ECLI:NL:RBDHA:2026:15569
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum
- 2026-04-29
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Asiel Somalië, gegrond. Uitstel zienswijze. Integrale geloofwaardigheidsbeoordeling. Referentiekader bij horen. Verklaringen samenhangend en aannemelijk. Veiligheidssituatie Somalië: 15c in [plaats 1], Yaher stam, terugkeer door Al-Shabaab gebied.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL25.54276 V-nummer: [v-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , geboren op [geboortedag] 1998, van Somalische nationaliteit, hierna: eiser (gemachtigde: mr. M.A.C. de Vilder), en de minister van Asiel en Migratie, hierna: de minister (gemachtigde: mr. M. Hoppema). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 22 januari 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 30 oktober 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond. 1.1. De rechtbank heeft het beroep op 10 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A.H. Sharif als tolk in de taal Somali en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd. 3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het asielrelaas 4. Eiser heeft verklaard dat hij een buitenechtelijke relatie had met [persoon] en dat [persoon] zwanger is geworden van eiser. De ouders van [persoon] zijn achter de relatie gekomen en de vader van [persoon] heeft toen een klacht ingediend bij Al Shabaab. [persoon] heeft vervolgens aan eiser doorgegeven dat Al Shabaab opzoek is naar hem. Eiser heeft dit ook doorgekregen van een vriend die dat bij de moskee had gehoord. Dit is de reden dat eiser Somalië is ontvlucht. Hij vreest dat hij bij terugkeer naar Somalië vermoord zal worden door Al Shabaab of dat de autoriteiten achter zijn buitenechtelijke relatie zullen komen en hem een gevangenisstraf zullen opleggen. Het bestreden besluit 5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven: 1. Identiteit, nationaliteit en herkomst; 2. De problemen door een buitenechtelijke relatie. 5.1 De minister acht de nationaliteit en herkomst geloofwaardig, maar acht de identiteit niet geloofwaardig omdat eiser onvoldoende documenten heeft overgelegd en daarvoor geen goede reden heeft. De verklaring van eiser dat hij zijn identiteitsdocumenten onderweg is kwijtgeraakt, wordt door de minister niet gezien als een bevredigende verklaring. Bovendien is eiser sinds 7 januari 2024 in Nederland en had hij dus ruim de tijd om nieuwe identiteitsdocumenten aan te vragen. 5.2 De minister acht de problemen door een buitenechtelijke relatie ook niet geloofwaardig. Zijn verklaringen hierover vormen volgens de minister geen samenhangend en aannemelijk geheel. Eiser heeft volgens de minister wisselend verklaard over de relatie met [persoon] , omdat zijn verklaringen niet in een tijdslijn te passen zijn. Daarnaast heeft eiser het alleen van horen zeggen dat hij door Al Shabaab gezocht zou worden. Ook zijn de verklaringen van eiser over wat zijn vriend hem verteld zou hebben niet logisch. Het is volgens de minister bevreemdend dat de vriend van eiser in het telefoongesprek zomaar verteld dat [persoon] door haar vader gezocht werd. Eiser heeft immers zelf verklaard dat deze vriend niet wist van zijn relatie met [persoon] . Tevens heeft eiser wisselend verklaard over wat zijn vriend hem heeft verteld. Eiser verklaarde enerzijds dat zijn vriend gezien had dat de vader van [persoon] naar haar op zoek was. Anderzijds verklaarde hij dat zijn vriend dit gehoord had. Tot slot heeft eiser zelf verklaard dat hij niet over concrete aanwijzingen beschikt dat de Somalische autoriteiten naar hem opzoek zijn. Zienswijze 6. Eiser brengt allereerst naar voren dat de minister ten onrechte geen uitstel heeft verleend voor het indienen van de zienswijze. Eiser heeft hierdoor geen zienswijze kunnen indienen. 