← alle zaken
Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:14921

Rechtbank Den Haag · 2026-06-04 · Eerste aanleg - enkelvoudig

Zaaknummer
NL26.6792
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
28.982 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

asielaanvraag afgewezen - eiser is afkomstig uit Damascus in Syrië - vrees vanwege afvalligheid, seculiere levensstijl en eerdere detentie wegens betrokkenheid bij Vrije Syrische Leger onder Assad-regime niet aannemelijk - artikel 15c KRi - motivering artikel 3 EVRM onvolledig - humanitaire omstandigheden - arrest Sufi en Elmi - zwaardere en lichtere toets slagen niet - beroep gegrond, met in stand laten van de rechtsgevolgen.

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL26.6792 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [v-nummer] (gemachtigde: mr. M. Pater), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. N. Rijerkerk). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (afgekort: Vw). Eiser is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden oordeelt de rechtbank over deze zaak. 1.1 Onder 2 staat het procesverloop in deze beroepszaak. Onder 3 staat een beschrijving van het asielrelaas van eiser en onder 4 een korte weergave van de besluitvorming door verweerder. Vanaf 5 volgt een weergave van de beroepsgronden van eiser en vanaf 7 volgt het oordeel van de rechtbank. Aan het eind van deze uitspraak volgt de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. Procesverloop 2. Eiser heeft op 8 februari 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend in Nederland. 2.1 Verweerder heeft met het bestreden besluit van 2 februari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. 2.2 Bij het aanvullende besluit van 5 februari 2026 heeft verweerder de ingebrekestelling van eiser, gedateerd op 10 december 2025, geldig verklaard en het verzoek om het uitkeren van een bestuurlijke dwangsom afgewezen. 2.3 Eiser heeft bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.4 Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.5 De rechtbank heeft het beroep op 7 mei 2026 op zitting behandeld. Aan deze zitting hebben deelgenomen: eiser, mr. M. Rasul als waarnemer van de gemachtigde van eiser, H. Rida als tolk, de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2000 en heeft de Syrische nationaliteit. Eiser is afkomstig uit [plaats] en heeft Syrië in 2017 verlaten en heeft vervolgens enkele jaren in Turkije verbleven. In oktober 2023 is eiser het grondgebied van de Europese Unie ingereisd via het Griekse eiland Rhodos. Eiser is 2024 per vliegtuig via Zweden naar Nederland gereisd en heeft vervolgens in Nederland asiel aangevraagd. 3.1 Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij bij terugkeer naar Syrië vreest vanwege zijn eerdere problemen met het voormalige regime van Assad en de onveilige situatie in Syrië op dit moment. Eiser heeft verklaard dat hij in 2014 van school is ontvoerd en zes maanden gedetineerd is geweest op beschuldiging van terrorisme en samenwerken met het Vrije Syrische Leger (afgekort: VSL). Eiser heeft verklaard dat het niet tot een strafrechtelijke veroordeling is gekomen en dat eiser is vrijgelaten, nadat zijn moeder hem had vrijgekocht. Eiser stelt dat hij ontdekte dat hij een uitreisverbod had voor Syrië toen hij na zijn detentie een paspoort aanvroeg. Eiser vreest dat hij bij terugkeer naar Syrië zal worden ondervraagd en mishandeld door de autoriteiten vanwege zijn eerdere detentie en beschuldiging voor terrorisme. Ook vreest eiser voor vervolging dan wel ernstige schade vanwege zijn afvalligheid van de islam, zijn seculiere leefstijl en de slechte humanitaire omstandigheden in Syrië. Tot slot vreest eiser bij terugkeer ook slachtoffer te worden van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn (afgekort: artikel 15c KRi). Wat heeft verweerder besloten? 4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven: Identiteit, nationaliteit en herkomst; Problemen met het voormalige regime in Syrië. 4.1 Beide asielmotieven zijn door verweerder geloofwaardig geacht. 4.2 De asielaanvraag van eiser is afgewezen, omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij verdragsvluchteling is of bij uitzetting een reëel risico op ernstige schade loopt, zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b van de Vw. 4.3 Zo heeft verweerder tegengeworpen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer heeft te vrezen voor vervolging vanwege het niet (strikt) naleven van de islamitische leefregels. Verweerder heeft daarbij betrokken dat uit landeninformatie volgt dat de overgangsregering van HTS geen strenge islamitische leefregels heeft ingevoerd en er geen sprake is van bestraffing of andere vormen van vervolging in Syrië vanwege het niet naleven van deze regels. Ook de seculiere levensstijl van eiser levert geen vrees voor vervolging op, omdat uit landeninformatie volgt dat de Syrische samenleving, met name in [plaats] , divers is als het gaat om kledinggewoontes en het drinken van alcohol. Niet gebleken is dat sinds de val van Assad strenge (islamitische) leefregels zijn ingevoerd, die maken dat een seculiere levensstijl leidt tot bestraffing of andere vormen van vervolging. 4.4 Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade loopt. Dat eiser niet praktiserend moslim of afvallig is en een seculiere leefstijl heeft, maakt niet dat eiser risico loopt op ernstige schade bij terugkeer, nu uit landeninformatie volgt dat de situatie in Syrië in het algemeen, en in [plaats] in het bijzonder, niet zodanig is dat er risico op refoulement bestaat voor personen die de islamitische leefregels niet opvolgen. Ook is refoulement vanwege eisers eerdere detentie en beschuldigingen voor terrorisme en betrokkenheid bij VSL niet aannemelijk. Hoewel er sprake is geweest van een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM in het verleden, zijn de daders van deze schendingen, namelijk het voormalige regime van Assad, momenteel niet meer aan de macht en is daarom niet aannemelijk dat deze schending zich zal herhalen. Ook is niet aannemelijk dat eiser vanwege deze eerdere detentie en beschuldigingen in de negatieve aandacht van het huidige regime staat. Dat eiser om deze reden opnieuw verhoord en mishandeld gaat worden, is niet onderbouwd en blijkt ook niet uit landeninformatie. Ook is negatieve aandacht vanwege de illegale uitreis in 2017 niet aannemelijk. Met de overgelegde brief is namelijk niet onderbouwd dat er daadwerkelijk sprake was van een uitreisverbod. Daarbij blijkt uit landeninformatie niet dat illegale uitreis leidt tot negatieve aandacht, temeer nu die uitreis ruim negen jaar geleden is geweest. 4.5 Tot slot heeft verweerder geconcludeerd dat eiser ook geen recht heeft op asiel vanwege artikel 15c Kri. Voor Syrië in het geheel geldt dat er sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld, waarbij er weliswaar sprake is van geweldsuitbarstingen en gevechten, maar deze zijn van incidentele aard. Hoewel bij deze vormen van willekeurig geweld burgerslachtoffers zijn gevallen, blijkt uit AAB 2025 dat hierbij veelal sprake was van gericht geweld, bijvoorbeeld als gevolg van wraakacties. De overgangsregering heeft haar autoriteit nog niet in alle gebieden gevestigd en de veiligheidssituatie is daar weliswaar fragiel, maar slechts zodanig dat er sprake is van een lage mate van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict. De door eiser aangevoerde stelling dat hij vreest voor ontvoering, omdat hij terugkeert uit Europa en dat mensen daarom denken dat hij geld heeft, ziet op gericht geweld en betreft volgens verweerder dan ook geen individuele omstandigheid waardoor eiser een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld in het kader van het gewapend conflict. 4.6 Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen als ongegrond en ook geen aanleiding gezien voor het ambtshalve verlenen van nareis, een reguliere verblijfsvergunning of uitstel van vertrek om medische redenen. Aan eiser is een terugkeerbesluit, gericht op vertrek naar Syrië, met een termijn van vier weken uitgereikt. Wat vinden eiser en verweerder in beroep? 5. Eiser vindt de conclusie van verweerder over de vrees vanwege eisers afvalligheid en seculiere levensstijl onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd. Zo heeft verweerder in het besluit onvoldoende rekening gehouden met de streng islamitische achtergrond van Al Sharaah, de huidige president van Syrië, die een voormalig kopstuk was van een aan Al-Qaeda gelieerde groep. Dit gegeven maakt dat vanuit de huidige regering van HTS nog steeds risico’s bestaan voor afvalligen in Syrië. Het gegeven dat een vrouwelijke, christelijke minister deel uitmaakt van de overgangsregering van HTS is dan ook geen onderbouwing voor de conclusie dat eiser geen risico loopt. Eiser verwijst in dit kader naar een artikel van VWN over afvalligen in Syrië en het Algemeen Ambtsbericht Syrië 2025. 5.1 Ook heeft verweerder ten onrechte geconcludeerd dat geen sprake is van vrees vanwege eiser zijn seculiere leefstijl. Verweerder miskent dat eiser verregaand verwesterd is en dat zijn seculiere leefstijl onderdeel is geworden van zijn identiteit. In dit kader verwijst eiser naar een artikel van VWN waaruit dat de Nusra’s, die de voorgangers zijn van HTS waren, het sociale leven streng reguleerden en dat o.a. uitgaansgelegenheden werden gesloten door dit met HTS vergelijkbare regime. 5.2 Ook heeft verweerder ten onrechte geconcludeerd dat eiser bij terugkeer geen vrees heeft vanwege zijn detentie en verdenking van terrorisme onder het Assad-regime. Verweerder heeft ten onrechte niet betrokken dat eiser bij terugkomst in systemen opgezocht kan worden en daarom negatieve aandacht voor hem vanwege zijn eerdere detentie en verdenking van terrorisme wel aannemelijk kan worden. 5.3 In het kader van artikel 15c Kri voert eiser aan dat verweerder niet alle volgens de jurisprudentie relevante elementen heeft betrokken bij de beoordeling van het geweldsniveau in Syrië, zoals de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten, en heeft verweerder ook een te strikte scheiding tussen gericht en willekeurig geweld gehanteerd. Gerichte acties zoals beschietingen en luchtaanvallen kunnen namelijk ook tot willekeurige, onschuldige burgerslachtoffers leiden. Eiser verwijst voor voorstaande argumenten naar een uitspraak van zittingsplaats Roermond. Ook vindt eiser dat de conclusies over het geweldsniveau in Syrië gebaseerd zijn op een zeer korte verslagperiode, die bovendien als onzeker, instabiel en volatiel gekenschetst wordt, en daarom kan het Ambtsbericht 2025 niet als basis voor deze beoordeling dienen. In dit kader wijst eiser op een uitspraak van zittingsplaats Haarlem. Ook zijn de slechte humanitaire omstandigheden in Syrië onvoldoende betrokken in de beoordeling van artikel 15c Kri door verweerder. 5.4 In het kader van de beoordeling van artikel 3 EVRM heeft eiser ook gewezen op de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en aangevoerd dat geen deugdelijke motivering is gemaakt van het risico op schending van artikel 3 EVRM vanwege de slechte humanitaire omstandigheden in Syrië en wijst daarbij op het arrest Sufi en Elmi van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (afgekort: EHRM). 6. Verweerder heeft op de zitting gemotiveerd gereageerd op de beroepsgronden van eiser en geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep. Wat is het oordeel van de rechtbank? Vrees vanwege afvalligheid 7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op goede gronden geconcludeerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Syrië gegronde vrees heeft vanwege zijn afvalligheid dan wel het niet praktiseren van de islam. In dit kader heeft verweerder mogen tegenwerpen dat uit landeninformatie volgt dat er in Syrië geen sprake is van bestraffing of andere vormen van vervolging voor het niet naleven van de islamitische leefregels of het uiten van afvalligheid of atheïsme. Uit deze landeninformatie blijkt dat er geen strenge (islamitische) leefregels zijn ingevoerd door de overgangsregering van HTS en dat HTS zelfs patrouilles heeft ingesteld in [plaats] naar aanleiding van oproepen tot strengere leefregels voor vrouwen, roken en sociale interacties. De stelling van eiser dat hij alsnog gegronde vrees heeft voor vervolging, omdat de huidige president Al Sharaah in het verleden betrokken was bij Al Qaeda maakt niet aannemelijk waarom eiser – in weerwil van de landeninformatie - bij terugkeer naar [plaats] te vrezen zou hebben vanwege zijn afvalligheid dan wel het niet praktiseren van de islam vanwege de overgangsregering of andere Syrische autoriteiten. Eiser heeft niet concreet gemaakt welk onderdeel van het artikel van VWN van 19 januari 2026 over de positie van afvalligen het oordeel hier anders maakt. Naast gegronde vrees voor vervolging is ook niet van een reëel risico op ernstige schade vanwege afvalligheid dan wel het niet praktiseren van de islam gebleken. De beroepsgrond slaagt niet. Vrees vanwege seculiere levensstijl 8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft geconcludeerd dat gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade vanwege de seculiere levensstijl van eiser niet aannemelijk is gemaakt. In dit kader heeft verweerder mogen verwijzen naar de landeninformatie over Syrië, waaruit blijkt dat bestraffing of andere vormen van vervolging vanwege het navolgen van een seculiere leefstijl niet aannemelijk is. Verweerder heeft in dit kader specifiek kunnen tegenwerpen dat uit landeninformatie volgt dat de Syrische samenleving, met name in [plaats] , divers is qua kledinggewoonten en het drinken van alcohol. De verwijzing naar het artikel van VWN maakt dit niet anders, nu niet is gebleken dat de Nusra’s of de huidige overgangsregering van HTS het sociale leven nog steeds streng reguleren door onder andere het sluiten van uitgaansgelegenheden en verbieden van alcohol en drugs. Voor zover eiser betoogt dat uit de recente ambtsberichten volgt dat dergelijke sociale regulering ten aanzien van uitgaan, alcohol en drugs incidenteel nog steeds plaatsvindt in Syrië, is niet onderbouwd dat dit voor eiser leidt tot een gegronde vrees voor vervolging of een schending van artikel 3 EVRM. De beroepsgrond slaagt niet. Vrees vanwege eerdere detentie in verband met VSL 9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden geconcludeerd heeft dat gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM ook niet aannemelijk is gemaakt vanwege de eerder detentie vanwege (toegedichte) betrokkenheid bij VSL. Verweerder heeft in dit kader ten eerste mogen tegenwerpen dat de actor van de eerdere detentie en mishandelingen, namelijk het Assad-regime, is gevallen en verdreven en niet aannemelijk gemaakt is dat eiser nog steeds vanwege hen heeft te vrezen bij terugkeer naar Syrië. Verweerder heeft daarin betekenis mogen toekennen aan het gegeven dat eiser gedetineerd is geweest vanwege (toegedichte) betrokkenheid bij VSL, en dat het VSL onder het Assad-regime gelieerd was aan de huidige overgangsregering van HTS, en samen met hen streed tegen Assad. Anders gezegd: HTS en VSL werkten en werken nog steeds samen en negatieve aandacht voor eiser bij terugkeer vanuit de huidige autoriteiten is dan ook niet aannemelijk. Ook al zou eiser gecontroleerd worden bij terugkeer, en ook al zou in systemen te vinden zijn dat eiser eerder gedetineerd was door VSL, dan nog valt niet in te zien waarom dit negatieve aandacht voor eiser zou kunnen opleveren. Deze beroepsgrond slaagt niet. Artikel 15c Kri 10. Artikel 15 van de Kri gaat allereerst over de situatie waarin de mate van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict dusdanig hoog is dat de vreemdeling alleen al door zijn aanwezigheid in dat land of gebied een reëel risico loopt op ernstige schade. In deze zogenoemde ‘meest uitzonderlijke situatie’ wordt niet toegekomen aan het betrekken van individuele omstandigheden. 10.1 Artikel 15c van de Kri kan ook betrekking hebben op een ‘minder uitzonderlijke situatie’. Dan moet niet alleen gekeken worden naar de veiligheidssituatie in het land van herkomst, maar ook naar de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van een asielzoeker. Hoe meer een asielzoeker aannemelijk kan maken dat zijn individuele omstandigheden voor een verhoogd risico zorgen, hoe minder willekeurig geweld is vereist om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming . 10.2 Bij de beoordeling of sprake is van een uitzonderlijke situatie die onder de reikwijdte van artikel 15c Kri valt, moeten alle relevante omstandigheden globaal in aanmerking worden genomen en specifiek de intensiteit van de gewapende confrontaties, het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten en de duur van het conflict, alsook andere elementen zoals de geografische omvang van het gebied waar het willekeurig geweld plaatsvindt, de daadwerkelijke bestemming van een asielzoeker bij terugkeer en het antwoord op de vraag of de strijdende partijen ook opzettelijk geweld gebruiken tegen burgers . De Afdeling heeft geoordeeld dat humanitaire omstandigheden ook als relevante omstandigheid in deze globale beoordeling moeten worden betrokken . Daarbij is van belang dat alleen humanitaire omstandigheden die momenteel worden veroorzaakt en/of in stand worden gehouden door het handelen en/of nalaten van de partijen die actief betrokken zijn in het gewapende conflict betrokken moeten worden bij de 15c-beoordeling . 10.3 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ten eerste mogen vinden dat [plaats] voor eiser kan worden aangemerkt als plaats van bestendig verblijf, nu hij daar langdurig – sinds 2016 – heeft verbleven met zijn familie en nu eiser en zijn familie daar een woonruimte hadden. Verweerder heeft vervolgens uit het meest recente ambtsbericht van januari 2026 kunnen concluderen dat het aantal geweldsincidenten in Syrië flink is gedaald en ook het aantal burgerdoden is afgenomen. Verweerder heeft daarbij kunnen concluderen dat de dalende trend in geweldsincidenten ook in [plaats] , het gebied van terugkeer van eiser, te zien is. Uit het ambtsbericht van januari 2026 volgt dat er sprake was van een laag aantal geweldsincidenten, dat gedurende de gehele verslagperiode min of meer gelijk bleef. Verder is het aantal incidenten met ontplofbare oorlogsresten afgenomen en worden er maatregelen genomen met betrekking tot mijnen. In de verslagperiode was er sprake van ontheemding in [plaats] , maar het is niet duidelijk in hoeverre dit verband hield met conflictgerelateerd geweld. In de verslagperiode keerden ook naar schatting 12.194 ontheemden terug naar [plaats] . 