ECLI:NL:RBDHA:2026:16619
Rechtbank Den Haag · 2026-06-18 · Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Dublin Duitsland, buiten zitting, medische omstandigheden, arrest C.K., beroep ongegrond
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL26.28953 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. Z.M. Alaca), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 22 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser heeft op 22 mei 2026 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting. Overwegingen 1. Eiser stelt de Guinese nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedag] 2007. Eiser heeft op 24 december 2025 een asielaanvraag ingediend in Nederland. 2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de verdere behandeling van de asielaanvraag van eiser. In dit artikel is bepaald dat een asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 16 mei 2017 in Duitsland een verzoek tot internationale bescherming heeft ingediend. Verder is uit het onderzoek gebleken dat eisers asielaanvraag in Duitsland op 5 september 2018 is afgewezen en aan hem een uitzetverbod ('Abschiebeverbot') is gegeven. Verweerder heeft op 9 februari 2026 een terugnameverzoek gestuurd naar de Duitse autoriteiten. Het terugnameverzoek is op 11 februari 2026 door Duitsland aanvaard. 3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert daartoe aan dat hij bij overdracht vreest voor een reëel risico op een aanzienlijke onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand. Ter onderbouwing heeft eiser zijn medisch dossier overgelegd. Eiser verwijst hierbij naar het arrest C.K. Verweerder heeft tijdens de besluitvorming dit niet beoordeeld omdat het medisch dossier ontbrak. Hiermee ontbreekt de motivering of de overdracht van eiser verantwoord is. Verweerder had volgens eiser daarom een medisch onderzoek moeten opstarten alvorens te besluiten zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen. De rechtbank oordeelt als volgt 4. Niet in is geschil dat ten aanzien van Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. 5. Uit het arrest C.K. volgt dat het aan eiser is om met medische stukken aan te tonen dat zijn overdracht een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn medische situatie inhoudt. Het is dus aan eiser om met objectieve gegevens de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aan te tonen. 6. Met de overgelegde medische stukken heeft eiser onvoldoende aangetoond dat zijn medische situatie aanzienlijk en onomkeerbaar zal verslechteren als gevolg van de overdracht. Ook zijn er geen aanwijzingen dat Nederland het meest aangewezen land is voor behandeling. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat Duitsland voor eiser niet dezelfde of geen adequate medische behandelmogelijkheden heeft als Nederland. Verweerder mag er daarom vanuit gaan dat eiser in Duitsland een vergelijkbare medische behandeling kan krijgen. 7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan op 18 juni 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl De uitspraak is bekendgemaakt op: Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Verordening (EU) nr. 604/2014. HvJEU 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127, in de zaak C.K. tegen Slovenië. Dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 30 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3480.