ECLI:NL:RBDHA:2026:17333
Rechtbank Den Haag · 2026-06-09 · Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Opvolgende asielaanvragen afgewezen als kennelijk ongegrond. Afvalligheid van de islam en bekering tot het atheïsme niet geloofwaardig. Beroep ongegrond.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL25.52599 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [nummer 1] , eiser, [eiseres] , V-nummer: [nummer 2] , eiseres, mede namens hun minderjarige kinderen: [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2013, V-nummer: [nummer 3] , [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2017, V-nummer: [nummer 4] , en [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2023, V-nummer: [nummer 5], samen: eisers (gemachtigde: mr. M. Stoetzer-van Esch), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. E. Sweerts). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de opvolgende asielaanvragen van eisers als bedoeld in artikel 28 van de Vw . Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvragen in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser is geboren op [geboortedatum 4] 1987. Eiseres is geboren op [geboortedatum 5] 1985. Zij is de echtgenote van eiser. Eiser en eiseres hebben drie minderjarige kinderen: [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3]. Allen hebben de Iraakse nationaliteit. 3. Op 2 juli 2016 hebben eisers aanvragen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hieraan hebben zij ten grondslag gelegd dat zij zijn bekeerd tot het christendom. Verweerder heeft deze aanvragen bij besluiten van 6 september 2017 afgewezen. Verweerder heeft hierbij de bekering tot het christendom niet geloofwaardig geacht. Eisers hebben beroep ingesteld tegen de besluiten van 6 september 2017. Bij uitspraak van 14 maart 2018 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep van eisers ongegrond verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft deze uitspraak bevestigd. De besluiten van 6 september 2017 staan dus in rechte vast. 4. Op 14 juni 2023 hebben eisers opnieuw asielaanvragen ingediend (de asielaanvragen). Met het bestreden besluit van 22 oktober 2025 heeft verweerder de asielaanvragen afgewezen als kennelijk ongegrond. 4.1. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 4.2. De rechtbank heeft het beroep op 23 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eisers, M.F. Shekho als tolk en de gemachtigde van verweerder. Verder is verschenen [persoon A] (hierna: [persoon A]), die betrokken is bij eisers. Beoordeling door de rechtbank Het asielrelaas 5. Eisers hebben bij hun opvolgende asielaanvragen te kennen gegeven dat eiser afvallig is van de islam en dat hij inmiddels atheïst is. Eiseres heeft geen zelfstandige asielmotieven aangevoerd en heeft aangegeven dat haar aanvraag afhankelijk is van de aanvraag van eiser. Het bestreden besluit 6. Het asielrelaas van eisers bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven: - afvalligheid van de islam; - bekering tot het atheïsme. Verweerder vindt eisers afvalligheid van de islam en zijn bekering tot het atheïsme niet geloofwaardig. Volgens verweerder voldoet eiser niet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw, omdat zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij bij terugkeer naar Duhok, Irak, een reëel risico op ernstige schade lopen als gevolg van willekeurig geweld. Verweerder heeft de asielaanvragen afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, onder g, van de Vw, omdat sprake is van opvolgende aanvragen die niet niet-ontvankelijk zijn verklaard. De beroepsgronden 7. Eisers voeren, kort gezegd, aan dat verweerder de afvalligheid van eiser van de islam en zijn bekering tot het atheïsme ten onrechte niet geloofwaardig vindt. Eisers stellen verder dat eiser gelet op zijn afvalligheid en/of bekering tot het atheïsme bij terugkeer naar Duhok, Irak, een reëel risico op ernstige schade loopt. Eisers voeren verder aan dat verweerder de belangen van hun kinderen onvoldoende heeft betrokken. De beoordeling van de beroepsgronden Afvalligheid van de islam 8. Eiser heeft zijn afvalligheid van de islam niet onderbouwd met objectieve documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. Eiser heeft weliswaar meerdere berichten op Facebook overgelegd waaruit zijn kritische houding ten opzichte van de islam blijkt, maar deze stukken onderbouwen eisers afvalligheid van de islam niet volledig. Verweerder heeft daarom terecht eisers verklaringen hierover aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw getoetst. Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen (artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw). 8.1. Verweerder heeft in de besluitvorming een integrale beoordeling gemaakt en heeft daarbij de verklaringen van eiser beoordeeld in samenhang met zijn verklaringen uit zijn eerdere procedure. In deze eerdere procedure is als relevant element beoordeeld of eisers bekering tot het christendom geloofwaardig is. In dit kader heeft verweerder zich in het besluit van 6 september 2017 op het standpunt gesteld dat de redenen van eiser om zich van de islam af te wenden niet aannemelijk zijn. Zo kon eiser geen duidelijk inzicht geven in de redenen waarom de islam voor hem niet meer voldeed. Het besluit van 6 september 2017 staat in rechte vast. Nog daargelaten of de toetsing van verweerder in het besluit van 6 september 2017 en de toetsing van de rechtbank in de uitspraak van 14 maart 2018 in overeenstemming is de met de uitspraak van de Afdeling van 19 januari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:94), heeft verweerder de verklaringen die eiser in het kader van zijn vorige asielaanvraag heeft afgelegd mogen betrekken bij de vraag of eisers afvalligheid geloofwaardig is. 8.2. Verweerder heeft de beoordeling in het kader van eisers nu voorliggende asielaanvraag verricht conform Werkinstructie 2022/3 Bekeerlingen en afvalligen (WI 2022/3). Uit WI 2022/3 volgt dat tijdens het gehoor aan de vreemdeling kan worden gevraagd uit te leggen hoe en waarom de nieuwe elementen en bevindingen een ander licht zouden werpen op de betreffende verklaringen uit de eerdere procedure(s). Dit heeft verweerder gedaan. In de besluitvorming heeft verweerder voldoende gemotiveerd, aan de hand van de verklaringen van eiser in zijn eerdere en huidige procedure, dat eisers afvalligheid van de islam niet geloofwaardig is. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de huidige beoordeling van verweerder in strijd is met de uitspraak van de Afdeling van 19 januari 2022. Daarbij wijst de rechtbank erop dat verweerder eisers gestelde afvalligheid als losstaand asielmotief heeft beoordeeld. Eiser heeft erop gewezen dat geen kennis mag worden verwacht over afvalligheid of het oude geloof, maar verweerder heeft niet aan eiser tegengeworpen dat hij geen kennis heeft over afvalligheid of over de islam. 8.3. Verweerder stelt niet ten onrechte dat de verklaringen van eiser in het kader van zijn opvolgende aanvraag niet of nauwelijks verschillen met zijn verklaringen tijdens de eerste procedure. Zo heeft eiser tijdens het gehoor opvolgende aanvraag opnieuw verklaard over de behandeling van vrouwen, met het voorbeeld van het moeten dragen van een hoofddoek. Ook heeft eiser opnieuw verklaard over de verplichtingen die de islam met zich meebrengt, zoals het naar de moskee gaan, het bidden en het vasten. Eiser heeft ook in zijn eerste procedure verklaard over dwang en het niet hebben van een keuze. Verweerder stelt verder niet ten onrechte dat niet is gebleken van een wijziging in eisers innerlijke geloof waardoor hij zich van de islam heeft afgewend. In eisers vorige procedure heeft verweerder eiser tegengeworpen dat uit zijn verklaringen geen daadwerkelijke kennis en afkeer van de islam als religie kon worden opgemaakt. Verweerder stelt niet ten onrechte dat uit eisers verklaringen in zijn huidige procedure niet kan worden opgemaakt dat er sinds zijn vorige procedure een proces heeft plaatsgevonden op grond waarvan nu kan worden geconcludeerd dat eiser wel afstand heeft genomen van de islam. Eiser heeft hierover alleen verklaard dat hij zich nu vrij voelt en dat hij niet meer gelooft in een God omdat zijn zoon nog altijd ziek is. Verweerder stelt niet ten onrechte dat eiser hiermee oppervlakkig en weinig diepgaand is gebleven en hij niet geloofwaardig heeft gemaakt dat sprake is van een oprechte afkeer van de islam. De stelling van eiser dat hij meerdere voorbeelden kan noemen van negatieve dingen aan de islam maakt dit niet anders. Verweerder heeft eiser hierover voldoende vragen gesteld en hem voldoende gelegenheid gegeven om hierover te verklaren. Eiser heeft in zijn verklaringen geen diepgang laten zien over zijn afvalligheid van de islam. Van eiser, een hoogopgeleide man die al sinds 2016 in Nederland verblijft, mocht verweerder verwachten dat hij meer kon vertellen over een geloof dat hij stelt te hebben gehad en het proces dat ertoe zou hebben geleid dat hij zijn vroegere geloof heeft verlaten. Ook als dit proces eenzaam is geweest, mocht verweerder (juist) verwachten dat eiser hierop heeft gereflecteerd. Eiser is er echter niet in geslaagd dit proces inzichtelijk te maken. 8.4. Ten aanzien van de door eiser overgelegde facebookberichten heeft de gemachtigde van eiser ter zitting desgevraagd toegelicht dat deze berichten, voor zover daarin kritiek op de islam wordt geuit, een onderbouwing vormen van eisers afvalligheid. Volgens eiser zorgen deze berichten er ook voor dat hij wordt gezien als afvallige (toegedichte afvalligheid). De rechtbank overweegt dat in de facebookberichten weliswaar kritiek is te lezen op de islam, maar uit deze berichten blijkt niet dat eiser afvallig is of in Irak als afvallige wordt gezien. Ook is niet gebleken dat eiser door het plaatsen van deze berichten persoonlijk is bedreigd of dat hij anderszins in de negatieve aandacht staat of zal komen te staan van de Iraakse autoriteiten of gemeenschap vanwege deze berichten. Verweerder stelt dus niet ten onrechte dat er geen indicaties zijn waaruit zou blijken dat de Iraakse gemeenschap eiser als afvallige zou zien. Daarbij betrekt de rechtbank dat de berichten onder een andere naam dan de naam van eiser zijn geplaatst en de reacties op de berichten niet op eiser persoonlijk zien. 8.5. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers afvalligheid van de islam (nog steeds) niet geloofwaardig is. De hiertoe aangevoerde beroepsgrond slaagt niet. Bekering tot het atheïsme 9. Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt dat de verklaringen van eiser over zijn bekering tot het atheïsme geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. 9.1. Verweerder heeft allereerst kunnen betrekken dat eisers afvalligheid in zowel eisers eerste als zijn huidige procedure niet geloofwaardig is geacht. Dit doet op voorhand afbreuk aan eisers gestelde bekering naar het atheïsme. 9.2. Verweerder werpt eiser daarnaast terecht tegen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over wanneer hij atheïst werd. Eiser heeft enerzijds verklaard dat hij begon na te denken over godsdienst en met [persoon A] over het geloof begon te praten in 2023. Eiser had destijds al twijfels en vragen, maar door de gesprekken met [persoon A] werd het voor hem duidelijker en helderder. Ook was haar manier van doen een reden om richting het atheïsme te gaan. Eiser heeft echter ook verklaard dat hij eind 2021 of begin 2022 al niet meer in een god geloofde en atheïst was. Eiser heeft dus enerzijds verklaard dat hij eind 2021/begin 2022 al was bekeerd tot het atheïsme, maar anderzijds dat hij in 2023 nog twijfels en vragen had en toen pas begon na te denken en te praten over godsdienst en geloof. Eiser heeft er in zijn zienswijze op gewezen dat hij tijdens het gehoor heeft uitgelegd dat hij vóór zijn ware ongeluk met de fiets in juni 2021 al vragen had over het bestaan van een god en dat hij zich na het ongeluk is gaan verdiepen en na ongeveer zes maanden tot de conclusie kwam dat er geen god bestaat. Volgens eiser hebben de gesprekken met [persoon A] zijn overtuiging alleen maar verstrekt. Verweerder stelt echter niet ten onrechte dat eiser hiermee nog geen verklaring heeft gegeven waarom hij enerzijds heeft verklaard dat hij in 2019 begon na te denken over zijn godsdienst, maar anderzijds dat hij dit pas ging doen na zijn ongeluk in 2021. Zes maanden na het ongeluk is bovendien nog steeds 2021, en verklaart dus niet dat hij in 2023 nog twijfels had en richting het atheïsme ging vanwege zijn gesprekken met [persoon A]. Eiser heeft in zijn zienswijze dus een nieuwe tijdlijn geschetst, maar heeft niet uitgelegd waarom hij tijdens meerdere gehoren wisselend heeft verklaard. Nu eisers bekering tot het atheïsme de reden is van zijn opvolgende asielaanvraag, mocht verweerder verwachten dat hij eenduidig kon verklaren over het moment dat hij begon na te denken over zijn godsdienst en wanneer hij tot de conclusie kwam dat er geen god bestaat. Eiser heeft dit niet gedaan en heeft ook geen deugdelijke verklaring gegeven waarom hij wisselend heeft verklaard. Verweerder stelt niet ten onrechte dat dit afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van de bekering zelf. 9.3. Verweerder werpt eiser verder terecht tegen dat hij niet eenduidig heeft verklaard over het moment waarop hij begon na te denken over godsdienst. Aan de ene kant heeft eiser tijdens gehoor opvolgende aanvraag verklaard het dat hij na zijn ongeluk in juni 2021 begon met nadenken over het geloof, wat hij in het aanvullend gehoor heeft bevestigd. Aan de andere kant heeft hij echter verklaard dat hij in 2019 al begon met nadenken over godsdienst. Eiser ging toen niet meer naar de kerk omdat hij allerlei vragen in zijn hoofd had die niet beantwoord waren en omdat hij niet echt meer in het christendom geloofde. Dit speelde dus al voor het ongeluk van eiser. Verweerder stelt niet ten onrechte dat deze tegenstrijdige verklaringen afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van eisers gestelde bekering naar het atheïsme. 9.4. Verweerder heeft zich verder niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom hij niet meer in een god gelooft. Eiser heeft op de vraag wat er specifiek is gebeurd wat ertoe heeft geleid dat hij niet meer geloofde in een god slechts verklaard dat artsen en wetenschap hemzelf en zijn zoon beter hebben gemaakt. Hiermee heeft eiser echter niet inzichtelijk gemaakt waarom hij hierdoor niet meer in een god geloofde. Dat eiser nog meer voorbeelden zou kunnen noemen waaruit blijkt dat religie in strijd is met de wetenschap maakt dit niet anders, nu eiser met voorbeelden geen inzicht geeft in de vraag waarom hij niet meer in een god is gaan geloven. Eiser heeft later wel verklaard dat sprake is van een proces, maar hij heeft niet inzichtelijk gemaakt wat dit proces inhoudt. Zo heeft eiser alleen verklaard dat een dergelijke beslissing niet op een dag genomen kan worden en dat hij zich dingen ging afvragen. Ook tijdens het aanvullend gehoor heeft eiser niet geconcretiseerd waaruit hij heeft geconcludeerd dat er geen god bestaat. Eiser heeft enkel verklaard dat het een hoop vragen bij hem oproept, zonder dat hij inzicht heeft geven hoe hij tot conclusies is gekomen. Van eiser mocht worden verwacht dat hij tijdens de gehoren meer inzicht kon geven in de vraag waarom hij is bekeerd naar het atheïsme en het proces dat hij heeft doorgemaakt. 9.5. Eiser heeft in de zienswijze wel toegelicht dat hij een afkeer had gekregen van de islam vanwege alle verplichtingen en straffen die dit met zich meebracht, dat zijn houding steeds kritischer werd en hij onjuistheden en tegenstrijdigheden constateerde in de koran en religie. Eiser raakte ook in het christendom teleurgesteld toen hij erachter kwam dat er veel overeenkomsten zijn met de islam. In de zienswijze heeft hij toegelicht dat hij door veel over deze onderwerpen te denken, praten en te kijken naar debatten ervan overtuigd raakte dat er geen god bestaat. Verweerder heeft er echter terecht op gewezen dat eiser tijdens de gehoren voldoende gelegenheid heeft gehad om te verklaren waarom hij niet meer in een god gelooft. Eiser heeft hier toen, gelet op wat hiervoor is overwogen, onvoldoende over verklaard. Eiser heeft niet uitgelegd waarom hij pas in de zienswijze met deze aanvullende verklaringen is gekomen. Verweerder heeft de aanvullende verklaringen in de zienswijze reeds daarom niet hoeven volgen. 9.6. Verweerder stelt ook niet ten onrechte dat eiser onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt wat zijn bekering hem heeft gebracht, wat zijn gevoel daarbij is en wat dit voor hem betekent. Eiser heeft over zijn gevoel toen hij het geloof in een god losliet slechts verklaard dat het hem een zeer goed en leuk gevoel gaf, dat er een last van zijn schouders viel en hij meer vrijheid voelde. Verweerder vindt deze verklaringen niet ten onrechte oppervlakkig. Van eiser mocht worden verwacht dat hij hier meer over kon verklaren, zeker nu hij stelt dat hij is bekeerd naar het atheïsme na een weloverwogen proces. Eiser heeft in zijn