← alle zaken
Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:16379

Rechtbank Den Haag · 2026-06-16 · Eerste aanleg - enkelvoudig

Zaaknummer
NL26.30816
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
8.985 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Dublin Duitsland – buiten zitting – interstatelijk vertrouwensbeginsel – AIDA-rapport 2024 – Tarakhel – C.K. – medische omstandigheden – artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening – beroep ongegrond.

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL26.30816 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer] , (gemachtigde: mr. S.H. van Wingerden), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder. Procesverloop Bij het besluit van 2 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb uitspraak zonder zitting. Beoordeling door de rechtbank 1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1993 en de Azerbeidzjaanse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 31 maart 2026 een asielaanvraag in Nederland ingediend. 2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 9 juni 2025 in Duitsland al een asielaanvraag heeft ingediend. Verweerder heeft daarom op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening de Duitse autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen. De Duitse autoriteiten hebben het verzoek op 17 april 2026 aanvaard. 3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartegen aan dat ten aanzien van Duitsland niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. In dit kader verwijst eiser naar het AIDA rapport van 2024. Volgens eiser heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat Duitsland zijn internationale verplichtingen naleeft. Ook heeft verweerder onvoldoende onderzocht of eiser bij terugkeer daadwerkelijk toegang zal hebben tot een effectieve asielprocedure, rechtsbijstand en medische zorg. Verder vreest eiser voor indirect refoulement, mede gelet op de afwijzing van zijn eerdere asielaanvraag in Duitsland. Volgens eiser heeft verweerder daarnaast onvoldoende rekening gehouden met zijn medische situatie en ten onrechte geen aanleiding gezien om hem als bijzonder kwetsbaar aan te merken of aanvullende garanties te vragen aan de Duitse autoriteiten. Tot slot stelt eiser dat verweerder, gelet op zijn individuele omstandigheden, toepassing had moeten geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening en de behandeling van zijn asielaanvraag aan zich had moeten trekken. De rechtbank oordeelt als volgt. 4. In beginsel mag verweerder ten opzichte van Duitsland, dat evenals Nederland partij is bij het EVRM en het Vluchtelingenverdrag, uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit is reeds bevestigd in de uitspraken van de Afdeling van 25 januari 2024, 6 mei 2024 en 14 februari 2025. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat in zijn geval van dit uitgangspunt moet worden afgeweken. Verweerder heeft terecht overwogen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn overdracht aan Duitsland zal leiden tot een schending van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. De omstandigheid dat eiser tijdens zijn eerdere asielprocedure in Duitsland niet werd bijgestaan door een advocaat, maakt niet dat sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen. Uit de Procedurerichtlijn kan namelijk niet worden afgeleid dat iedere vreemdeling een onvoorwaardelijk recht heeft op kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging gedurende de gehele asielprocedure. Dat uit het AIDA rapport volgt dat kosteloze rechtsbijstand in Duitsland niet in alle gevallen beschikbaar is, leidt daarom ook niet tot het oordeel dat Duitsland zijn verplichtingen uit de Procedurerichtlijn niet nakomt. 5. Ook anderszins is niet gebleken van ernstige, structurele tekortkomingen in het asielsysteem of de opvangvoorzieningen in Duitsland. Daarnaast volgt uit het arrest van het Hof van 30 november 2023 en de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2024 dat in de Dublinprocedure geen ruimte bestaat voor toetsing van het risico op (indirect) refoulement. Daarbij komt dat de Duitse autoriteiten met de aanvaarding van het terugnameverzoek hebben gegarandeerd eisers asielaanvraag in behandeling te nemen met inachtneming van de verplichtingen die voortvloeien uit de Europese asielrichtlijnen en internationale verdragen. Indien eiser in Duitsland toch wordt geconfronteerd met tekortkomingen bij de behandeling van zijn asielaanvraag, in de opvang of anderszins, kan hij hierover klagen bij de Duitse (hogere) autoriteiten. Niet is gebleken dat dat voor eiser niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is. 6. Uit het arrest C.K. volgt dat het aan eiser is om met medische stukken aannemelijk te maken dat zijn overdracht leidt tot een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand. Eiser is hierin niet geslaagd. Daarbij is van belang dat uit de overgelegde stukken bij de zienswijze weliswaar volgt dat sprake is van medische klachten, maar dat deze stukken geen inzicht geven in de aard, ernst en specialistische behandeling van die klachten. Daaruit blijkt ook niet dat overdracht aan Duitsland zal leiden tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand. 7. Eiser heeft bovendien niet onderbouwd dat Nederland het meest geschikte land is om hem te behandelen of dat de medische behandeling die hij stelt nodig te hebben niet in Duitsland aanwezig en toegankelijk is. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag worden uitgegaan dat de medische voorzieningen in Duitsland vergelijkbaar zijn met de medische voorzieningen in Nederland en dat deze voorzieningen ook ter beschikking staan van eiser als Dublinclaimant. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat overdracht aan Duitsland zal leiden tot een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn medische situatie. Van een situatie als bedoeld in het arrest C.K. is daarom niet gebleken. 8. Op grond van het Tarakhel-arrest dient verweerder, in het geval van bijzondere kwetsbaarheid van een vreemdeling, om individuele garanties te vragen voordat verweerder de vreemdeling overdraagt. Het is aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat sprake is van bijzondere kwetsbaarheid. Eiser is hier niet in geslaagd, nu onvoldoende is gebleken dat er in het geval van eiser sprake is van bijzondere kwetsbaarheid als bedoeld in het Tarakhel-arrest. Eiser heeft niet met concrete en objectieve stukken aannemelijk gemaakt dat hij zonder het verkrijgen van aanvullende garanties, geen toegang zal hebben tot adequate zorg- en opvangvoorzieningen in Duitsland. Daarnaast heeft verweerder in het bestreden besluit vermeld dat op grond van artikel 32 van de Dublinverordening, waar nodig en met toestemming van eiser, de relevante medische gegevens van eiser worden doorgegeven vóór overdracht. Onder deze omstandigheden bestaan geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder voorafgaand aan de overdracht aanvullende individuele garanties had moeten verkrijgen. 9. In wat eiser heeft aangevoerd heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om de aanvraag onverplicht aan zich te trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Eiser heeft verder geen bijzondere, individuele omstandigheden aangevoerd, anders dan de omstandigheden die reeds zijn betrokken, die maken dat overdracht aan Duitsland van onevenredige hardheid getuigt. 10. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser terecht niet in behandeling genomen. Het beroep is ongegrond. 11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan op 16 juni 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Algemene wet bestuursrecht. Verordening (EU) nr. 604/2013. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. ECLI:NL:RVS:2024:292. ECLI:NL:RVS:2024:1902. ECLI:NL:RVS:2025:588. Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Hof van Justitie van de Europese Unie. ECLI:EU:C:2023:934. ECLI:NL:RVS:2024:2359. Arrest van het Hof van 16 februari 2017 in de zaak C.K. tegen Slovenië, ECLI:EU:C:2017:127. Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 4 november 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712.