← alle zaken
Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:17326

Rechtbank Den Haag · 2026-06-02 · Eerste aanleg - enkelvoudig

Zaaknummer
NL25.45933 en NL25.62407
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
23.400 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

beroep niet tijdig niet-ontvankelijk omdat er inmiddels een besluit is genomen, wel PKV, beroep tegen afwijzing asielaanvraag ongegrond, Zuid-Soedan, identiteit, rekrutering, willekeurig geweld (15c) in Northern Barh el Ghazal.

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummers: NL25.45933 en NL25.62407 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser (gemachtigde: mr. J. Sinnema), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. E. Sweerts). Procesverloop Eiser heeft op 2 januari 2022 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) ingediend. Op 4 juni 2025 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag. Op 22 september 2025 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer NL25.45933. Bij besluit van 18 december 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder alsnog beslist op de asielaanvraag van eiser en de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep staat geregistreerd onder zaaknummer NL25.62407. Hij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De rechtbank heeft de beroepen, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening (NL25.62408), op 23 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M. El Barbary als tolk en de gemachtigde van verweerder. Het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit (NL25.45933) 1. Verweerder heeft op 18 december 2025 alsnog een besluit op de asielaanvraag van eiser genomen. Eiser heeft daarom geen belang meer bij een beoordeling van zijn beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. De rechtbank zal het beroep van eiser gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit daarom niet-ontvankelijk verklaren. 1.1. Eiser krijgt wel een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Hij stelt namelijk terecht dat verweerder niet tijdig op zijn aanvraag heeft beslist. Eiser heeft na het verstrijken van de beslistermijn een ingebrekestelling verstuurd en verweerder heeft niet binnen twee weken na de ontvangst van die ingebrekestelling alsnog op de aanvraag beslist. Eiser heeft daarna beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het niet tijdig beslissen. Verweerder moet de proceskostenvergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 0,5). Het beroep tegen het bestreden besluit (NL25.62407) Het asielrelaas 2. Eiser heeft de Zuid-Soedanese nationaliteit en stelt te zijn geboren op [geboortedatum 1] 1999. Hij behoort tot de Dinka bevolkingsgroep. Eiser legt aan zijn asielaanvraag – kort samengevat – ten grondslag dat hij in 2018 onder dwang is meegenomen door een militie. Eiser werd toen vijf dagen vastgehouden in een fort. Eiser wist te ontsnappen en heeft Zuid-Soedan verlaten. Bij terugkeer naar Zuid-Soedan vreest eiser dat hij opnieuw wordt opgepakt door een militie en dat hij wordt vermoord. Het bestreden besluit 3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven: 1. Identiteit, nationaliteit en herkomst 2. Gedwongen rekrutering door militie 3.1. Verweerder heeft eisers nationaliteit en herkomst en de gedwongen rekrutering door een militie geloofwaardig geacht. Eisers identiteit wordt niet geloofwaardig geacht omdat eiser in Spanje andere persoonsgegevens heeft doorgegeven. Eisers nationaliteit, herkomst en de gedwongen rekrutering leiden volgens verweerder niet tot een vervolgingsgrond in de zin van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag) of tot een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verweerder legt aan dit standpunt ten grondslag dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de negatieve aandacht staat van de militie en dat niet valt in te zien dat de militie nog steeds naar eiser op zoek is. Verder is het volgens verweerder niet aannemelijk dat eiser slachtoffer wordt van willekeurig geweld in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn (hierna: 15c). Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), in samenhang bezien met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw omdat de informatie die eiser heeft verstrekt over zijn identiteit niet overeenkomt met de informatie die eiser in Spanje heeft verstrekt. Daarnaast omvat het bestreden besluit een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar. Beoordeling door de rechtbank Identiteit 4. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder zijn identiteit ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Eiser heeft namelijk uitgelegd dat hij een andere naam en geboortedatum in Spanje heeft doorgegeven omdat hij bang was om te worden teruggestuurd naar Marokko. 4.1. Vast staat dat eiser zijn identiteit niet met authentieke documenten heeft onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt dat eisers zijn identiteit ook met zijn verklaringen niet aannemelijk heeft gemaakt omdat ze geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Verweerder heeft er in dit kader op kunnen wijzen dat eiser in Spanje andere persoonsgegevens heeft doorgegeven ( [naam] , [geboortedatum 2] 1998). Eisers verklaring dat hij dit heeft gedaan om te voorkomen dat hij wordt teruggestuurd naar Marokko, heeft verweerder onvoldoende verklarend kunnen vinden. Verweerder stelt niet ten onrechte dat aannemelijk is dat eiser om deze reden ook in Nederland onjuiste persoonsgegevens heeft doorgegeven. Daarnaast heeft verweerder er op de zitting op kunnen wijzen dat het niet duidelijk is of de door eiser in Spanje of in Nederland doorgegeven persoonsgegevens juist zijn. De beroepsgrond slaagt niet. Rekrutering 5. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij zijn vrees om bij terugkeer naar Zuid-Soedan opnieuw te worden gerekruteerd voldoende heeft onderbouwd. Eiser heeft hierbij verwezen naar landeninformatie waaruit blijkt dat er sprake is van rekrutering. Ook wijst eiser erop dat hij eerder is gerekruteerd en vijf dagen is vastgehouden. Het is volgens eiser daarom aannemelijk dat hij bij terugkeer door de militie zal worden herkend. Daarnaast blijkt uit landeninformatie dat de South Sudan People’s Defence Forces (SSPDF) personen die als ontrouw aan de regering worden beschouwd, willekeurig opsluit. Eiser is gevlucht en zal daarom ook als ontrouw aan de regering worden gezien. 5.1. De rechtbank vat dit standpunt van eiser op als een beroep op artikel 4, vierde lid, van de Kwalificatierichtlijn . Daaruit volgt, kort gezegd, dat eerdere blootstelling aan of bedreiging met vervolging of ernstige schade maakt dat er goede redenen moeten zijn om aan te nemen dat die vervolging of ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat er goede redenen zijn om aan te nemen dat eiser niet opnieuw zal worden gerekruteerd of door de milities zal worden herkend. Verweerder heeft er in dit kader allereerst op kunnen wijzen dat uit de door eiser aangehaalde bronnen blijkt dat vooral kinderen of (volwassen) ontheemden worden gerekruteerd. Eiser is volwassen en heeft familie in Zuid-Soedan wonen waar hij bij terugkeer kan wonen. Eiser valt dus niet onder de groep mensen die vooral wordt gerekruteerd. Eiser heeft verder ook niet onderbouwd waarom aannemelijk is dat hij zal worden gerekruteerd. Dat eiser eerder is gerekruteerd is hiervoor onvoldoende aanleiding. Eiser heeft namelijk ook verklaard dat de milities zoveel mogelijk jonge mannen rekruteren om een zo groot mogelijke groep te creëren (p. 18 nader gehoor). De milities hadden het dus niet op eiser persoonlijk gemunt. Ook zijn de milities niet op de hoogte van eisers persoonlijke gegevens (p. 14 nader gehoor) en is eiser in 2018 slechts vijf dagen door de milities vastgehouden. Verweerder wijst er terecht op dat het ruime tijd geleden is dat eiser is gerekruteerd door de militie en dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat de milities eiser nu nog zouden herkennen en weer zouden meenemen, temeer nu eiser ook heeft verklaard dat hij en zijn gezinsleden sindsdien niets meer hebben vernomen van de militie (p. 15 nader gehoor). Dat, zoals eiser op de zitting heeft verklaard, de milities bij zijn vader zijn langs geweest, heeft eiser verder niet onderbouwd. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat het niet aannemelijk is dat eiser na zo een lange tijd door milities zal worden herkend, of dat eiser opnieuw zal worden gerekruteerd. 