← alle zaken
Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:15597

Rechtbank Den Haag · 2026-05-04 · Eerste aanleg - enkelvoudig

Zaaknummer
NL26.7826 en NL26.7827
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
17.535 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Asiel Algerije. Eiser is er niet in geslaagd om met documenten aannemelijk te maken dat zijn ooms machtig zijn in Algerije. Ook heeft hij niet met stukken aannemelijk gemaakt dat hij in België een minderjarige zoon heeft. De minister heeft de problemen van eisers met zijn familie ongeloofwaardig mogen achten, nu eiser er zowel in de gehoren als op zitting niet in is geslaagd om concreet te maken waaruit de bedreigingen door zijn familie in en vanuit Algerije bestaan. De rechtbank volgt ook het standpunt van eiser niet dat het onjuist is om aan hem tegen te werpen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard ten opzichte van de verklaringen in zijn eerste asielprocedure. De minister heeft op de zitting een aanvullend terugkeerbesluit genomen dat niet op schrift is gesteld. De rechtbank acht dit onvoldoende. Daarmee is er sprake van een motiveringsgebrek. Het beroep is gegrond.

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummers: NL26.7826 (beroep) NL26.7827 (voorlopige voorziening) V-nummer: [v-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer en voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser], geboren op [geboortedag] 1992, van Algerijnse nationaliteit, alias [naam], geboren op [geboortedag] 1992, van Marokkaanse nationaliteit, eiser/verzoeker, hierna te noemen: eiser, (gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg), en de minister van Asiel en Migratie, de minister, (gemachtigde: mr. A.K. Menschaart). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep tegen de afwijzing van eisers herhaalde asielaanvraag en zijn verzoek om een voorlopige voorziening. Eiser heeft op 31 januari 2026 een herhaalde aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 11 februari 2026 de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond . 1.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist. 1.2. De rechtbank heeft het beroep op 20 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, dhr. A. Akachar als tolk in de Arabisch-Marokkaanse taal en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt het beroep en het verzoek van eiser aan de hand van de gronden die hij heeft aangevoerd. 2.1. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en wijst het verzoek voor het treffen van een voorlopige voorziening af. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De eerste asielaanvraag 3. Eiser heeft op 21 oktober 2024 voor het eerst asiel aangevraagd. Eiser heeft hieraan ten grondslag gelegd dat hij [naam] is, geboren op [geboortedag] 1992 en dat hij de Marokkaanse nationaliteit heeft. Eiser heeft verklaard dat zijn vader is veroordeeld voor een gevangenisstraf en dat hij dacht dat zijn vader tegen hem heeft gezegd dat hij uit Marokko moest vertrekken. Verder stelt eiser problemen te hebben gehad met de Marokkaanse autoriteiten vanwege fouilleren. De minister heeft deze aanvraag op 2 december 2024 afgewezen als kennelijk ongegrond. De minister achtte de problemen van eiser in Marokko niet geloofwaardig, omdat eiser deze problemen niet met documenten heeft gestaafd en omdat eiser heeft verklaard dat hij nooit persoonlijk problemen heeft ondervonden in Marokko. Eiser heeft tegen dit besluit geen beroep ingediend, waarmee dit besluit in rechte vaststaat. Het asielrelaas in eisers huidige aanvraag 4. Eiser legt het volgende asielrelaas aan zijn huidige asielaanvraag ten grondslag. Eiser heeft verklaard [eiser] te zijn, geboren op [geboortedag] 1989 en dat hij de Algerijnse nationaliteit heeft. Eiser verklaart dat hij vreest voor zijn ouders en ooms, omdat eiser volgens hen de jihad dient uit te dragen en met zijn nicht had moeten trouwen. Wat zijn ooms betreft verklaart hij dat hij weet waartoe zij in staat zijn en wat hun machtspositie is. Eiser verklaart al vanaf kleins af aan te worden mishandeld door zijn ouders. Ook verklaart hij in 2024 een buitenechtelijk kind te hebben gekregen dat volgens hem maakt dat de bedreigingen sinds zijn komst naar Europa nog altijd door zijn blijven gaan. Eisers buurvrouw heeft hem geholpen door hem onderdak te verschaffen tot aan zijn vertrek in oktober 2019 uit Algerije. Bij terugkeer naar Algerije vreest eiser voor zijn familie. Het bestreden besluit 5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende elementen: zijn identiteit, nationaliteit en herkomst; de problemen met eisers familie. De minister acht eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig, maar de problemen met zijn familie niet. De minister acht deze problemen niet geloofwaardig, omdat eiser geen documenten heeft overgelegd dat zijn ooms machtig zijn en dat hij een buitenechtelijk kind heeft. Daarom heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de geboorte van zijn buitenechtelijke kind aanleiding was voor de bedreigingen vanuit Algerije door zijn familie. Ook heeft eiser volgens de minister niet aannemelijk gemaakt dat zijn familie machtig is en dat hij door hen is bedreigd. 5.1. Daarnaast stelt de minister zich op het standpunt dat de verklaringen van eiser tegenstrijdig zijn ten aanzien van de verklaringen die eiser heeft gedaan in zijn eerste asielaanvraag. Daarnaast heeft eiser in het gesprek met DT&V op 30 december 2025 verklaard dat hij weer naar huis wil gaan om zijn familie te zien. Dit staat volgens de minister haaks op zijn verklaringen dat hij problemen heeft met zijn vader en ooms. De minister stelt zich verder op het standpunt dat eiser de minister heeft misleid over zijn identiteit en nationaliteit, dat hij verklaringen heeft afgelegd die kunnen worden beoordeeld als kennelijk inconsequent en tegenstrijdig en dat eiser zijn herhaalde aanvraag enkel heeft ingediend om zijn uitzetting uit te stellen of te verijdelen. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag kennelijk ongegrond is. De beoordeling van de rechtbank Geloofwaardigheid 6. Eiser voert in beroep ten eerste aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers referentiekader niet relevant is. Volgens eiser is dit wel relevant, omdat beoordeeld dient te worden in hoeverre aan eiser kan worden tegengeworpen dat hij in zijn eerste asielprocedure niet de waarheid heeft gesproken. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat het onjuist is om aan hem tegen te werpen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard ten opzichte van de verklaringen in zijn eerste asielprocedure, omdat die verklaringen onjuist zijn en hij daarom nu de waarheid heeft verteld. De minister heeft ook ten onrechte bij de beoordeling meegewogen dat eiser heeft aangegeven te willen terugkeren naar Algerije. Hij heeft alleen verklaard zijn familie weer te willen zien in het kader van een mogelijke opheffing van de bewaringsmaatregel en die verklaring kan dan ook niet aan hem worden tegengeworpen. Daarnaast wordt het ontbreken van bewijsstukken eiser op een andere manier tegengeworpen, terwijl de minister dit punt uit het voornemen in het bestreden besluit heeft laten vallen. Eiser betwist daarnaast dat hij vaag heeft verklaard over zijn ooms en stelt zich op het standpunt dat hij gemotiveerd heeft aangevoerd dat hem niet kan worden tegengeworpen dat hij wisselend heeft verklaard en dat hij aannemelijk heeft verklaard over de bedreigingen van na zijn vertrek. 7. Ten aanzien van het referentiekader, overweegt de rechtbank dat de minister – in tegenstelling tot hetgeen eiser stelt – zich niet op het standpunt heeft gesteld dat het referentiekader niet relevant is. De minister heeft in het kader van het referentiekader overwogen dat eiser een volwassen man is met een afgerond baccalaureaat en twee jaar een master heeft gevolgd en voorts dat er naast het feit dat eiser astma heeft, er geen overige zaken zijn waarmee rekening dient te worden gehouden bij de besluitvorming ten aanzien van eisers gezondheid. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser niet heeft uitgelegd wat er nog bij het referentiekader had moeten worden betrokken. Ook heeft de minister zich niet ten onrechte op het strandpunt gesteld dat het asielrelaas van eiser geen concrete aanknopingspunten bevat waaruit volgt dat specifieke uit eisers persoonlijke achtergrond voortvloeiende verwachtingen van belang zijn voor de waardering van zijn verklaringen. Tegen deze achtergrond valt naar het oordeel van de rechtbank niet in te zien dat de minister uit zou zijn gegaan van een onvolledig en met WI 2024/6 strijdig referentiekader bij zijn oordeel dat de verklaring van eiser in de eerste asielprocedure aan hem kan worden tegengeworpen. De beroepsgrond slaagt niet. 7.1. Ten aanzien van de documenten, heeft de minister zich ook op het standpunt mogen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn ooms in Algerije machtig zijn en zijn vader en ooms streng gelovig zijn en dat hij om die reden wordt bedreigd. De minister had naar het oordeel van de rechtbank van eiser ook mogen verwachten dat hij een begin van bewijs had kunnen leveren over het feit dat zijn familie in Algerije machtig is om zo zijn asielrelaas te staven met documenten. Daarnaast heeft eiser niet met documenten aannemelijk gemaakt dat hij een buitenechtelijk kind in België heeft en dat hij ook om die reden door zijn familie uit Algerije wordt bedreigd. De beroepsgrond slaagt eveneens niet. 7.2. De rechtbank overweegt verder dat de minister eisers problemen met zijn familie in Algerije niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Daartoe overweegt de rechtbank dat eiser er zowel in de gehoren als op zitting niet in is geslaagd om concreet te maken waaruit de bedreigingen door zijn familie in en vanuit Algerije bestaan. Daarnaast heeft de minister alle verklaringen die eiser heeft afgelegd bij de beoordeling van eisers asielaanvraag mogen betrekken, dus ook de verklaring die eiser op 30 december 2025 heeft gegeven bij het gesprek met DT&V. Dat eiser stelt dat hij tijdens dit gesprek enkel heeft gezegd dat hij zijn familie graag weer wilde zien zodat zijn bewaringsmaatregel zou worden opgeheven, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders. De rechtbank volgt ook het standpunt van eiser niet dat het onjuist is om aan hem tegen te werpen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard ten opzichte van de verklaringen in zijn eerste asielprocedure, omdat die verklaringen onjuist zijn. De verklaringen van eiser in zijn eerste asielprocedure houden niet alleen een andere identiteit in, maar ook een geheel ander asielrelaas. Eiser is er niet in geslaagd om deze verklaringen in een ander daglicht te zetten in de zin dat hij een afdoende verklaring heeft gegeven voor de onjuistheid van al hetgeen hij destijds heeft verklaard. De enkele stelling dat de eerdere verklaringen onjuist zijn en afgelegd zijn om uitzetting naar Algerije te voorkomen, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende. De minister heeft de verklaringen van eiser in zijn huidige procedure dan ook tegenstrijdig mogen achten met de verklaringen van eiser in de eerste asielprocedure en daarmee de asielaanvraag mogen afwijzen als kennelijk ongegrond. Deze beroepsgrond slaagt ook niet. Terugkeerbesluit 8. De minister heeft in het bestreden besluit het terugkeerbesluit van 2 december 2024 dat in eisers eerste asielprocedure aan hem is uitgevaardigd, gehandhaafd. In dat besluit staat dat eiser dient terug te keren naar Marokko. De minister heeft zich op de zitting aanvullend op het standpunt gesteld dat eisers Algerijnse nationaliteit geloofwaardig is geacht en dat het terugkeerbesluit dient te worden aangevuld met Algerije, nu er sterke aanwijzingen zijn dat hij banden heeft met Algerije. 9. Eiser heeft zich daarop op het standpunt gesteld dat er sprake is van een motiveringsgebrek. De minister heeft niet inzichtelijk gemaakt wat er aan het terugkeerbesluit ten grondslag ligt en er had volgens eiser moeten worden getoetst aan artikel 3 van het EVRM . 10. De rechtbank stelt vast dat er door de minister geen aanvullend terugkeerbesluit is genomen. Ook stelt de rechtbank vast dat in de eerste asielprocedure ten aanzien van Marokko eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig is geacht en dat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst in deze asielprocedure die ziet op Algerije, eveneens door de minister geloofwaardig is geacht. 10.1. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling en uit de arresten FMS e.a., M. e.a . en TQ van het Hof van Justitie blijkt dat het voor de vreemdeling kenbaar moet zijn naar welk derde land hij zal worden verwijderd als het gaat om gedwongen terugkeer. Dan kan de vreemdeling namelijk eventuele belangen die aan terugkeer naar dat land in de weg staan zo goed mogelijk naar voren brengen en zal hij beter in staat zijn doeltreffende rechtsmiddelen tegen het terugkeerbesluit aan te wenden. In het geval dat de minister in zijn besluit geen land van terugkeer noemt of een ander land noemt dan het land waar de vreemdeling in de praktijk moet terugkeren, kan dat de belangen van de vreemdeling schaden. De uitleg van de jurisprudentie van het Hof van Justitie sluit ook niet uit dat er meerdere landen van terugkeer worden genoemd als voor de betrokken vreemdeling meer mogelijke landen in beeld zijn. Die situatie kan zich bijvoorbeeld voordoen als een vreemdeling aliassen heeft gebruikt of er concrete aanwijzingen zijn dat hij uit een ander land komt dan hij stelt. De minister kan het ten onrechte niet noemen van het land van terugkeer in een eerder besluit herstellen door alsnog een terugkeerbesluit te nemen waarin hij wel vermeldt naar welk land de vreemdeling moet terugkeren. Dat is met name relevant als hij de vreemdeling in bewaring wil stellen met het oog op gedwongen terugkeer of een inreisverbod wil opleggen. 10.2. De rechtbank acht een mondeling aanvullend terugkeerbesluit op zitting onvoldoende, omdat eiser hierdoor niet in staat is om een doeltreffend rechtsmiddel hiertegen aan te wenden. De rechtbank overweegt verder dat de kans bestaat dat het voor eiser op enig moment in deze procedure onduidelijk is geweest naar welk land hij moest terugkeren. Op 30 december 2025 is weliswaar een vertrekgesprek met eiser gevoerd over zijn terugkeer naar Algerije. Uit het bestreden besluit blijkt dat er voor eiser, voordat hij een asielaanvraag heeft ingediend, een laissez-passer is afgegeven door Algerije. Dit document bevindt zich niet in het rechtbankdossier. Er bevindt zich in het rechtbankdossier in het kader van een afgeronde Dublinprocedure wél een laissez-passer voor eiser die is afgegeven door de Marokkaanse autoriteiten die is aangevraagd door de Luxemburgse autoriteiten. Zeker nu eiser in bewaring is gesteld, acht de rechtbank het relevant dat het onmiskenbaar dient vast te staan naar welk(-e) land(-en) eiser kan worden uitgezet. De rechtbank kan daar in de huidige situatie niet vanuit gaan en daarom is er sprake van een motiveringsgebrek. De beroepsgrond slaagt. Conclusie en gevolgen 11. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, maar ziet aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Gelet op hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 7-7.1. heeft de minister voldoende gemotiveerd dat eisers asielaanvraag als kennelijk ongegrond mocht worden afgewezen. De rechtbank laat de rechtsgevolgen ten aanzien van de afwijzing van de herhaalde asielaanvraag van eiser dan ook in stand, maar vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op het terugkeerbesluit. 12. Omdat met deze uitspraak op het beroep is beslist, bestaat voor de gevraagde voorlopige voorziening geen aanleiding meer. Het verzoek hiertoe zal daarom worden afgewezen. 13. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandsverlener. Beslissing De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder NL26.7826: - verklaart het beroep gegrond; - laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit voor zover dat ziet op de afwijzing van eisers asielaanvraag in stand; - vernietigt het bestreden besluit voor zo ver dat ziet op het terugkeerbesluit. De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder NL26.7827: - wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. De rechtbank/voorzieningenrechter, in beide zaken: - veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.802,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Vegter, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. R. Hol, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek staat geen hoger beroep open. Op grond van artikel 30b, lid 1, onder c, e, f en g, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw). Dienst Terugkeer & Vertrek. Werkinstructie Europees verdrag voor de rechten van de mens en fundamentele vrijheden. Uitspraak van de Afdeling van 2 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1155. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. ECLI:EU:C:2020:367. ECLI:EU:C:2021:127. ECLI:EU:C:2021:9. Hof van Justitie van de Europese Unie. , ECLI:NL:RVS:2021:1155, r.o. 7.1., 8.1. en 9.1. Op grond van Verordening nr. 604/2013.