ECLI:NL:RBDHA:2026:16266
Rechtbank Den Haag · 2026-06-17 · Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Asiel - voldoende rekening gehouden met het referentiekader - biseksuele gerichtheid en slachtoffer van mensenhandel en seksueel misbruik is niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht - geen vrees voorvervolging dan wel een reëel risico op ernstige schade - beroep ongegrond.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL26.7881 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam] , eiser, geboren op [geboortedatum] , van Nigeriaanse nationaliteit, V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. T. Bruinsma), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. P. Boelhouwer). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt het beroep. De rechtbank komt tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Eiser krijgt daarom geen gelijk en het beroep is ongegrond. Procesverloop 2. Eiser heeft eerder, namelijk op 2 oktober 2020, een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 6 september 2022 afgewezen als kennelijk ongegrond. Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 23 oktober 2023 is het daartegen door eiser ingestelde beroep ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 1 februari 2024 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) is het hoger beroep tegen deze uitspraak ongegrond verklaard. Daarmee staat dat besluit in rechte vast. 2.1. Op 30 september 2024 heeft eiser een opvolgende asielaanvraag ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 5 februari 2026 afgewezen als kennelijk ongegrond. Het reeds opgelegde terugkeerbesluit geldt nog steeds. Tevens is aan eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar. 2.2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Hierop volgt afzonderlijk een uitspraak. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2026, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Ook is er een tolk verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten. Beoordeling door de rechtbank 3. Eiser legt aan zijn opvolgende asielaanvraag ten grondslag zijn biseksuele gerichtheid en dat hij slachtoffer is van mensenhandel en in [land] seksueel is misbruikt. Het bestreden besluit 4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven: Identiteit, nationaliteit en herkomst; Biseksuele gerichtheid; Slachtoffer van mensenhandel en seksueel misbruik. 4.1. De minister vindt het eerste asielmotief geloofwaardig. Het tweede en derde asielmotief vindt de minister niet geloofwaardig. De minister vindt dat eisers verklaringen over dit asielmotief geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De minister vindt dat eiser geen vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Hij vindt ook dat eiser bij terugkeer naar Nigeria geen reëel risico op ernstige schade loopt. De minister wijst de aanvraag af als kennelijk ongegrond. Standpunt eiser 5. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn referentiekader. De culturele achtergrond van eiser is niet vermeld. Eiser vindt het moeilijk om over zijn intieme gevoelens en zijn biseksuele geaardheid te praten en dat heeft te maken met zijn culturele achtergrond. Verder voert eiser aan dat de minister hem op basis van de samenwerkingsverplichting aanvullend had moeten horen. Hij heeft namelijk bij de zienswijze stukken overgelegd om zijn asielmotief, te weten slachtoffer van mensenhandel en seksueel misbruik, te onderbouwen. Met de foto’s en screenshots van het chatgesprek heeft eiser in ieder geval een begin van bewijs geleverd voor zijn vrees voor mensenhandelaren. Referentiekader 6. De rechtbank overweegt dat in Werkinstructie 2019/17 staat dat de minister rekening moet houden met het referentiekader van de vreemdeling. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 25 februari 2026 geoordeeld dat het referentiekader van de vreemdeling, waaronder diens culturele achtergrond, kenbaar betrokken moet worden in de besluitvorming. De rechtbank is van oordeel dat de minister bij de beoordeling van de verklaringen van eiser voldoende rekening heeft gehouden met zijn referentiekader. Gelet op eisers referentiekader, waaronder het feit dat hij de middelbare school heeft gevolgd tot zijn veertiende levensjaar en dat hij Engels en Nederlands spreekt, mocht de minister van eiser verwachten dat hij specifieker, gedetailleerder en diepgaander verklaart over zijn seksuele gerichtheid. Hoewel in de besluitvorming de culturele achtergrond van eiser niet is vermeld, heeft de gemachtigde van de minister op de zitting naar voren gebracht dat eiser antwoord heeft gegeven op de aan hem gestelde vragen en dat niet is onderbouwd dat hij vanwege het referentiekader niet heeft kunnen verklaren. Zo heeft de gehoormedewerker tijdens het gehoor doorgevraagd over eisers verklaringen over zijn seksuele gerichtheid, zijn gevoelens en acceptatie en daarbij om verduidelijking gevraagd om duidelijke antwoorden te krijgen. De rechtbank leest deze werkwijze ook terug in het rapport van het gehoor. Daardoor is tijdens het gehoor voldoende rekening gehouden met het referentiekader van eiser. Dat het voor eiser vanwege zijn culturele achtergrond moeilijk is om over zijn biseksuele gerichtheid te praten, heeft hij niet nader onderbouwd. Eiser heeft verder niet geconcretiseerd en onderbouwd waarom de minister zijn antwoorden op de vragen die aan hem tijdens het gehoor zijn gesteld niet goed heeft kunnen beoordelen. Biseksuele gerichtheid 7. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers biseksuele gerichtheid niet geloofwaardig is. In het bestreden besluit, en in het voornemen van 24 oktober 2025, heeft de minister dat voldoende deugdelijk gemotiveerd. 7.1. De minister heeft daarbij aan eiser mogen tegenwerpen dat hij niet eerder heeft verklaard dat hij biseksueel is. De minister heeft de reden die eiser daarvoor heeft gegeven niet verschoonbaar hoeven vinden. Verder heeft minister mogen stellen dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over de acceptatie van zijn seksuele gerichtheid. Daarbij heeft de minister mogen stellen dat eiser met zijn verklaringen te kennen heeft gegeven twijfels te hebben bij de door hem gestelde seksuele gerichtheid. Daarnaast heeft de minister mogen stellen dat eiser oppervlakkig en summier heeft verklaard over de door hem gestelde gevoelens met betrekking tot zijn seksuele gerichtheid. Hij heeft daarbij van belang mogen vinden dat eiser, wanneer hij spreekt over de gevoelens die hij ervaart met betrekking tot zijn seksuele gerichtheid, oppervlakkig blijft. In dit verband heeft de minister mee mogen wegen dat eiser heeft nagelaten inzage te geven in welke gevoelens hij heeft ervaren en hoe deze gevoelens tot de acceptatie van zijn seksuele gerichtheid hebben geleid. Eiser heeft hiertegen in beroep niets aangevoerd. Slachtoffer van mensenhandel en seksueel misbruik 8. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de verklaringen van eiser over dat hij slachtoffer is van mensenhandel en in [land] seksueel is misbruikt, niet geloofwaardig zijn. De minister heeft dit in het bestreden besluit, en in het voornemen, voldoende deugdelijk gemotiveerd. 8.1. De minister heeft bij zijn standpunt mogen betrekken dat eiser tijdens het gehoor opvolgende aanvraag anders heeft verklaard over de aanleiding en wijze over zijn vertrek uit Nigeria. Daarbij heeft de minister mee mogen wegen dat eiser tijdens zijn eerste procedure nergens melding heeft gemaakt van vrees voor mensenhandelaren en/of seksueel misbruik en dat hij hiervoor geen verschoonbare reden heeft gegeven. Verder heeft de minister kunnen stellen dat uit de overgelegde foto’s van verwondingen en een screenshot van een chatgesprek niet blijkt dat het gestelde netwerk van mensenhandelaren verantwoordelijk zijn voor de verwondingen van de vrouw op de foto. Daarbij heeft de minister mogen stellen dat niet duidelijk is gemaakt wat eiser met het chatgesprek wil aantonen. Dat eiser stelt dat hij met de overgelegde stukken een begin van bewijs heeft geleverd en dat de minister hem daarover aanvullend had moeten horen, heeft de minister niet hoeven volgen. Op de zitting heeft de gemachtigde van de minister gesteld dat nader onderzoek niet nodig is, omdat uit de stukken niet duidelijk blijkt of deze zien op het relaas van eiser. Daar komt bij dat eiser op de zitting heeft gezegd dat hij niet weet waarom hij in de zienswijze niet heeft aangegeven waar de stukken op zien. Zoals de gemachtigde van de minister op de zitting heeft gesteld, is het aan eiser om zijn relaas aannemelijk te maken. Dat heeft eiser niet gedaan. Vrees voor vervolging/reëel risico op ernstige schade 9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte en afdoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat uit de verklaringen van eiser niet blijkt dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft. Daarbij heeft de minister kunnen stellen dat de omstandigheid dat eiser uit Nigeria komt op zichzelf niet voldoende is om als vluchteling te kunnen worden aangemerkt. Hij heeft hierbij mee mogen wegen dat niet is gebleken dat eiser heeft te vrezen voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. De minister heeft verder naar het oordeel van de rechtbank mogen stellen dat eiser bij terugkeer naar Nigeria geen reëel risico loopt op ernstige schade. Dat eiser op de zitting stelt dat hij nog steeds te vrezen heeft voor de mensenhandelaren, heeft de minister niet hoeven volgen. Eiser heeft zijn stelling niet nader onderbouwd dan wel geconcretiseerd. Inreisverbod 10. Eiser heeft geen zelfstandige beroepsgronden gericht tegen het aan hem opgelegde inreisverbod voor de duur van twee jaar, zodat dit ook niet hoeft te worden besproken. Conclusie en gevolgen 11. De minister heeft de aanvraag mogen afwijzen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen asielvergunning krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Ruiter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Zaaknummer NL22.19922. Zaaknummer 202307099/1/V2. Op grond van artikel 31, eerste lid, en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw. Op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Zaaknummer NL26.7882. Artikel 31, zesde lid onder c, van de Vw. Werkinstructie 2019/17 Horen en beslissen in zaken waarin lhbti-gerichtheid als asielmotief is aangevoerd. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1012. Zie bijvoorbeeld pagina’s 6-11 en 12-15 van het rapport gehoor opvolgende aanvraag. Dit volgt uit artikel 31, eerste lid, van de Vw.