10.4 Wat betreft de humanitaire omstandigheden heeft verweerder er terecht op gewezen dat de hoofdveroorzaker van de slechte humanitaire omstandigheden, zoals die beschreven staan in het algemeen ambtsbericht over Syrië uit mei 2025, het regime van Assad was, dat inmiddels geen actor meer is in het huidige gewapende conflict . Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat het meest recente ambtsbericht van januari 2026 geen reden geeft voor een andere conclusie op dit punt. Weliswaar heeft ook het handelen van de huidige partijen impact op de humanitaire situatie, maar verweerder heeft kunnen concluderen dat de slechte humanitaire situatie in hoofdzaak niet is te wijten aan huidig handelen van de nu nog actieve partijen. Verweerder heeft ook gewezen op de EUAA Country Guidance over Syrië waarin staat dat vóór de val van het Assad-regime gerapporteerd werd dat strijdende partijen bewust gezondheidsvoorzieningen aanvielen en ook de aanvoer van basisvoorzieningen tegenhielden, maar dat er geen informatie is die erop wijst dat dit nog steeds het geval is . 10.5 Uit de door eiser overgelegde landeninformatie volgt niet dat de partijen die momenteel actief betrokken zijn in het gewapende conflict de slechte humanitaire omstandigheden in [plaats] veroorzaken en/of in stand houden. De rechtbank is daarom van oordeel dat uit de stukken onvoldoende blijkt dat er verband is tussen het geweld van de huidige strijdende partijen en de slechte humanitaire omstandigheden in [plaats] . Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, met inachtneming van dat wat in deze zaak is aangevoerd, voldoende gemotiveerd dat er sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in [plaats] . 10.6 Verweerder heeft ook kunnen concluderen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op grond van zijn individuele omstandigheden een verhoogd risico loopt om het slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Eiser heeft aangevoerd dat hij een verhoogd risico loopt omdat hij afvallig is, een seculier leven leidt en problemen heeft gehad met het Assad-regime, maar deze omstandigheden houden juist verband met een vrees voor gericht geweld in plaats van een verhoogd risico op willekeurig geweld. De rechtbank heeft in rechtsoverwegingen 7.1, 7.2 en 7.3 van deze uitspraak al overwogen dat verweerder heeft kunnen concluderen dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade heeft vanwege deze omstandigheden. Artikel 3 EVRM en humanitaire omstandigheden 11. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft eerder geoordeeld dat verweerder moet beoordelen of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Verweerder kan voor deze beoordeling niet slechts verwijzen naar zijn beoordeling van artikel 15c Kri. Uit jurisprudentie van het Hof van Justitie volgt namelijk dat artikel 15c Kri en artikel 3 van het EVRM verschillen qua inhoud en dat uitleg en interpretatie van beide bepalingen autonoom moet plaatsvinden . Verweerder kan dus niet voor zijn motivering van artikel 3 EVRM verwijzen naar de motivering van artikel 15c Kri, en vice versa. 11.1 Verweerder dient dus een zelfstandige beoordeling te maken van een mogelijke schending van het refoulementverbod door de heersende humanitaire omstandigheden. Eiser heeft in dit kader een beroep gedaan op het het arrest Sufi en Elmi en de hiervoor genoemde uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank. Bij de beoordeling van dat beroep is van belang dat het EHRM twee situaties onderscheidt: 1. In de eerste situatie worden de humanitaire omstandigheden wel veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor 2) In de tweede situatie worden de humanitaire omstandigheden niet veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor. Wanneer de humanitaire crisis in overwegende mate veroorzaakt is door de strijdende partijen, geldt de ‘lichtere toets’, zoals beschreven in de eerste situatie, en moet gekeken worden naar eisers ‘ability to cater for his most basic needs, such as food, hygiene and shelter, his vulnerability to ill-treatment and the prospect of his situation improving within a reasonable time-frame. ’ In de tweede situatie, waarin de humanitaire situatie niet meer gerelateerd kan worden aan de strijdende partijen, geldt de ‘zwaardere toets’ en in dat geval is slechts sprake van refoulement in ‘very exceptional circumstances where the humanitarian grounds against removal are compelling’. Het is in de eerste plaats aan eiser om dergelijke risico’s op refoulement aannemelijk te maken. 