6.1. De rechtbank overweegt dat de minister ten onrechte geen uitstel heeft verleend. Het ging hier slechts om een termijnverlenging van twee dagen, omdat er geen tolk beschikbaar was. Uit het eigen beleid van de minister volgt dat bij het niet beschikbaar zijn van de tolk uitstel wordt verleend voor het indienen van de zienswijze tot vijf werkdagen na de eerstvolgende datum waarop een tolk in de gewenste taal beschikbaar is. Het bovenstaande klemt temeer nu de minister zelf tweeëntwintig maanden nodig heeft gehad om te beslissen op de asielaanvraag van eiser. Desalniettemin overweegt de rechtbank dat eiser door dit gebrek niet in zijn belangen is geschaad, omdat hij later in de procedure alsnog voldoende gelegenheid heeft gehad om zijn standpunten naar voren te brengen. Deze beroepsgrond slaagt dus niet. Integrale geloofwaardigheidsbeoordeling 7. Daarnaast stelt eiser dat werkinstructie 2024/6 in strijd is met het Unierecht en met jurisprudentie van het EHRM over artikel 3 van het EVRM . Volgens het Unierecht en volgens het EHRM is geen “volledige” onderbouwing met originele documenten vereist. Zowel uit het Unierecht als uit het EHRM volgt dat er een integrale beoordeling van alle bewijsmiddelen moet plaatsvinden en dat er in het kader van de bewijslastverdeling moet worden samengewerkt met de vreemdeling. In het verlengde hiervan stelt eiser dat zijn identiteit ten onrechte niet geloofwaardig is geacht, enkel omdat hij geen documenten heeft overgelegd. Eiser heeft aangegeven dat hij zijn papieren op zee tijdens de reis is kwijtgeraakt. Eiser kan ook niet bij de Somalische vertegenwoordiging een nieuw paspoort aanvragen, omdat de autoriteiten niet weten dat eiser is gevlucht. 7.1. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de toepassing van werkinstructie 2024/6 neergelegde geloofwaardigheidsbeoordeling in iedere asielzaak zonder meer leidt tot een met het Unierecht of het EVRM strijdige geloofwaardigheidsbeoordeling. Wel zijn er situaties denkbaar waarin de toepassing van deze werkinstructie in een concrete zaak kan leiden tot een geloofwaardigheidsbeoordeling die in strijd is met het Unierecht. Er zal per individuele zaak moeten worden beoordeeld of de verrichte geloofwaardigheidsbeoordeling in lijn is met het Unierecht. 7.2. De rechtbank is van oordeel dat de geloofwaardigheidsbeoordeling van eisers verklaringen over zijn problemen wegens de buitenechtelijke relatie in lijn is met de vereisten die volgen uit het Unierecht en het EVRM, aangezien de minister de relevante elementen in samenhang en op de juiste wijze heeft beoordeeld. Dit gezegd hebbende, is de rechtbank wel van oordeel dat de minister de identiteit van eiser niet zomaar ongeloofwaardig had kunnen achten enkel omdat eiser niet meer beschikt over identificerende documenten. Eiser heeft uitgelegd waarom hij geen documenten heeft en waarom hij deze niet opnieuw kan verkrijgen. Dat identiteitsdocumenten het uitgangspunt vormen bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de opgegeven identiteit, betekent niet dat de identiteit niet aannemelijk gemaakt kan worden als deze documenten ontbreken. Bovendien had het op de weg van de minister gelegen om hierbij te betrekken dat uit algemene landeninformatie blijkt dat Somaliërs zeer lastig aan identificerende documenten kunnen komen, omdat er in Somalië geen betrouwbare persoonsregistratie bestaat. De rechtbank wil hier wel bij opmerken dat zij het voornemen en het bestreden besluit zo leest dat de minister de omstandigheid dat hij de identiteit ongeloofwaardig heeft geacht niet heeft laten doorwerken bij de geloofwaardigheidsbeoordeling van de verklaringen van eiser over zijn problemen wegens de