeer nu de beide statussen in de Wet invoering Tweestatusstelsel geen gelijke rechten kennen. De beroepsgrond slaagt. Conclusie en gevolgen 8. Het beroep zal gegrond worden verklaard omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. De rechtbank zal daarom het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen. 8.1 De rechtbank bepaalt dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. Alvorens de minister een nieuw besluit neemt dient de minister een voornemen van dit besluit aan eiseres kenbaar te maken en eiseres de gelegenheid te bieden hierover een zienswijze in te dienen. 8.2. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit van 12 augustus 2025; - draagt de minister op een voornemen en nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak; - veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres. Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M. Weeda, rechter, in aanwezigheid van mr. T.C. Kasper-Kleve, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Vreemdelingenwet 2000 ECLI:NL:RVS:2022:906. ECLI:NL:RVS:2025:5592. Kamerstukken II 2024–2025, 36 703, nr. 3, p 4 (MvT). Zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht