← alle zaken
Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:16922

Rechtbank Den Haag · 2026-05-15 · Eerste aanleg - enkelvoudig

Zaaknummer
NL25.30798
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
15.440 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Asiel, Nigeria, referentiekader, problemen met mensensmokkelaar en de seksuele gerichtheid van eiser. Beroep ongegrond.

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.30798 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. M. Gavami), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. C.P.P.H. Kelderman). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt . Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 12 juni 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 1 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A.K. Umar als tolk en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Het asielrelaas 3. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1989, de Nigeriaanse nationaliteit te hebben en te behoren tot de Igbo bevolkingsgroep. Aan zijn asielaanvraag legt hij ten grondslag dat hij homoseksueel is. Hier is eiser achter gekomen toen hij naar de kostschool ging waar hij voor eerst in aanraking kwam met een oudere jongen die hem begeleidde op deze school. Deze jongen heeft eiser gedrogeerd, waarna hij eiser vertelde dat het goed was als eiser het met mannen ging doen. Eiser is het fysieke contact met jongens toen leuk gaan vinden. In 2021 leerde eiser in zijn voetbalteam een jongen genaamd [persoon1] kennen. Na verloop van tijd kregen zij een geheime relatie. De buurvrouw zag [persoon1] komen en gaan vanuit het huis van eiser en hoorde op een dag dat [persoon1] en eiser samen in de kamer van eiser zouden zijn. Zij heeft toen de wijkbeveiligers ingelicht die [persoon1] en eiser hebben betrapt. Eiser wist te ontsnappen via een raam, maar [persoon1] niet. Uiteindelijk is [persoon1] in dit proces vermoord. De vader van [persoon1] beschuldigt eiser van de dood van zijn zoon. Hij is op zoek naar eiser en wil eiser vermoorden. Eiser is met behulp van een vriend van zijn vader vanuit Nigeria naar Oekraïne gevlucht. Daar is eiser in de handen gevallen van een mensensmokkelaar, die ook optrad als zijn pooier, genaamd [persoon2] . Op die manier is eiser beland in de prostitutie. Toen de oorlog uitbrak in Oekraïne is eiser samen met [persoon2] naar Nederland gekomen. In Nederland is eiser van [persoon2] weggelopen. Eiser vreest voor [persoon2] , omdat hij nog een openstaande rekening bij [persoon2] heeft. Hij stelt dat [persoon2] een groot netwerk heeft, zijn gegevens heeft en daarom niet zal schromen voor represailles. Eiser vreest bij terugkeer ook voor de vader van [persoon1] , het leger en de moslimgemeenschap vanwege zijn homoseksualiteit. Het bestreden besluit 4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven: identiteit, nationaliteit en herkomst; de problemen van eiser met zijn mensensmokkelaar; en de homoseksualiteit van eiser en zijn problemen als gevolg daarvan. 4.1. De minister vindt het eerste asielmotief geloofwaardig. Het tweede en het derde asielmotief vindt de minister ongeloofwaardig, omdat de verklaringen van eiser daarover volgens de minister geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Het eerste asielmotief kan volgens de minister niet leiden tot verlening van de vluchtelingenstatus op grond van het Vluchtelingenverdrag of omdat sprake is van een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (het EVRM). Aan eiser wordt een terugkeerbesluit opgelegd om Nederland binnen vier weken te verlaten. Referentiekader 5. Eiser voert aan dat de minister bij de beoordeling van zijn relaas geen rekening heeft gehouden met zijn referentiekader en cultuurverschillen. Dat eiser deze stelling niet heeft onderbouwd, kan volgens hem niet aan hem worden tegengeworpen, omdat daarvoor volgens eiser geen nadere onderbouwing is vereist en die tegenwerping een ongemotiveerde ontkenning vormt. Eiser wijst erop dat hij in de zienswijze een toelichting op zijn standpunt heeft gegeven. 5.1. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser bij de geloofwaardigheidsbeoordeling van zijn relaas en met mogelijke cultuurverschillen. Op de zitting heeft de minister benadrukt dat het relaas van eiser is beoordeeld aan de hand van Werkinstructie (WI) 2019/17 en dat daarbij is gekeken naar de leeftijd, nationaliteit, opleiding en achtergrond van eiser. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat dit referentiekader niet verklaart waarom eiser op meerdere onderdelen van zijn relaas wisselend heeft verklaard en waarom van eiser niet mocht worden verwacht dat hij meer kon verklaren over zijn homoseksualiteit en seksuele gewaarwording. Op de zitting heeft de minister terecht gewezen op het feit dat eiser afkomstig is uit een land waar een taboe rust op homoseksualiteit en dat daarom juist van hem mag worden verwacht dat hij inzicht zou kunnen geven over hoe het voor hem was om te ontdekken dat hij homoseksueel is en dat hij behoort tot een groep waarop in zijn land van herkomst een taboe rust. Ook wijst de minister er in het bestreden besluit terecht op dat eiser al enige tijd in Oekraïne en Nederland heeft verbleven en dat daarom van hem mocht worden verwacht dat hij een mening zou hebben kunnen vormen over de positie van lhbti in Nigeria in vergelijking met de positie van lhbti in Nederland en andere landen. Ook op die manier heeft de minister rekening gehouden met de achtergrond van eiser. 5.2. Over de gestelde cultuurverschillen overweegt de rechtbank dat het op de weg van eiser ligt om met individuele omstandigheden te onderbouwen waarom hij meent dat cultuurverschillen van invloed zijn geweest op de wijze waarop zijn verklaringen moeten worden begrepen of beoordeeld. Dat eiser stelt dat niet vereist is dat hij dit hoeft te onderbouwen, kan de rechtbank dan ook niet volgen. De enkele verwijzing naar de algemene toelichting over cultuurverschillen die in de zienswijze is gegeven is daarvoor ook onvoldoende. De minister heeft in het bestreden besluit terecht overwogen dat de in de zienswijze opgenomen stellingen niet zijn onderbouwd met een bron. Eiser heeft evenmin inzichtelijk gemaakt hoe deze stellingen op hem persoonlijk van toepassing zouden zijn, en op welke wijze zij van invloed zouden zijn geweest op zijn verklaringen. Ook uit het gehoor blijkt niet dat onvoldoende rekening is gehouden met de gestelde cultuurverschillen. Eiser is uitgebreid gehoord en niet is gebleken dat hij de gestelde vragen vanwege cultuurverschillen niet heeft begrepen of kon beantwoorden. De beroepsgrond slaagt niet. Problemen met de mensensmokkelaar, en de seksuele gerichtheid van eiser 6. Eiser voert verder aan dat in het bestreden besluit niet is gemotiveerd waarom de relatie van eiser met de mensensmokkelaar anders zou moeten worden gezien, nu het hier gaat om de vraag waarom eiser niet nader heeft kunnen verklaren over deze mensensmokkelaar. Eiser is van mening dat de minister had moeten erkennen dat de mensensmokkelaar in de regel zo min mogelijk informatie los wil laten bij zijn klanten. Uit het bestreden besluit volgt dat de minister zich hiervan bewust is, maar toch vindt de minister dat eiser meer informatie had moeten verschaffen. Daarnaast stelt eiser dat hij tijdens het nader gehoor afdoende heeft verklaard over zijn seksuele gerichtheid. 6.1. De rechtbank overweegt dat de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser onsamenhangende en onaannemelijke verklaringen heeft afgelegd over de gestelde problemen de mensensmokkelaar. De minister heeft daarbij mogen betrekken dat eiser ongerijmd heeft verklaard over zijn ontsnapping aan [persoon2] . Eiser heeft verklaard dat [persoon2] hem bij aankomst in Nederland vijftig euro gaf om, zonder zijn toezicht, brood te gaan kopen. De minister stelt niet ten onrechte dat dit niet strookt met de eerdere verklaring van eiser dat hij in Oekraïne van [persoon2] niet naar buiten mocht. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt waarom [persoon2] hem in Nederland plotseling wel bewegingsvrijheid zou geven en daarmee het risico zou nemen dat eiser zou vluchten. Verder heeft de minister zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser summier heeft verklaard over het uiterlijk van [persoon2] . Eiser heeft verklaard dat [persoon2] een normale huidskleur en een normaal postuur had. Op nader vragen naar specifieke uiterlijke kenmerken heeft eiser enkel verklaard dat hij [persoon2] zou herkennen als hij hem zag. Daarmee heeft eiser slechts beperkt over het uiterlijk van [persoon2] verklaard, terwijl van hem wel mocht worden verwacht dat hij meer zou kunnen verklaren nu hij stelt dat hij meerdere maanden is vastgehouden door [persoon2] . Dat eiser stelt dat [persoon2] zo min mogelijk informatie bij hem wilde loslaten, is onvoldoende om hierover anders te oordelen. Verder heeft de minister het ongerijmd mogen vinden dat eiser gedurende alle maanden dat hij volgens zijn stelling werd vastgehouden over een telefoon zou hebben beschikt. Daarbij heeft de minister mogen betrekken dat eiser [persoon2] heeft omschreven als een bekend figuur die veel personen naar Oekraïne brengt , en dat tegen die achtergrond niet valt in te zien dat [persoon2] het risico zou nemen dat eiser met behulp van een telefoon hulp zou inschakelen. 