buitenechtelijke relatie. De beroepsgrond die ziet op de strijdigheid van werkinstructie 2024/6 met het Unierecht en het EVRM slaagt niet. De beroepsgrond die ziet op de geloofwaardigheidsbeoordeling van de identiteit slaagt wel. Referentiekader bij het horen 8. Volgens eiser is er onvoldoende rekening gehouden met zijn referentiekader tijdens het nader gehoor. Eiser is laagopgeleid. Er zijn door de rapporteur op verschillende plekken in het gehoor ingewikkelde vragen gesteld. Als voorbeeld noemt eiser de vraag op pagina 13 van het rapport van het nader gehoor: ‘ Hoe verklaart u dat uw vriend in een gesprek waarin hij u wil waarschuwen voor Al-Shabaab u vertelt over een andere persoon in een andere situatie die voor hem- en ook voor u in zijn ogen helemaal niet relevant is of relevant is voor uw problemen? Dat haar vader naar haar op zoek is, is niet per se een probleem, zeker niet voor u. In ieder geval niet in dezelfde strekking als dat Al-Shabaab naar u op zoek is. Wilt u daarop reageren? ’ 8.1. De rechtbank is van oordeel dat er voldoende rekening is gehouden met het referentiekader van eiser tijdens het nader gehoor. De rechtbank is het met eiser eens dat de vraag op pagina 13 van het rapport van het nader gehoor te lang en ook (daardoor) onbegrijpelijk is. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiser ook nog gewezen op een vraag op pagina 12 van het rapport van het nader gehoor. Ook deze vraag is volgens de rechtbank te lang en daardoor ingewikkeld. De rechtbank merkt echter op dat de overige vragen die tijdens het nader gehoor zijn gesteld steeds kort en goed te volgen zijn. Als het antwoord niet aansloot bij de vraag, heeft de gehoormedewerker ook steeds om verduidelijking gevraagd. Eiser heeft tijdens het nader gehoor niet aangegeven dat hij de vraagstelling niet begrijpt. De rechtbank overweegt daarom dat er tijdens het nader gehoor voldoende rekening is gehouden met het referentiekader van eiser, waaronder zijn lage opleidingsniveau. Deze beroepsgrond slaagt niet. Verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel 9. Eiser voert aan dat ten onrechte is tegengeworpen dat zijn verklaringen over zijn problemen vanwege de buitenechtelijke relatie geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Wat betreft de tijdslijn van zijn relatie, heeft eiser de tijden bij benadering aangegeven. Ook had niet mogen worden tegengeworpen dat eiser alleen maar van horen zeggen heeft dat hij door Al Shabaab gezocht wordt. Daarnaast wist de vriend van eiser, die eiser heeft verteld dat [persoon] door haar vader werd gezocht, wel dat [persoon] eiser vaak heeft bezocht op de akker. Hoewel eiser heeft verklaard dat hij niet zeker weet of de Somalische autoriteiten naar hem op zoek zijn is dit wel aannemelijk gelet op de macht die Al Shabaab heeft in het gebied. 9.1. De rechtbank is van oordeel dat de minister de verklaringen van eiser over zijn problemen niet ten onrechte als ongeloofwaardig heeft aangemerkt. De rechtbank zal dat hieronder nader uiteenzetten. 9.2. De minister heeft volgens de rechtbank kunnen vaststellen dat de verklaringen van eiser over zijn relatie met [persoon] niet in een tijdslijn passen. Tijdens het nader gehoor heeft eiser immers verklaard dat hij tweeënhalve maand nadat hij [persoon] rond de jaarwisseling leerde kennen intiem is geweest met haar. Eiser heeft echter ook verteld dat [persoon] hem op 10 april heeft opgebeld om te vertellen dat ze zwanger was. [persoon] zou dan al binnen een maand nadat zij intiem zijn geweest aan eiser verteld hebben dat ze zwanger is. De minister heeft hierbij mogen opmerken dat de omstandigheid dat eiser niet hoog is opgeleid en dat hij de data bij benadering heeft aangegeven het voorgaande niet anders maakt. De minister werpt immers