ECLI:NL:RBDHA:2026:17209
Rechtbank Den Haag · 2026-06-11 · Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Asiel - Syrië - Damascus - geloofsovertuiging en politieke overtuiging - mate van willekeurig geweld (15c) - verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Damascus - geen persoonlijke omstandigheden die verhoogd risico maken - verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt in een situatie te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM - beroep ongegrond
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: NL25.60871 en NL25.60872 uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser] , V-nummer: 2950751735, eiser/verzoeker (hierna: eiser) (gemachtigde: mr. K. Yousef), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. D. Gigengack). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 27 mei 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 10 december 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. 1.1. De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Na de zitting is gebleken dat eiser wel naar de rechtbank is gekomen, maar aankwam nadat de behandeling van zijn zaak was afgelopen. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 2. Eiser heeft de Syrische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1998. Eiser komt uit [plaats] . Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij in Syrië gevaar loopt vanwege de onveilige situatie daar. Daarnaast is hij als christen kwetsbaar en heeft hij beperkt zicht vanwege een oogafwijking. Eiser uit zich ook op sociale media tegen mensenrechtenschendingen door berichten te delen. 3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven: de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser; en dat eiser christen is. 4. Verweerder vindt beide asielmotieven geloofwaardig. Volgens verweerder heeft eiser echter geen gegronde vrees voor vervolging en loopt hij geen reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Syrië. Er is sprake van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Syrië en voor eiser gelden geen individuele omstandigheden die maken dat hij daar slachtoffer van zal worden. Uit eisers verklaringen en beschikbare landeninformatie volgt volgens verweerder niet dat hij individuele problemen heeft ondervonden of zal ondervinden omdat hij christen is. Verweerder heeft ook aangenomen dat eiser een politieke overtuiging heeft vanwege zijn activiteit op sociale media. Ook dat maakt volgens verweerder echter niet dat eiser een gegronde vrees voor vervolging heeft, omdat het niet gaat om een sterke overtuiging en omdat eisers bereik beperkt is. Wat vindt eiser in beroep? 5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Verweerder heeft de onderdelen van eisers asielrelaas onvoldoende in samenhang beoordeeld. Wat betreft eisers religie heeft verweerder zijn verklaringen en de gevaarlijke situatie voor christenen in Syrië niet zwaar genoeg gewogen. Eiser heeft naast staatsactoren, ook andere actoren te vrezen als christen. Ook vanwege zijn politieke overtuiging en uitingen op sociale media kan eiser wel degelijk in de negatieve aandacht komen. Daarnaast moest verweerder nader onderzoek doen naar eisers slechte zicht en de invloed daarvan op zijn kwetsbaarheid. Ook heeft verweerder het besluit onvoldoende gemotiveerd waar het gaat om de veiligheidssituatie in Syrië. Verweerder heeft onvoldoende onderzocht wat de huidige veiligheidssituatie is en hoe eisers individuele omstandigheden het risico voor hem vergroten. Verweerder mocht aan eiser ook geen terugkeerbesluit opleggen, omdat dat in strijd is met het verbod op refoulement. Wat is het oordeel van de rechtbank? 6. De rechtbank beoordeelt of verweerder eisers asielaanvraag terecht heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder legt de rechtbank dat uit. Eisers christelijke geloofsovertuiging 7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder deugdelijk gemotiveerd dat eiser geen gegronde vrees heeft voor vervolging omdat hij christen is. De rechtbank vindt allereerst van belang dat uit de beschikbare landeninformatie niet volgt dat er sprake is van systematische vervolging van christenen in Syrië. In het bestreden besluit heeft verweerder dit gemotiveerd uiteengezet op basis van het Algemeen Ambtsbericht van mei 2025. Ter zitting heeft verweerder terecht betoogd dat uit het Algemeen Ambtsbericht van