zienswijze verder naar voren gebracht dat hij opluchting voelde nu hij eindelijk de waarheid en het belang van de wetenschap had ontdekt, waarmee hij verklaringen kon vinden voor gebeurtenissen in het verleden, heden en toekomst. Dat heeft eiser rust en opluchting gegeven. Eiser heeft toegelicht dat hij zich niet meer hoeft te conformeren aan verplichtingen die voortkomen uit het geloof en dat hij kan vertrouwen op de wetenschap. Eiser heeft deze verklaringen echter eerst in de zienswijze gegeven, terwijl hij tijdens meerdere gehoren ruim voldoende kans heeft gekregen om hierover te verklaren. Eiser heeft dit echter niet gedaan en heeft ook geen verschoonbare reden gegeven waarom hij hier pas in de zienswijze mee is gekomen. Verweerder heeft deze nieuwe verklaringen daarom niet hoeven meenemen in de beoordeling. 9.7. Verweerder heeft er verder op gewezen dat hij de negatieve gevolgen die eiser stelt te hebben ervaren als gevolg van de bekering heeft meegewogen. Verweerder stelt echter niet ten onrechte dat de gevolgen die eiser pijn doen zien op het geven van een niet-islamitische naam aan zijn dochter. Dit houdt geen verband met de reden waarom eiser niet meer in een god gelooft en heeft zich ook pas afgespeeld na eisers gestelde bekering. Eisers dochter is immers op [geboortedatum 3] 2023 geboren. De omstandigheid dat eisers familie afstand van hem heeft genomen, is verder geen grond voor het verlenen van een asielvergunning. Eiser heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat hij hierdoor problemen heeft. 9.8. Verder stelt verweerder niet ten onrechte dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt wat hij onder atheïsme verstaat. Eiser heeft verklaard dat het gaat om respect voor anderen, humaniteit en dat je afstand neemt van al die onwaarheden. Op de vraag aan eiser om dit concreter te duiden, heeft hij wederom het afstand nemen van al die onwaarheden en het hebben van respect voor andere mensen en dieren genoemd. Eiser heeft echter niet duidelijk gemaakt wat dit met atheïsme te maken heeft. Van iemand die stelt bekeerd te zijn tot het atheïsme, verklaart dat dit is gebaseerd op een zeer weloverwogen beslissing na bijvoorbeeld het volgen van veel debatten tussen atheïsten en imams, mag worden verwacht dat hij inzichtelijk kan maken wat hij onder atheïsme verstaat. Verweerder heeft er verder op gewezen dat eiser heeft verklaard dat atheïsten geloven dat religies niet bestaan. Verweerder wijst er terecht op dat dit niet strookt met het algemene beeld van het atheïsme, namelijk de ontkenning van het bestaan van een god, maar niet de ontkenning van het bestaan van religies. Eerst in de zienswijze heeft eiser nog toegelicht dat hij afstand neemt van alle onwaarheden die worden verkondigd in religies en dat hij niet ontkent dat religies bestaan, maar zoals ook eerder is overwogen, heeft eiser niet toegelicht waarom hij dit niet reeds tijdens de gehoren heeft verklaard. Eiser heeft hier ruimschoots gelegenheid voor gehad. Verweerder heeft ook deze toelichting in de zienswijze daarom niet hoeven volgen. 9.9. Verweerder stelt niet ten onrechte dat eiser gelet op het voorgaande niet heeft laten zien dat hij zich heeft verdiept in het atheïsme. Dit maakt, zoals verweerder niet ten onrechte stelt, dat eiser niet geloofwaardig heeft gemaakt dat hij zich ook daadwerkelijk heeft bekeerd tot het atheïsme. 9.10. Eiser heeft verder verklaard dat hij veel onderzoek heeft gedaan naar het atheïsme. Verweerder stelt echter niet ten onrechte dat hij met zijn verklaringen dit onderzoek niet inzichtelijk heeft gemaakt. Zo heeft eiser verklaard dat er veel vragen bij hem opkwamen, maar hij heeft vervolgens niet aangegeven hoe hij antwoorden op die vragen heeft gevonden. Later is nogmaals aan eiser gevraagd hoe hij onderzoek heeft gedaan naar het atheïsme. Hierop heeft hij verklaard dat hij debatten en YouTube-filmpjes heeft gekeken, maar dat hij geen boeken of artikelen over het onderwerp heeft gelezen. Ook hieruit blijkt niet dat eiser zich (goed) heeft verdiept in zijn nieuwe gestelde geloof. Nu eiser heeft verklaard dat hij vanwege zijn onderzoek is bekeerd tot het atheïsme, mag worden verwacht dat hij meer onderzoek heeft gedaan dan slechts het kijken van filmpjes op internet of dat hij in ieder geval