niet tegen dat eiser specifieke data door elkaar haalt, maar dat de tijdslijn die eiser schetst onlogisch is. 9.3. Daarnaast heeft de minister de verklaringen van eiser over zijn vriend die ook zou hebben verteld dat Al Shabaab naar hem opzoek is als enigszins onlogisch mogen beschouwen. De rechtbank betrekt hierbij dat eiser tijdens het nader gehoor heeft verklaard dat zowel het telefoongesprek met [persoon] als het telefoongesprek met zijn vriend plaatsvond toen hij onderweg was van zijn werk naar huis. Eiser heeft verklaard dat deze vriend wist dat eiser gezocht werd door Al Shabaab, omdat er twee mannen bij de moskee opzoek waren naar hem. Zoals de minister ook op de zitting aangaf, is het enigszins merkwaardig dat het de vriend van eiser zo snel opviel dat eiser niet bij de moskee was en dat Al Shabaab naar hem opzoek was. Dat eiser op zitting heeft uitgelegd dat hij pas door zijn vriend gebeld werd toen hij al thuis was, maakt dit niet anders. Eiser heeft immers tijdens het nader gehoor uitdrukkelijk verklaard dat hij die avond niet meer thuis is geweest. Tot slot heeft de minister ook bij zijn beoordeling kunnen betrekken dat eiser nimmer van iemand van Al Shabaab zelf heeft gehoord dat zij naar hem opzoek waren en dat ze hem wilde stenigen. Deze beroepsgrond slaagt niet. Veiligheidssituatie in Somalië 10. Eiser voert aan dat in het ambtsbericht van april 2025 staat dat het politieke en sociale systeem van Somalië van oudsher gebaseerd is op clanafkomst. De clan waar eiser deel van uit maakt is officieel geen minderheidsclan maar in provincies als [plaats 1] waar Al Shabaab een dominante actor is en waar de lokale clanstructuren worden gedicteerd door de Hawiye en de Rahanweyn clanfamilies, hebben Darood subclans zoals Arab Salah geen invloed, geen gewapende bescherming en geen clanstructuur die bescherming biedt. Dit leidt wel tot een individueel verhoogde kwetsbaarheid wegens het ontbreken van clanbescherming in een Al Shabaab beïnvloed gebied. Eiser wijst er daarbij op dat het vaststaat dat in sommige delen van Somalië sprake is van situatie van willekeurig geweld in de zin van artikel 15, sub c, van de Kwalificatierichtlijn. 10.1. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich, in het licht van de beschikbare landeninformatie, ten onrechte onverkort op het standpunt gesteld dat eiser bij terugkeer naar Somalië, geen reëel risico loopt op ernstige schade. Zij zal dit hieronder nader toelichten. 10.2. Allereerst is de rechtbank van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat in de regio [plaats 1] , waar eiser vandaan komt, een relatief lager niveau van willekeurig geweld geldt. Hoewel dit volgt uit het landenbeleid van de minister is in het EUAA-rapport van oktober 2025 juist beschreven dat het willekeurig geweld in de regio [plaats 1] een hoog niveau heeft. Het rapport maakt melding van een toename van activiteiten door Al Shabaab en geweldsincidenten in de regio. Dit sluit aan bij wat hierover al in het Algemeen Ambtsbericht van april 2025 is aangegeven, namelijk dat Al Shabaab in de laatste maanden van de verslagperiode zijn positie in [plaats 1] heeft bestendigd. 10.3. Daarbij merkt de rechtbank ook op dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat er geen sprake is van individuele risico verhogende factoren. Eiser heeft namelijk verklaard dat hij tot de stam Yaher behoort, een etnische groepering met een lage sociale status, en dat hij tot een clan behoort die gezien zou kunnen worden als minderheidsclan in de regio [plaats 1] . De minister heeft op de zitting aangegeven dat hij de clanafkomst niet geloofwaardig acht, omdat de identiteit niet geloofwaardig wordt geacht. Onder 7.2. is echter een motiveringsgebrek vastgesteld ten aanzien van het standpunt van de minister over eisers identiteit. 