5.2. Nu verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet aannemelijk is dat eiser bij terugkeer zal worden gerekruteerd, of dat eiser in de negatieve belangstelling van de milities staat of komt te staan, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser hierdoor bij terugkeer naar Zuid-Soedan geen risico loopt op vervolging of ernstige schade. Voor zover eiser stelt dat hij bij terugkeer als ontrouw aan de regering wordt gezien en daardoor een risico loopt om te worden opgesloten, volgt de rechtbank dit niet. Eiser heeft immers enkel verklaard problemen te hebben met de militie, en niet met de overheid (o.a. p. 10 nader gehoor). Eiser heeft verder niet onderbouwd waaruit blijkt dat de omstandigheid dat hij Zuid-Soedan illegaal heeft verlaten ertoe leidt dat hij als ontrouw aan de regering wordt gezien. De beroepsgrond slaagt niet. Willekeurig geweld (15c) 6. Eiser stelt zich op het standpunt dat er in Zuid-Soedan, specifiek in de provincie Northern Barh el Ghazal, sprake is van het hoogste niveau van willekeurig geweld in de zin van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. Eiser verwijst hierbij naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen van 2 maart 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:1201) en verschillende rapporten. Verweerder heeft volgens eiser onvoldoende naar de algehele situatie in Zuid-Soedan gekeken, waaronder dat er sprake is van veediefstallen en dat die veediefstallen kunnen voortvloeien uit confrontaties tussen strijdende gewapende groeperingen. Ook heeft verweerder ten onrechte geen rekening gehouden met eisers individuele omstandigheden, waaronder wat familieleden, vrienden en leden van de sociale/etnische groep van eiser is overkomen. Eiser verwijst hierbij ook naar de omstandigheid dat hij in het verleden door de militie is meegenomen en gevangen is genomen. Verweerder heeft volgens eiser onvoldoende gemotiveerd waarom eiser niet opnieuw de aandacht zou trekken. 6.1. De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is dat er in Zuid-Soedan sprake is van een internationaal of binnenlands conflict dat willekeurig geweld teweegbrengt zoals bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. Tussen partijen is in geschil welke gradatie van willekeurig geweld er geldt in de provincie Northern Barh el Ghazal, waar eiser vandaan komt. 6.2. Uit paragraaf C2/3.3.3.3. van de Vreemdelingencirculaire (Vc) volgt dat de mate van willekeurig geweld kan worden onderverdeeld in drie gradaties: een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld, een relatief hoger niveau van willekeurig geweld en een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Er is sprake van de meest uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld wanneer de mate van dit geweld in het kader van een gewapend conflict zo hoog is dat eenieder al door zijn aanwezigheid in dat land of gebied een reëel risico loopt op ernstige schade. Als er sprake is van de meest uitzonderlijke situatie wordt niet toegekomen aan het betrekken van individuele omstandigheden. Als er sprake is van een relatief hoger niveau of lager niveau van willekeurig geweld is het aan de vreemdeling om aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk te maken dat 1) die omstandigheden leiden tot een verhoogd risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld, en dat 2) juist de vreemdeling specifiek vanwege deze omstandigheden een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Hoe meer een vreemdeling aannemelijk kan maken dat zijn individuele omstandigheden voor een verhoogd risico zorgen, hoe minder willekeurig geweld er vereist is om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming (de glijdende schaal). 6.3. Bij de beoordeling of er sprake is van een uitzonderlijke situatie die valt onder artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn, moeten alle relevante omstandigheden globaal in aanmerking worden genomen. Hieronder vallen in ieder geval de intensiteit van de gewapende confrontaties, het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten, de duur van het conflict, de geografische omvang van het gebied waar het willekeurige geweld plaatsvindt, de daadwerkelijke bestemming van een vreemdeling bij terugkeer, het antwoord op de vraag of de strijdende partijen ook opzettelijk geweld gebruiken tegen burgers, hoeveel burgers slachtoffer zijn geworden van het geweld, hoeveel burgers als gevolg van het geweld ontheemd zijn geraakt, en de humanitaire omstandigheden die het directe of indirecte gevolg zijn van het handelen en/of nalaten van een actor van ernstige schade in het kader van willekeurig geweld in het binnenlandse gewapende conflict. 