beter inzichtelijk kan maken hoe het proces van bekering precies is gegaan. Bovendien blijkt uit eisers verklaringen dat deze filmpjes vooral gingen over de onwaarheden van de islam. Dit is, zoals verweerder niet ten onrechte stelt, iets anders dan het niet geloven in een god en heeft dus niet direct betrekking op het atheïsme. Eiser heeft erop gewezen dat hij veel gesprekken heeft gevoerd met [persoon A]. In het dossier bevindt zich ook een brief van [persoon A]. Eiser heeft in de zienswijze echter te kennen gegeven dat hij pas met [persoon A] is gesprek ging nadat hij was bekeerd tot het atheïsme. Hij kan hiermee dus niet inzichtelijk maken hoe dit tot zijn bekering heeft geleid. Eiser stelt in beroep wel dat het proces tot bekering een organisch proces is, maar eiser heeft zelf verklaard dat hij pas in gesprek ging met [persoon A] nadat hij was bekeerd. Bovendien blijkt uit de brief van [persoon A] niet dat eiser is bekeerd tot het atheïsme, maar alleen dat eisers gedachten steeds meer die kant op gingen. Dit is, zoals verweerder terecht opmerkt, tegenstrijdig met eisers eigen verklaring dat hij al bekeerd is. Gelet op het voorgaande stelt verweerder niet ten onrechte dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe zijn onderzoek heeft geleid tot zijn bekering. 9.11. Verweerder stelt verder niet ten onrechte dat uit eisers sociale media niet valt op te maken dat hij atheïst is. Eiser heeft verklaard dat hij zelf niets post over atheïsme, maar dat hij wel reageert op berichten van imams. Eiser heeft hiervan een aantal screenshots en links overgelegd. Ter zitting heeft eiser nog toegelicht dat uit de door hem overgelegde berichten blijkt dat hij ook kritiek heeft geuit op andere religies dan de islam en dat hij zich dus atheïstisch heeft uitgelaten. In die zin dienen de overgelegde facebookberichten als onderbouwing van eisers bekering tot het atheïsme, aldus eiser. Verweerder stelt echter niet ten onrechte dat uit de overgelegde berichten niet blijkt dat eiser atheïst is. Eiser heeft bijvoorbeeld aangegeven dat hij kritiek heeft geuit op een man die overdag aan het vasten is, maar dat hij in de avond ging drinken in discotheken. Hieruit blijkt niet, zoals verweerder niet ten onrechte stelt, dat eiser niet in een god gelooft, maar eerder dat hij kritiek uit op mensen die tijdens de ramadan alcohol drinken. Verder heeft eiser niet onderbouwd wat zijn overige commentaren met het atheïsme te maken hebben. Eiser heeft met de verwijzing naar zijn sociale media, mede in het licht van zijn verklaringen, dus niet geloofwaardig kunnen maken dat hij is bekeerd tot het atheïsme. 9.12. Gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, vindt verweerder eisers bekering tot het atheïsme niet ten onrechte niet geloofwaardig. De beroepsgronden die eiser verder heeft aangevoerd in dit kader zal de rechtbank daarom niet meer bespreken. Terugkeer naar Duhok 10. Eisers zijn afkomstig uit Duhok, Irak. Volgens paragraaf C7/16.4.2 Vc is er in Duhok sprake van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Dit betekent dat er sprake moet zijn van individuele omstandigheden die het risico op het willekeurig geweld verhogen en daadwerkelijk aannemelijk maken dat eisers een reëel risico op ernstige schade lopen. Eisers hebben dit niet aannemelijk gemaakt met hun verklaringen. Ook hebben zij dit niet met relevante landeninformatie onderbouwd. Eiser heeft gewezen op zijn afvalligheid en bekering tot het atheïsme, maar uit het voorgaande volgt dat verweerder dit niet ten onrechte niet geloofwaardig heeft geacht. Belangen van de kinderen 11. Eiser heeft er verder op gewezen dat zijn jongste dochter [minderjarige 3] heet, een niet-islamitische naam, en dat hij niet wil dat zijn kinderen opgroeien in Irak, waar islamitische normen en waarden gelden. Verder heeft hij erop gewezen dat hij in afwachting is van een orthopedagogisch onderzoeksrapport van de Rijksuniversiteit Groningen. Hiermee heeft eiser echter niet aannemelijk gemaakt dat bij terugkeer naar Duhok, Irak, sprake is van een reëel risico op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld. Conclusie en gevolgen 12. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Roozeboom, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Vreemdelingenwet 2000.