januari 2026 geen wezenlijk ander beeld naar voren komt. Hoewel de ambtsberichten melding maken van incidenten van geweld tegen christenen, waaronder ook een aantal van de gebeurtenissen die eiser heeft benoemd, volgt de rechtbank verweerder in zijn betoog dat uit de beschikbare landeninformatie niet het beeld naar voren komt dat het geweld een systematische vorm aanneemt. De rechtbank ziet op basis van deze informatie geen aanleiding voor de conclusie dat verweerder christenen in Syrië moest aanmerken als risicoprofiel. Eiser heeft ook niet gewezen op individuele problemen die maken dat voor hem moet worden aangenomen dat hij bij terugkeer problemen zal ondervinden vanwege zijn geloof. Verweerder heeft op goede gronden geconcludeerd dat eiser in het verleden de vrijheid had om zijn geloof te praktiseren zoals hij dat wenste en heeft erop mogen wijzen dat er ook in de huidige situatie geen persoonlijke aanwijzingen zijn dat eiser problemen heeft te verwachten. De algemene informatie waarop eiser heeft gewezen, is daartoe niet voldoende. Politieke overtuiging 8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ook deugdelijk gemotiveerd dat eiser geen persoonlijke problemen heeft ondervonden of heeft te verwachten vanwege zijn politieke uitingen op sociale media. Verweerder heeft erop mogen wijzen dat eiser een klein bereik heeft op sociale media en dat er geen indicaties zijn van negatieve aandacht die verder gaan dan negatieve commentaren die niet tot bepaalde personen te herleiden zijn. Daar komt bij dat eiser geen eigen berichten plaatst, maar verspreidt wat anderen plaatst en dat die berichten doorgaans na een dag ook weer verdwijnen. Eisers stelling dat hij in de negatieve belangstelling kan komen te staan vanwege zijn activiteiten, is onvoldoende concreet om er een andere conclusie aan te verbinden. Uit het dossier komen tot slot geen andere manieren naar voren waarop eiser zijn politieke overtuiging uit. Reëel risico op ernstige schade vanwege situatie van willekeurig geweld 9. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn , zoals geïmplementeerd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vreemdelingenwet 2000, gaat allereerst over de situatie waarin de mate van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict zo hoog is dat een ieder alleen al door zijn aanwezigheid in dat land of gebied een reëel risico loopt op ernstige schade. In deze meest uitzonderlijke situatie wordt niet toegekomen aan het betrekken van individuele omstandigheden. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn kan ook betrekking hebben op een ‘minder uitzonderlijke situatie’. Dan moet niet alleen gekeken worden naar de veiligheidssituatie in het land van herkomst, maar ook naar de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van een asielzoeker. Hoe meer een asielzoeker aannemelijk kan maken dat zijn individuele omstandigheden voor een verhoogd risico zorgen, hoe minder willekeurig geweld is vereist om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming. Bij de beoordeling of sprake is van een uitzonderlijke situatie die onder de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn valt, moeten alle relevante omstandigheden globaal in aanmerking worden genomen en specifiek de intensiteit van de gewapende confrontaties, het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten en de duur van het conflict, alsook andere elementen zoals de geografische omvang van het gebied waar het willekeurig geweld plaatsvindt, de daadwerkelijke bestemming van een asielzoeker bij terugkeer en het antwoord op de vraag of de strijdende partijen ook opzettelijk geweld gebruiken tegen burgers. De Afdeling heeft geoordeeld dat humanitaire omstandigheden ook als relevante omstandigheid in deze globale beoordeling moeten worden betrokken. Daarbij is van belang dat alleen humanitaire omstandigheden die momenteel worden veroorzaakt en/of in stand worden gehouden door het handelen en/of nalaten van de partijen die actief betrokken zijn in het gewapende conflict betrokken moeten worden bij de 15c-beoordeling. 