← alle zaken
Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:16261

Rechtbank Den Haag · 2026-06-16 · Eerste aanleg - enkelvoudig

Zaaknummer
NL25.59073
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
11.067 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de asielaanvraag op goede gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eiser heeft namelijk nog steeds internationale bescherming in Zweden. Ook het beroep op artikel 3 EVRM slaagt niet.

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: NL25.59073 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser (gemachtigde: mr. M.R. van der Pol), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. P.M.W. Jans). Samenvatting 1.1 Deze uitspraak gaat over het niet-ontvankelijk verklaren van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, Vw . Eiser is het niet eens met de afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. 1.2 De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de asielaanvraag op goede gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eiser heeft namelijk nog steeds internationale bescherming in Zweden. Ook het beroep op artikel 3 EVRM slaagt niet. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2.1 Eiser heeft op 18 augustus 2025 en aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 1 december 2025 deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard. 2.2 Eiser heeft op 2 december 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.3 De rechtbank heeft het beroep op 13 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen F. Kanaan. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Beoordeling door de rechtbank Het bestreden besluit 3.1 De minister heeft de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw, in samenhang met artikel 3.106a van het Vb , omdat Zweden hem reeds internationale bescherming heeft verleend. Uit Eurodac blijkt dat eiser sinds 16 december 2016 internationale bescherming heeft in Zweden. Omdat eiser in Zweden internationale bescherming heeft verkregen, is zijn band met Zweden sterker dan de band met Nederland. Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag ervan uit worden gegaan dat Zweden zijn internationale verplichtingen naleeft. Volgens de minister heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat ten aanzien van zijn medische situatie de zorg in Zweden tekort is geschoten. Ook is niet gebleken dat eiser geen toegang had tot de juiste medische voorzieningen. Verder heeft de minister eiser opgedragen zich onmiddellijk naar het grondgebied van Zweden te begeven. 3.2 Eiser heeft de juistheid van het standpunt van de minister gemotiveerd betwist. Op hetgeen in dat verband is aangevoerd zal hieronder – voor zover relevant – worden ingegaan. Heeft de minister terecht aangenomen dat eiser nog steeds internationale bescherming heeft in Zweden? 4.1 Volgens de minister blijkt uit recente onderzoeksresultaten uit het Eurodac-systeem van 18 augustus 2025 dat de internationale beschermingsstatus van eiser nog steeds geldig is. Dat het door eiser overgelegde verblijfsdocument is verlopen, wil volgens de minister niet zeggen dat daarmee ook de beschermingsstatus niet meer geldig is. Als de beschermingsstatus van eiser zou zijn komen te vervallen of zou zijn ingetrokken, zou dat zichtbaar moeten zijn in het Eurodac-systeem. Dat is niet het geval. Uit een uitspraak van de Afdeling van 1 november 2023 blijkt volgens de minister dat het aan de vreemdeling is om aan te tonen dat de beschermingsstatus wél is ingetrokken. 4.2 Eiser stelt dat er niet zondermeer vanuit gegaan kan worden dat hij nog steeds internationale bescherming heeft in Zweden. De minister gaat er ten onrechte aan voorbij dat eiser zijn verplichtingen als Zweeds statushouder niet is nagekomen en zijn verblijfsdocument per 18 december 2024 is verlopen. Volgens eiser had de minister dan ook op grond van zijn onderzoeksverplichting, eenvoudig navraag kunnen en moeten doen bij de Zweedse immigratiedienst. De minister kan volgens eiser niet alleen uitgaan van de informatie uit het Eurodac-systeem. 4.3 Gelet op vaste rechtspraak van de Afdeling mag de minister in beginsel afgaan op informatie van een andere lidstaat, zoals een Eurodac-resultaat. Daarvoor is van belang dat het tijdsverloop sinds het onderzoek in het Eurodac-systeem beperkt is. Verder moet uit de informatie duidelijk worden wat de verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling bij terugkeer is. Indien het resultaat uit het Eurodac-onderzoek onvoldoende recent is of onvoldoende verblijfsrechtelijke informatie over de vreemdeling bevat, dient de minister nader onderzoek te doen naar de vraag of de vreemdeling nog steeds over een door de desbetreffende lidstaat afgegeven geldige verblijfsvergunning of een andere toestemming tot verblijf beschikt. Verder volgt uit de rechtspraak van de Afdeling dat een vreemdeling, ook al is zijn verblijfstitel verlopen, internationale bescherming geniet zolang de aan hem verleende verblijfsstatus niet is ingetrokken. 