← alle zaken
Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:16863

Rechtbank Den Haag · 2026-06-05 · Eerste aanleg - enkelvoudig

Zaaknummer
NL25.58063-V
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
ja
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
6.837 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Verzet uitspraak. Deze uitspraak gaat over de beroepen die geopposeerden hebben ingediend, omdat opposant volgens hem niet op tijd heeft beslist op hun aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (de aanvragen). Bij uitspraak van 27 januari 2026 heeft deze rechtbank en zittingsplaats de beroepen van geopposeerden gegrond verklaard en aan opposant een nadere beslistermijn van acht weken opgelegd. Opposant is tegen deze uitspraak in verzet gegaan. Verzet: de rechtbank heeft niet alle stukken meegenomen in de beoordeling. Beroep: eiser heeft het land verlaten (geen procesbelang), eiseres is overleden. Dictum: Verzet gegrond/ beroep niet-ontvankelijk

Materiële kern

Uitspraak verzet en beroep RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.58059-V, NL25.58063-V, NL25.58059 en NL25.58063 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen de minister van Asiel en Migratie , opposant/de minister, (gemachtigde: F.P. Dalhuizen), en [opposant/eiser1] , met V-nummer: [V-nummer] , [opposant/eiser2] , met V-nummer: [V-nummer] , geopposeerden/eisers, (gemachtigde: mr. M.O. Wattilete). Procesverloop Deze uitspraak gaat over de beroepen die geopposeerden hebben ingediend, omdat opposant volgens hem niet op tijd heeft beslist op hun aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (de aanvragen). Bij uitspraak van 27 januari 2026 heeft deze rechtbank en zittingsplaats de beroepen van geopposeerden gegrond verklaard en aan opposant een nadere beslistermijn van acht weken opgelegd.1 Opposant is tegen deze uitspraak in verzet gegaan. Opposant heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord. Overwegingen Ten aanzien van het verzet 1. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij op 27 januari 2026 uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van de Awb. 2. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank op 27 januari 2026 terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was. De rechtbank kijkt daarbij (nog) niet of geopposeerden gelijk hebben met hun beroepen. Dat gebeurt pas als de rechtbank tot het oordeel komt dat de uitspraak van de rechtbank van 27 januari 2026 niet juist was. 1. ECLI:NL:RBDHA:2026:9004. 3. De rechtbank vindt een zitting niet nodig en heeft partijen gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.2 Het verzet geregistreerd onder nummer NL25.58059-V 4. Volgens opposant is de uitspraak van de rechtbank van 27 januari 2026 niet juist, omdat in de beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep niet is betrokken dat meneer op 5 augustus 2025 vrijwillig is vertrokken en daarbij zijn asielaanvraag heeft ingetrokken. 5. De rechtbank volgt opposant in dit standpunt en is, aan de hand van wat opposant in het verzetschrift heeft aangevoerd, van oordeel dat niet valt uit te sluiten dat er een andere uitkomst zou zijn geweest als het vrijwillige vertrek van meneer wel was betrokken in de beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep. Het verzet geregistreerd onder nummer NL25.58063-V 6. Volgens opposant is de uitspraak van de rechtbank van 27 januari 2026 niet juist, omdat in de beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep niet is betrokken dat mevrouw op 1 februari 2025 is overleden. Deze informatie was bij de rechtbank niet bekend ten tijde van het behandelen van het beroep. 7. De rechtbank overweegt dat de toetsing in verzet van een uitspraak die is gedaan met toepassing van artikel 8:54 van de Awb dient te geschieden op basis van de in verzet beschikbare informatie, waartoe ook behoort informatie die eerst in die fase in het geding naar voren is gebracht. Dit betekent dat de rechtbank ook acht moet slaan op de eerst in verzet ingebrachte bewijsmiddelen. 8. In verzet heeft opposant aangevoerd dat mevrouw op 1 februari 2025 is overleden. Opposant heeft een kopie gestuurd uit het systeem waaruit blijkt dat zij is overleden. 9. De rechtbank is, gelet op de in verzet ingebrachte informatie, van oordeel dat ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep gegrond is. Het verzet wordt daarom gegrond verklaard, zodat de uitspraak waartegen verzet was gedaan vervalt en het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond. 10. Het verzet van opposant is daarom gegrond. Ten aanzien van de beroepen 11. Op grond van artikel 8:55, negende lid, van de Awb vervalt de uitspraak waartegen verzet is gedaan en wordt het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich bevond. De rechtbank is van oordeel dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de beroepszaak. De rechtbank doet daarom, op grond van artikel 8:55, tiende lid, van de Awb, niet alleen uitspraak op het verzet, maar ook op het beroep. Hierna wordt opposant als ‘de minister’ aangeduid. 2 Artikel 8:55, tiende lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 12. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.3 Het beroep geregistreerd onder nummer NL25.58059 13. Uit dossierinformatie blijkt dat eiser Nederland op 5 augustus 2025 vrijwillig heeft verlaten. Hierbij is aangegeven dat eiser zijn lopende asiel procedure intrekt. Aangezien er in dit geval voordat het beroep werd ingesteld geen lopende aanvraag meer was waarop niet tijdig kon worden beslist, is er geen sprake van een aanvraag waarop te laat is beslist. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Het beroep geregistreerd onder nummer NL25.58063 14. De rechtbank stelt vast dat eiseres op 1 februari 2025 is overleden. Gemachtigde van eiseres heeft na het overlijden op 26 november 2025 beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen. Niet kan worden vastgesteld dat de overledene nog enig belang heeft bij de voortzetting van het beroep. Dit brengt mee dat het procesbelang aan de beoordeling van het beroep is komen te ontvallen, zodat het ingestelde beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Conclusie en gevolgen 15. Het verzet is gegrond en de beroepen zijn niet-ontvankelijk. 16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb. Beslissing De rechtbank: In verzet: verklaart het verzet gegrond; verklaart de uitspraak van de rechtbank van 27 januari 2026 vervallen; In beroep: - verklaart de beroepen niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van M.H.G.P. Tober, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 05 juni 2026 Documentcode: [Documentcode] Bent u het niet eens met deze uitspraak? Tegen deze uitspraak kan geen rechtsmiddel worden aangewend, voor zover daarbij is beslist op het verzet. Als u het niet eens bent met deze uitspraak, voor zover daarbij is beslist op het beroep, dan kunt u hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. U moet dit doen binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.