10.4. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de minister in de zaak van eiser niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat hij bij terugkeer niet door een gebied hoeft te reizen waar Al Shabaab een vorm van controle heeft. Uit het landenbeleid van de minister volgt dat in gebieden in Somalië waar Al Shabaab aan de macht is, dan wel het gebied controleert, voor iedere terugkeerder een reëel risico bestaat op ernstige schade. Datzelfde risico wordt aangenomen indien een terugkeerder over land moet reizen waar Al Shabaab de macht heeft of het gebied controleert. Eiser komt uit [plaats 2] , een stad in de regio [plaats 1] . [plaats 2] zelf lijkt niet te vallen onder het controlegebied van Al-Shabaab, maar uit het laatste ambtsbericht volgt dat Al Shabaab zijn positie in regio [plaats 1] juist heeft bestendigd. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd via welke route eiser geacht wordt naar [plaats 2] te reizen. De minister geeft aan dat eiser via een bootverbinding van Mogadishu naar [plaats 3] kan reizen en dat hij vervolgens door kan reizen naar [plaats 2] . Zoals eiser naar voren heeft gebracht kon de aanwezigheid van een dergelijke veilige bootverbinding echter niet worden bevestigd in het ambtsbericht van april 2025. Daar komt bij dat zelfs als een dergelijke bootverbinding bestaat, eiser nog steeds van [plaats 3] naar [plaats 2] zal moeten reizen door een gebied dat in controle is van Al Shabaab. Deze beroepsgrond slaagt wel. Conclusie en gevolgen 11. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De minister zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken. 12. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank, verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag met inachtneming van deze uitspraak; veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H.M. van de Ven, in aanwezigheid van mr. D.G.T. de Hoop, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen Artikel 31, zesde lid, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw. Paragraaf C1/2.12 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Werkinstructie 2024/6 ‘Geloofwaardigheidsbeoordeling (asiel)’. Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn (2011/95/EU). Zie bijvoorbeeld de arresten van het EHRM van 23 augustus 2016 in de zaak J.K. tegen Zweden, ECLI:CE:ECHR:2016:0823JUD005916612, van 23 maart 2016 in de zaak , F.G. tegen Zweden ECLI:CE:ECHR:2016:0323JUD004361111 en van 5 november 2019 in de zaak A.A. tegen Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:2019:1105JUD003221817. Artikel 31, zesde lid, onder b, van de Vw. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 10 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10057, rechtsoverwegingen 7.1-7.3. Zie ook werkinstructie 2022/4 ‘herkomstonderzoek in asielzaken’. Algemeen Ambtsbericht Somalië, april 2025, pagina’s 87 en 88. Rapport nader gehoor, pagina’s 7 en 8. Rapport nader gehoor, pagina 9. Rapport nader gehoor, pagina’s 10 en 12. Rapport nader gehoor, pagina 12. Rapport nader gehoor, pagina 10. Paragraaf C2/3.3.3.3 van de Vc en C7/30.4.1.2 van de Vc. EUAA, Somalia: Country Focus, oktober 2025, pagina’s 85 – 87. EUAA, Somalia: Country Focus, oktober 2025, pagina 91. Algemeen Ambtsbericht Somalië, april 2025, pagina 17. Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 9 november 2023, ECLI:EU:C:2023:843 (X, Y e.a.). EUAA, Somalia: Country Focus, mei 2025, pagina 52. Paragraaf C7/30.4.1.1. van de Vc. Kaart controlegebied Al Shabaab, 31 juli 2025, Political Geography Now. Algemeen Ambtsbericht Somalië, april 2025, pagina 17. Algemeen Ambtsbericht Somalië, april 2025, pagina 84. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...