6.2. De rechtbank overweegt verder dat de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser onsamenhangend en onaannemelijk heeft verklaard over zijn homoseksualiteit en de daaruit voortvloeiende problemen. De minister heeft daarbij mogen betrekken dat eiser summier en oppervlakkig heeft verklaard over zijn gestelde homoseksualiteit en seksuele gewaarwording. Eiser heeft verklaard dat hij zich in relaties met mannen tevreden, blij en opgelucht voelt, dat hij zich kalm voelt bij mannen en open gesprekken met hen kan voeren. De minister stelt terecht dat eiser hiermee in algemene bewoordingen heeft verklaard, zonder deze gevoelens nader te concretiseren. Zo heeft eiser niet inzichtelijk gemaakt waarover hij sprak met mannen, wat hij met hen deelde of wat hem precies tevreden, blij en opgelucht maakte. Ook heeft eiser onvoldoende inzicht gegeven in de door hem gestelde emotionele aantrekkingskracht tot mannen. Eiser heeft in dit verband enkel verklaard dat hij, wanneer hij gevoelens voor iemand ontwikkelt, alles wat die persoon doet aantrekkelijk vindt. De minister heeft deze verklaring onvoldoende concreet mogen vinden. Eiser heeft verder verklaard dat hij op zijn negentiende/twintigste op een kostschool heeft ontdekt dat hij homoseksueel is, nadat hij door zijn buddy was gedrogeerd en verkracht. Volgens eiser maakte deze gebeurtenis hem aanvankelijk niet blij en gaf dit hem veel gedachtes, maar kwam hij erachter dat seksuele relaties tussen buddy’s op de kostschool normaal waren, waarna hij dergelijke relaties steeds leuker begon te vinden. De minister heeft deze verklaringen onvoldoende inzichtelijk mogen achten. Eiser heeft niet nader geconcretiseerd welke gedachten en gevoelens deze gebeurtenis bij hem opriep en hoe hij, mede gelet op de traumatische aard van de gestelde verkrachting, vervolgens tot acceptatie en plezier in seksuele relaties met mannen is gekomen. Dat mocht juist gezien zijn gestelde traumatische ervaringen wel van eiser worden verwacht. Verder heeft de minister bij zijn standpunt mogen betrekken dat de verklaringen van eiser over de tijdlijn van zijn seksuele gewaarwording niet kloppen. Eiser heeft enerzijds verklaard dat hij op zijn negentiende/twintigste tijdens zijn verblijf op de kostschool ontdekte dat hij homoseksueel is. Anderzijds heeft eiser verklaard dat hij tussen 2004 en 2010 op die school verbleef en daarna niet meer naar school is geweest. Nu eiser in 2010 achttien/negentien jaar oud was, heeft de minister deze verklaringen tegenstrijdig mogen vinden. Eiser heeft voor deze tegenstrijdigheid ook geen afdoende verklaring gegeven. 6.3. Ten slotte heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat eiser ongerijmd heeft verklaard over de gestelde betrapping van hem en [persoon1] door zijn buurvrouw in Nigeria. Eiser heeft verklaard dat hij zich ervan bewust is dat homoseksualiteit verboden is in Nigeria en dat zijn buurvrouw zowel gesprekken in zijn woning kon horen als kon zien wat zich daar afspeelde. Tegen die achtergrond heeft de minister kunnen stellen dat niet valt in te zien dat eiser desondanks [persoon1] mee naar zijn woning zou nemen. Daar komt bij dat eiser tijdens zijn procedure als derdelander uit Oekraïne bij aankomst in Nederland heeft verklaard dat hij samen met [persoon1] is gevlucht, terwijl hij in de onderhavige asielprocedure heeft verklaard dat [persoon1] is gedood en dat alleen eiser wist te ontkomen. De door eiser gegeven verklaring dat het in Afrika gebruikelijk is om in meervoudsvorm te spreken en dat eiser vanwege dit cultuurverschil op dit punt in de wij-vorm heeft gesproken, acht de rechtbank niet aannemelijk en onvoldoende om deze tegenstrijdigheid weg te nemen. 6.4. Gelet op de voorgaande overwegingen heeft de minister zich naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de verklaringen van eiser over de problemen met de mensensmokkelaar en zijn homoseksualiteit en de daaruit voortvloeiende problemen ongeloofwaardig zijn. Het beroep slaagt niet. Conclusie en gevolgen 7. De minister heeft de asielaanvraag van eiser terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Tank, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 15 mei 2026 Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Vreemdelingenwet 2000. Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw. De rechtbank verwijst hiervoor naar ECLI:NL:RVS:2020:341. Zie pagina 6 van het rapport nader gehoor. Zie pagina 5 van het rapport nader gehoor. Zie pagina 5 van het rapport nader gehoor. Zie pagina 28 van het rapport nader gehoor. Zie pagina’s 10 en 30 van het rapport nader gehoor.