9.1. Verweerder heeft het besluit van 10 december 2025 gebaseerd op het Algemeen Ambtsbericht van mei 2025, dat op dat moment het meest recente ambtsbericht was. Verweerder heeft daarnaast in de besluitvorming de bijbehorende beslisnota en de brief van de Minister van Asiel en Migratie van 10 juni 2025 aan de Tweede Kamer over het landenbeleid Syrië meegenomen. Verder heeft verweerder gewezen op data uit de Country of Origin Query Syria van 1 oktober 2025 en de EUAA Country Focus Syria van juli 2025. Met het verweerschrift van 22 mei 2026 heeft verweerder deze beoordeling op verzoek van de rechtbank geactualiseerd onder verwijzing naar het inmiddels meest recente Algemeen Ambtsbericht van januari 2026. Verweerder heeft hierbij ook data betrokken van de UNHCR, ACLED, EUAA en het UK Home Office. 9.2. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank kunnen concluderen dat uit het Algemeen Ambtsbericht over Syrië van mei 2025 het beeld naar voren komt dat er gewapende conflicten in het hele land plaatsvinden tussen verschillende gewapende actoren, leidend tot incidentele pieken in geweldsuitbarstingen en gevechten, maar dat de aantallen burgerslachtoffers als gevolg van willekeurig geweld hierbij relatief laag blijven. Verweerder heeft uit het meest recente ambtsbericht van januari 2026 kunnen concluderen dat het aantal geweldsincidenten in Syrië flink is gedaald en ook het aantal burgerdoden is afgenomen. Ook heeft verweerder kunnen concluderen dat het aantal incidenten met ontplofbare oorlogsresten nauwelijks is toegenomen en dat er daarnaast maatregelen worden genomen met betrekking tot het ruimen van ontplofbare oorlogsresten. Verweerder heeft daarbij kunnen concluderen dat de dalende trend in geweldsincidenten ook in [plaats] , het gebied van terugkeer van eiser, te zien is. Uit het ambtsbericht van januari 2026 blijkt dat [plaats] onder controle staat van de overgangsregering. In de verslagperiode fluctueerde het maandelijkse aantal geweldsincidenten tussen 2 (november 2025) en 17 (juli 2025). In vergelijking met de voorgaande verslagperiode was sprake van een daling van het aantal geregistreerde geweldsincidenten in [plaats] . Verder waren er in [plaats] vier incidenten met ontplofbare oorlogsresten. In de verslagperiode was sprake van ontheemding in [plaats] , maar het is niet duidelijk in hoeverre dit verband hield met conflictgerelateerd geweld. In de verslagperiode keerden echter ook naar schatting 12.194 binnenlands ontheemden terug naar hun oorspronkelijke woonplaats in [plaats] . 9.3. Wat betreft de humanitaire omstandigheden heeft verweerder er terecht op gewezen dat de hoofdveroorzaker van de slechte humanitaire omstandigheden, zoals die beschreven staan in het Algemeen Ambtsbericht over Syrië uit mei 2025, het regime van Assad was, dat inmiddels geen actor meer is in het huidige gewapende conflict. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat het meest recente ambtsbericht van januari 2026 geen reden geeft voor een andere conclusie op dit punt. Weliswaar heeft ook het handelen van de huidige partijen impact op de humanitaire situatie, maar verweerder heeft kunnen concluderen dat de slechte humanitaire situatie in hoofdzaak niet is te wijten aan huidig handelen van de nu nog actieve partijen. Verweerder heeft ook gewezen op de EUAA Country Guidance over Syrië waarin staat dat vóór de val van het Assad-regime gerapporteerd werd dat strijdende partijen bewust gezondheidsvoorzieningen aanvielen en ook de aanvoer van basisvoorzieningen tegenhielden, maar dat er geen informatie is die erop wijst dat dit nog steeds het geval is. Eiser heeft geen landeninformatie overgelegd waaruit volgt dat de partijen die momenteel actief betrokken zijn in het gewapende conflict de slechte humanitaire omstandigheden in Syrië in het algemeen en [plaats] in het bijzonder veroorzaken en/of in stand houden. Eiser heeft naar voren gebracht dat er volgens UNICEF significante uitdagingen zijn voor terugkeerders door de voortdurende situatie, maar hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat partijen bij het huidige gewapende conflict de slechte humanitaire omstandigheden in stand houden. Ook uit de informatie van de EUAA, volgt niet een dergelijk verband. 9.4. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in [plaats] . 9.5. Nu er sprake is van een lager niveau van willekeurig geweld, dient eiser aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk te maken dat hij een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Hoewel eiser een visuele beperking heeft, volgt uit de toelichting die gemachtigde ter zitting heeft gegeven dat eiser voldoende kan zien om zichzelf te redden. Naar het oordeel van de rechtbank volgt in eisers geval niet uit zijn visuele beperking dat hij een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Verweerder mocht vinden dat eiser verder geen persoonlijke kenmerken heeft aangevoerd die maken dat hij een hoger risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Terugkeerbesluit 10. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft op 23 februari 2026 geoordeeld dat verweerder in het kader van het terugkeerbesluit moet beoordelen of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Verweerder kan voor deze beoordeling niet slechts verwijzen naar zijn beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Het Hof van Justitie van de EU heeft eerder al geoordeeld dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 3 van het EVRM verschillen qua inhoud en dat de uitlegging van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn autonoom moet plaatsvinden. 10.1. Daarbij is van belang dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmi twee situaties onderscheidt: - In de eerste situatie worden de humanitaire omstandigheden niet veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor. - In de tweede situatie worden de humanitaire omstandigheden wel veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor. In de eerste situatie geldt een zwaardere toets dan in de tweede situatie en ligt de lat voor eiser daarmee hoger. 10.2. In het verweerschrift heeft verweerder erop gewezen dat het EHRM in september 2025 een getroffen voorlopige voorziening ten aanzien van een Syrische man niet heeft verlengd. Ook heeft verweerder erop gewezen dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmi heeft overwogen dat van schending van artikel 3 van het EVRM wegens humanitaire omstandigheden die niet worden veroorzaakt door het doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor, slechts sprake kan zijn bij ‘very exceptional circumstances where the humanitarian grounds against removal are compelling’. Eiser heeft volgens verweerder niet aangevoerd dat hij bij terugkeer naar Syrië terecht zal komen in een zodanig schrijnende humanitaire situatie. 10.3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM wegens de humanitaire omstandigheden. Verweerder voldoende beoordeeld in welke situatie eiser bij terugkeer zal komen. Verweerder heeft namelijk vastgesteld dat eiser in [plaats] familieleden heeft bij wie hij terecht kan en dat hij in het verleden heeft gestudeerd en gewerkt, zodat aannemelijk is dat hij ook nu in staat zal zijn zichzelf, met hulp van zijn familie, te handhaven. Ook in dit kader is niet gebleken dat eisers gezichtsaandoening zal betekenen dat hij een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM. Hoewel sprake is van een slechte en complexe humanitaire situatie, heeft eiser met hetgeen hij heeft aangevoerd de lat van het arrest Sufi en Elmi niet gehaald, ongeacht of wordt uitgegaan van de ‘lichtere’ of ‘zwaardere’ toets. Conclusie en gevolgen 11. Verweerder heeft de aanvraag mogen afwijzen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. 11.1. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. 11.2. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open. Op basis van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Zie pagina 91 en 98-103 van het Algemeen Ambtsbericht Syrië van januari 2026. Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking). Dit volgt uit het arrest Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 9 november 2023, ECLI:EU:C:2023:843 ( X en Y ). Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:472 ( CF en DN ). Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153. Uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611, r.o. 7.2. Zie ook de uitspraak van de MK Den Haag van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611, r.o. 7.3. EUAA Country Guidance: Syria Comprehensive update, december 2025, p. 58. Uitspraak van 23 februari 2026, noot 12, r.o. 7.4. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 17 februari 2009, ECLI:EU:C:2009:94 ( Elgafaji ), punt 28. Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 28 juni 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907 ( Sufi en Elmi tegen het Verenigd Koninkrijk ), punt 278-283. Persbericht van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 24 september 2025 in de zaak A.F. tegen Oostenrijk (zaaknummer 24394/25).