12. De rechtbank stelt vast dat eiser in het bestreden besluit geen volledige, zelfstandige beoordeling heeft gemaakt van de vraag of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM vanwege de humanitaire omstandigheden in [plaats] . Dit is een motiveringsgebrek en reeds daarom is het beroep gegrond. 12.1 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich met de aanvullende motivering in het verweerschrift en de mondelinge toelichting op de zitting voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM wegens de humanitaire omstandigheden in [plaats] . Verweerder mocht in dit kader aan eiser tegenwerpen dat, hoewel de humanitaire situatie complex is en dat 44% van de mensen in gouvernment [plaats] ‘people in need’ betreffen, eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hijzelf in dergelijke omstandigheden zal belanden en ‘a person in need’ zal worden bij terugkeer naar [plaats] . Ook al zou dus de zwaardere toets ten onrechte zijn toegepast, en moet worden uitgegaan van het gegeven dat de humanitaire omstandigheden een doelbewuste gevolg van de thans strijdende partijen is, dan nog heeft eiser niet met bronnen of andere objectieve bewijsmiddelen aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar [plaats] niet zal kunnen voorzien in de meest basale levensbehoeftes zoals voedsel, hygiëne en onderdak. Ter zitting heeft verweerder in dit kader aan eiser kunnen tegenwerpen dat eiser verklaard heeft dat hij eerst bij zijn moeder gewoond heeft, dat ook zijn twee zussen en zijn zwager in Syrië wonen en dat zijn zwager daar werkt en eiser bij terugkeer naar [plaats] over een netwerk beschikt. Niet gebleken is dat eiser niet meer op dit netwerk kan terugvallen. Een schending van het refoulementverbod bij terugkeer van eiser naar [plaats] , ongeacht of de humanitaire situatie doelbewust is veroorzaakt door actoren in het conflict of niet, is dan ook niet aannemelijk. Conclusie en gevolgen 13. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking, omdat het aanvankelijk van een ondeugdelijke motivering was voorzien. Omdat de afwijzing van de asielaanvraag met de schriftelijke aanvullende motivering van het verweerschrift en de mondelinge aanvullende motivering ter zitting alsnog deugdelijk is gemotiveerd, laat de rechtbank, gelet op rechtsoverweging 12.1 van deze uitspraak, de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand. Dat betekent dat de afwijzing van eisers asielaanvraag en het terugkeerbesluit in stand blijven. 13. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.868,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor de zitting, waarde per punt € 934,-, wegingsfactor 1) vanwege de door een derde verleende beroepsmatige rechtsbijstand. Omdat eiser op toevoeging is bijgestaan, dient verweerder dit bedrag aan de gemachtigde van eiser te betalen. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand; bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit; veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van €1.868,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.J. Roks, griffier. Uitgesproken in het openbaar en verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak kan een hoger beroepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De verzenddatum van deze uitspraak ziet u hierboven vermeld staan. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) richt het beroep van eiser van zich van rechtswege ook tegen het aanvullende besluit van 5 februari 2026. Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011. Zie: Algemeen Ambtsbericht Syrië 2025 (AAB 2025), p. 109 en 100; en; EUAA Country Guidance: Syria van juli 2025 en december 2025. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. ECLI:NL:RBDHA:2025:14097. ECLI:NL:RBDHA:2024:23822. Dit volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van de EU van 9 november 2023, ECLI:EU:C:2023:843 (X en Y). Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:472 (CF en DN). Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153. Zie de uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611, rechtsoverweging 7.2. Algemeen ambtsbericht Syrië, januari 2026, pagina’s 31 en 37 tot en met 40. Zie ook de uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611, r.o. 7.3. EUAA Country Guidance: Syria Comprehensive update, december 2025, p. 58. Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 17 februari 2009, ECLI:EU:C:2009:94 ( Elgafaji ), paragraaf 28. EHRM 28 juni 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907 ( Sufi en Elmi tegen het Verenigd Koninkrijk ), paragraaf 278-283.