4.4 Naar het oordeel van de rechtbank is de informatie uit Eurodac, waarop het bestreden besluit is gebaseerd, voldoende actueel en duidelijk. Er was dus voor de minister geen aanleiding om nader onderzoek in te stellen naar de verblijfsstatus van eiser. Dat eiser stelt dat zijn verblijfsdocument is verlopen, brengt niet met zich mee dat eiser in Zweden niet langer de aan hem verleende internationale bescherming geniet. Dit volgt ook uit de informatie uit Eurodac. Daarin is namelijk geen beëindigingsdatum van internationale bescherming door Zweden geregistreerd. Heeft de minister terecht vastgesteld dat de band van eiser met Zweden sterker is dan zijn band met Nederland? 5.1 Op grond van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw kan een asielaanvraag niet-ontvankelijk worden verklaard wanneer de vreemdeling in een andere lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming geniet. De voorwaarden hiervoor zijn nader uitgewerkt in artikel 3.106a van het Vb. Daarin staat dat een aanvraag alleen niet-ontvankelijk wordt verklaard wanneer, kortgezegd, de vreemdeling in die andere lidstaat is gevrijwaard van vervolging, ernstige schade en refoulement (lid 1) en wanneer de vreemdeling een zodanige band heeft met die andere lidstaat dat het voor hem redelijk zou zijn naar dat land te gaan (lid 2). Bij de beoordeling of sprake is van een dergelijke band worden alle relevante feiten en omstandigheden betrokken (lid 3). Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is alleen al omdat een vreemdeling in een lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming geniet, sprake van de hiervoor bedoelde band. 5.2 Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister terecht op grond van de informatie uit Eurodac gesteld dat eiser sinds 16 december 2016 internationale bescherming heeft in Zweden. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de beschermingsstatus in Zweden niet meer geldig is. Dit betekent dat aangenomen kan worden eiser een zodanige band heeft met Zweden dat het voor hem redelijk is om naar dat land te gaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister hierbij terecht betrokken dat eiser zes à zeven jaar in Zweden heeft gewoond, in Zweden onderwijs heeft gevolgd, de Zweedse taal heeft geleerd en een sociaal netwerk heeft opgebouwd. Eiser heeft voornoemde niet betwist. Gelet op het vorenstaande heeft de minister niet ten onrechte overwogen dat aangenomen mag worden dat eiser een sterkere band heeft met Zweden dan zijn band met Nederland. Is er sprake van een schending van artikel 3 EVRM? 6.1 De minister stelt zich op het standpunt dat personen die in het bezit zijn van een Zweedse verblijfsvergunning dezelfde toegang hebben tot medische zorg als ingezetenen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat ten aanzien van zijn medische situatie de zorg in Zweden tekort is geschoten. Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, kan er volgens de minister vanuit worden gegaan dat er in Zweden behandelmogelijkheden zijn die vergelijkbaar zijn met het niveau daarvan in Nederland. 6.2 Eiser is van mening dat de minister in het bestreden ten onrechte uit is gegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Zweden. Eiser stelt dat zijn mensenrechten in Zweden zijn geschonden, doordat zijn ziektebeeld MS op instructie van de Zweedse autoriteiten niet als zodanig werd erkend. Dit heeft ertoe geleid dat hij in Zweden geen verblijfsrecht voor onbepaalde tijd heeft en ook geen rechts had op een arbeidsongeschiktheids- of invaliditeitsuitkering. 6.3 De Afdeling heeft in haar uitspraak van 14 oktober 2024 bevestigd dat de minister ten aanzien van Zweden in zijn algemeenheid uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken Zweden dit tegenover hem niet doet en hij bij terugkeer een reëel risico loopt op een benadeling in strijd met artikel 3 EVRM. 6.4 Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister ten aanzien van eisers medische situatie terecht overwogen dat eiser niet heeft onderbouwd dat de medische zorg in Zweden tekort is geschoten. Eisers standpunt dat terugkeer naar Zweden betekent dat hij schade oploopt in de zin van artikel 3 EVRM slaagt daarom niet. Eiser heeft niet met stukken onderbouwd dat Zweden niet in staat of bereid is de benodigde medische zorg te verlenen. Ook anderszins is niet gebleken dat Zweden zich ten opzichte van eiser niet aan haar internationale verplichtingen zou houden. Heeft de minister terecht niet aan artikel 64 Vw getoetst? 7.2 De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht op grond van artikel 6.1e, tweede lid, Vb heeft overwogen dat er niet ambtshalve aan artikel 64 Vw wordt getoetst, in geval de asielaanvraag op grond van artikel 30a Vw wordt afgewezen. Nu de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk is verklaard op grond van artikel 30a Vw, wordt er derhalve niet toegekomen aan de toetsing van artikel 64 Vw. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M. Weeda, rechter, in aanwezigheid van M.J. Kambeel, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Vreemdelingenwet 2000. Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Vreemdelingenbesluit 2000. Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 1 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3967, r.o. 4.14-4.15. Uitspraak van de Afdeling van 1 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2441. Zie de uitspraken van de Afdeling van 9 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1253 en 7 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:669. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Uitspraak van de Afdeling van 14 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4133.