← alle zaken
Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:14944

Rechtbank Den Haag · 2026-06-04 · Eerste aanleg - enkelvoudig

Zaaknummer
NL26.29159
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
5.189 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Bewaring artikel 6, derde lid, opgeheven, redelijke termijn voor onderzoek, geen dusdanig bijzondere medische omstandigheden, ongegrond

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummer: NL26.29159 V-nummer: [v-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], eiser (gemachtigde: mr. V. Senczuk), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. S.J. de Vries). Procesverloop Bij besluit van 13 mei 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Verweerder heeft de maatregel op 23 mei 2026 opgeheven. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 2 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken. 2. Omdat de maatregel is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de vrijheidsontnemende maatregel al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de maatregel aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. 3. Eiser voert aan dat verweerder eerder heeft moeten en kunnen concluderen dat het opleggen van de maatregel disproportioneel is, omdat hij met authentieke documenten direct aan kon tonen dat hij een Palestijn is uit Gaza. Ook heeft de Nederlandse staat een visum aan hem verstrekt. Volgens eiser heeft verweerder bij aanmelding voor de asielaanvraag moeten besluiten dat de grensdetentie ongeschikt was, dan wel na afloop van het aanmeldgehoor op 16 mei 2026, dan wel vanwege het medisch advies op 18 mei 2026. 4. De rechtbank overweegt dat uit de uitspraak van de Afdeling van 3 juni 2016 volgt dat in beginsel alle aan de buitengrens gedane asielaanvragen mogen worden beoordeeld in de grensprocedure. Verweerder hoeft niet bij het opleggen van de maatregel een toets vooraf te verrichten naar de inwilligbaarheid van het asielverzoek. Verweerder moet een redelijke termijn worden gegund om onderzoek te verrichten naar het asielverzoek van de vreemdeling en of dit verzoek zich leent voor afdoening in de grensprocedure. Onder dat onderzoek valt onder meer dat een vreemdeling dient te worden gehoord over zijn asielverzoek. De vraag of het asielverzoek zich leent voor verdere afdoening in de grensprocedure beantwoordt verweerder in beginsel na het nader gehoor omdat dan alle relevante feiten bekend zijn. 5. In wat eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder bovenstaand onderzoek niet zou mogen afwachten. Verweerder heeft aangegeven onderzoek te hebben willen doen naar eisers herkomst en zijn verblijfstatus in Egypte. 6. Verder oordeelt de rechtbank dat er geen feiten of omstandigheden zijn die voor verweerder aanleiding hadden moeten zijn om de maatregel eerder dan de opheffing van 23 mei 2026 bij een afweging van belangen op te heffen. Voorafgaand aan de vrijheidsontnemende maatregel is eiser gevraagd naar zijn medische omstandigheden en of er feiten en omstandigheden zijn die maken dat de vrijheidsontnemende maatregel niet mogelijk is. Eiser heeft toen aangegeven geen problemen te hebben met tijdelijke insluiting. Verweerder heeft terecht opgemerkt dat eiser zich zo nodig kan wenden tot de medische dienst. Verder volgt uit het medisch advies dat voor het nader gehoor rekening moet worden gehouden met bepaalde klachten. De rechtbank is het met verweerder eens dat uit dit advies niet blijkt van dusdanig bijzondere medische omstandigheden, dat de vrijheidsontnemende maatregel naar aanleiding van dit advies zou moeten worden opgeheven. Eisers beroepsgrond slaagt dus niet. 7. Verder leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de vrijheidsontnemende maatregel op enig moment voorafgaand aan de opheffing onrechtmatig was. 8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.J. Bernt, rechter, in aanwezigheid van M.A. van Garder, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. ECLI:NL:RVS:2016:1451.