6.4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat er in de regio Northern Barh el Ghazal sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Verweerder heeft er in dit kader terecht op gewezen dat uit het aantal incidenten en het aantal slachtoffers in deze regio niet volgt dat er sprake is van de meest uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld. Zo blijkt uit gegevens van ACLED dat er in de afgelopen vijf jaar in veel gebieden in Northern Barh el Ghazal nauwelijks incidenten hebben plaatsgevonden. Eiser is er met zijn verwijzing op de zitting naar de rapporten van de UN Security Council en UNMISS niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat verweerder deze gegevens ten onrechte bij zijn beoordeling heeft betrokken, of dat de gegevens niet kloppen. Zo blijkt uit het rapport van de UN Security Council dat er in Northern Bahr el Ghazal in de periode van 15 oktober 2025 tot 15 januari 2026 0 slachtoffers zijn geweest van moord, ontvoering of verwonding. Uit het rapport van UNMISS volgt verder dat er van januari 2025 tot maart 2025 geen geweldsincidenten hebben plaatsgevonden met lokale milities en/of burgerverdedigingsgroepen, of met andere gewapende groeperingen. Verder erkent verweerder dat de humanitaire situatie in Northern Barh el Ghazal zorgelijk is, maar wijst verweerder er terecht op dat er wel humanitaire hulp aanwezig is. Over de veediefstallen heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat hier verschillende motieven aan ten grondslag kunnen liggen en dat dit niet altijd kan worden aangemerkt als (onderdeel van) een internationaal of binnenlands gewapend conflict zoals bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. Eiser heeft zijn stelling dat er veediefstallen plaatsvinden en dat deze voortvloeien uit confrontaties tussen twee onderling strijdende gewapende groeperingen niet onderbouwd, dan wel aannemelijk gemaakt. Verweerder heeft deze omstandigheid daarom terecht niet betrokken bij zijn beoordeling of er sprake is van hoger niveau van willekeurig geweld. Tot slot overweegt de rechtbank dat verweerder er met zijn verwijzing naar de hiervoor genoemde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen van 2 maart 2025 niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat er in Northern Barh el Ghazal sprake is van een het hoogste niveau van willekeurig geweld. Deze uitspraak gaat namelijk over de regio Unity. Eiser heeft ook niet uitgelegd waarom de overwegingen in deze uitspraak ook van toepassing zijn op Northern Barh el Ghazal. 6.5. Gelet op het voorgaande is eiser er naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat er in de regio Northern Barh el Ghazal sprake is van een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat er in de regio Northern Barh el Ghazal sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Dit betekent dat eiser aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk moet maken dat 1) die omstandigheden leiden tot een verhoogd risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld, en dat 2) juist eiser specifiek vanwege deze omstandigheden een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. 6.6. Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat eiser er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat hij vanwege zijn persoonlijke omstandigheden een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Zo heeft eiser op de vraag of hij in Zuid-Soedan willekeurig geweld heeft meegemaakt verklaard dat de problemen algemeen zijn en te maken hebben met verschillende stammen, maar niet dat hij meer aandacht zou trekken. Ook heeft eiser verklaard dat hij nooit betrokken is geweest bij problemen tussen of binnen stammen, of dat hij slachtoffer is geworden van willekeurig geweld. Eiser heeft enkel verklaard dat hij niet de kans krijgt om te leren (p. 16 aanvullend gehoor). Verweerder stelt terecht dat deze omstandigheden onvoldoende zijn voor de conclusie dat juist eiser een verhoogd risico loopt op willekeurig geweld. Dat eiser in het verleden is gerekruteerd heeft verweerder ook onvoldoende kunnen vinden voor deze conclusie. De rechtbank verwijst hierbij naar overwegingen 5.1. en 5.2. van deze uitspraak, waarin is geoordeeld dat niet aannemelijk is dat eiser bij terugkeer (opnieuw) wordt gerekruteerd. Ook heeft eiser niet onderbouwd hoe zijn rekrutering in 2018 zou maken dat hij bij terugkeer een hoger risico loopt op willekeurig geweld. Dit zou dan namelijk niet willekeurig zijn, maar gericht op hem als persoon. Eiser heeft verder ook niet onderbouwd wat zijn familieleden, vrienden en leden van de sociale/etnische groep is overkomen en hoe dit ertoe zou leiden dat juist eiser een verhoogd risico loopt op willekeurig geweld. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Northern Barh el Ghazal een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld zoals bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. De beroepsgrond slaagt niet. Kennelijk ongegrond, terugkeerbesluit en inreisverbod 7. Eiser stelt zich tot slot op het standpunt dat de asielaanvraag ten onrechte is afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft namelijk uitgelegd dat hij in Spanje een andere naam heeft opgegeven omdat hij bang was om terug te worden gestuurd naar Marokko. Er is daarom volgens eiser geen sprake van misleiding van de minister. Dit betekent volgens eiser ook dat verweerder hem ten onrechte geen vertrektermijn heeft gegund en dat ten onrechte een inreisverbod voor de duur van twee jaar is opgelegd. 7.1. Gelet op hetgeen onder 4.1. is overwogen heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser verweerder heeft misleid door valse informatie te verstrekken of door relevante informatie over zijn identiteit achter te houden. Dit betekent ook dat verweerder gehouden was om een terugkeerbesluit op te leggen en een inreisverbod uit te vaardigen voor de duur van twee jaar (zie artikel 62, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vw, in samenhang bezien met artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw). De beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen 8. Het beroep tegen het bestreden besluit is ongegrond. Dit betekent dat verweerder de asielaanvraag terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond en dat het bestreden besluit in stand kan blijven. 9. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk. Gelet op hetgeen onder 1.1. is overwogen krijgt eiser een vergoeding voor zijn proceskosten. De rechtbank stelt deze vergoeding vast op € 467,-. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag (NL25.45933) niet-ontvankelijk; verklaart het beroep gericht tegen het bestreden besluit (NL25.62407) ongegrond; veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Richtlijn 2011/95/EU. O.a. Anadolu Ajans, “UN expert warns of worsening child trafficking crisis in South Sudan conflict,” 9 april 2026; Human Rights Council “report of the Commission on Human Rights in South Sudan,”19 februari 2026; Human Rights Watch, “South Sudan: Abusive ‘Anti-Gang’ Crackdown,” 7 januari 2026; Radio Tamazuj, “Inside the army’s quiet machinery of forced recruitment,” 9 december 2025; Sudans Post, “backlash in Aweil as residents decry alleged military conscription,” 13 januari 2026. Sudans Post, “SSPDF training thousands of recruits in Northern Bahr el Ghazal,” 19 november 2023. Richtlijn 2011/95/EU. Eiser heeft hierbij op de zitting in het bijzonder verwezen naar de grafiek in het rapport van de UN Security Council, “Situation in South Sudan; Report of the Secretary-General,” 2 februari 2026, p.11 en de grafiek in het rapport van UNMISS, “Brief on Violence Affecting Civilians January to March 2025,” juli 2025, p.6. Eiser verwijst hierbij naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 23 augustus 2023, J.K. and others v. Sweden en de Note on Burden and Standard of Proof in Refugee claims, paragraaf 19 van de UNHCR. Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 juni 2021 (ECLI:EU:C:2021:472, CF en DN) en 9 november 2023 (ECLI:EU:C:2023:843, X en Y) en de uitleg daarvan in de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2927) en 16 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3153). Zie de uitspraken van de Afdeling van 22 maart 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:1054) en van 16 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3153). ACLED, ‘South Sudan’s peace process stagnates as violence grips greater Upper Nile region,’ 31 januari 2025. Verweerder verwijst hierbij naar een bericht van OCHA, “South Sudan: Conflict in Jonglei State – Flash Update No. 10, as of 26 Februari 2026,