ECLI:NL:RBDHA:2026:13488
Rechtbank Den Haag · 2026-05-20 · Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Asiel, problemen HDP, seksuele gerichtheid, ongegrond.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL25.14266 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 mei 2026 in de zaak tussen [eiser], v-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. E.A. Welling), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. R. Helmus). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is ongegrond . Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft op 6 september 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 19 maart 2025 deze afgewezen als kennelijk ongegrond. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 5 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Het asielrelaas 3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft de Turkse nationaliteit, is geboren op [geboortedag] 1969 en is van Koerdische komaf. Eiser heeft verklaard dat hij homoseksueel is en dat hij tien haar geleden voor het eerst gaybars is gaan bezoeken. Voor zijn vertrek heeft eiser een gaybar bezocht en is hij na een identiteitscontrole door politieagenten meegenomen. De politieagenten hebben dit aan zijn familie verteld, waarop zij negatief hebben gereageerd en eiser hebben buitengesloten. Eiser heeft nadien tot aan zijn vertrek bij vrienden verbleven. Daarnaast heeft eiser verklaard dat hij in het verleden te maken heeft gehad met de politie vanwege zijn activiteiten voor de Halkların Demokratik Partisi (HDP). Eiser is in 2015 gestopt met deze activiteiten. Omdat eiser een visum had, is hij vervolgens naar Nederland gekomen. Het bestreden besluit 4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven: Identiteit, nationaliteit en herkomst; Problemen vanwege betrokkenheid bij de HDP; Seksuele gerichtheid en problemen als gevolg daarvan. 4.1. De minister acht de verklaringen van eiser over zijn identiteit, Turkse nationaliteit, herkomst en Koerdische komaf geloofwaardig (asielmotief 1). De minister acht de verklaringen van eiser over de problemen vanwege betrokkenheid bij de HDP (asielmotief 2), de seksuele gerichtheid en de problemen als gevolg daarvan (asielmotief 3), niet geloofwaardig. 4.2. Over het tweede asielmotief stelt de minister zich op het standpunt dat eiser zijn verklaringen niet heeft onderbouwd met objectieve documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. Dit asielmotief is niet alsnog geloofwaardig omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b en d, van de Vw 2000. Eiser heeft namelijk onvoldoende documenten overgelegd en heeft daarvoor geen goede verklaring gegeven. De minister werpt eiser in dit verband tegen dat hij geen oprechte inspanning heeft geleverd om enig stuk, zoals de documenten met betrekking tot de detentieperiode, te bemachtigen waarmee hij zijn asielaanvraag kan onderbouwen. De verklaringen die eiser daarvoor geeft, namelijk dat hij niet kan inloggen in e-devlet, dat hij zijn login-gegevens is vergeten, dat hij niet naar het Turkse consulaat kan gaan voor het aanvragen van een nieuw wachtwoord, merkt de minister niet aan als bevredigend. Redengevend hiervoor is dat uit het Algemeen Ambtsbericht Turkije van 2022 (ambtsbericht) blijkt dat gebruikers van e-devlet met internetbankieren een nieuwe code kunnen aanvragen. Verder blijkt uit het ambtsbericht dat gebruikers ook, als hun telefoonnummer en/of e-mailadres in e-devlet zijn ingevoerd, een nieuw wachtwoord kunnen aanvragen met hun mobiele telefoon. Tot slot werpt de minister eiser tegen dat hij zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en hij daarvoor geen goede verklaring heeft. Eiser verklaart Nederland op 11 augustus 2021 te zijn ingereisd en heeft zich pas op 1 september 2022 gemeld voor een asielaanvraag. Omdat eiser stelt te vrezen voor de Turkse autoriteiten, had van hem mogen worden verwacht dat hij de noodzaak had gevoeld om zo snel mogelijk of in ieder geval na het aflopen van de geldigheidsduur van zijn visum asiel te vragen. Omdat eiser meer dan een half jaar te laat is met het indienen van zijn asielaanvraag, neemt de minister geen genoegen met het niet hebben van een concrete verklaring voor deze late melding. 4.3. Over het derde asielmotief stelt de minister zich op het standpunt dat eiser zijn verklaringen niet heeft onderbouwd met objectieve documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen en dat de minister het asielmotief niet alsnog geloofwaardig acht omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c (en d) van de Vw 2000. Eisers verklaringen vormen volgens de minister namelijk geen samenhangend en aannemelijk geheel. Eiser heeft wisselend en tegenstrijdig verklaard over hoe hij zijn eigen seksuele gerichtheid zou willen omschrijven en over het moment waarop het besef van zijn eigen seksuele gerichtheid tot hem doordrong. Eiser kan niet goed uitleggen hoe het voor hem voelde om tot het besef te komen dat hij op mannen viel, terwijl hij een vrouw en kinderen heeft. Eiser kan ook niet goed uitleggen hoe de bezoeken aan gaybars hem tot het inzicht hebben gebracht dat hij op mannen valt. Ook heeft eiser wisselend en tegenstrijdig verklaard over het type relatie met Ali, over de dingen die hij met Ali besprak en over waarom hij niet verder heeft geprobeerd om contact met hem op te nemen. Daarnaast weet eiser niet hoe homoseksualiteit in Turkije wettelijk is geregeld en over de organisaties die in Turkije voor LHBTI-rechten opkomen. Eiser kan ook geen goede verklaring geven over waarom hij deze kennis niet heeft. Tot slot kan eiser – afgezien van een of twee bezoeken aan een gaybar en deelname aan een muziekfeest in Nederland – niet goed uitleggen waarom hij niet aan andere LHBTI-activiteiten heeft deelgenomen. Eiser heeft in dat verband niet duidelijk gemaakt wat het deelnemen aan dat muziekfeest voor hem persoonlijk heeft betekend. Over de problemen als gevolg van de gestelde seksuele gerichtheid stelt de minister zich op het standpunt dat eiser zijn verklaringen niet heeft onderbouwd met objectieve documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. Dit asielmotief is niet alsnog geloofwaardig omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b, c en d, van de Vw 2000. 4.4. Over het geloofwaardig geachte asielmotief, stelt de minister zich op het standpunt dat hieruit niet volgt dat eiser een gegronde vrees voor vervolging heeft en daaruit ook niet volgt dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Turkije. De door eiser genoemde omstandigheden hebben geen raakvlak met het Vluchtelingenverdrag of artikel 3 EVRM. Eiser krijgt daarom geen verblijfsvergunning asiel. Eiser krijgt ook geen verblijfsvergunning regulier. Niet onverwijld melden 5. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met de redenen waarom hij zich niet onverwijld heeft gemeld bij binnenkomst en dat onduidelijk is welke waarde de minister aan die redenen hecht. 5.1. Eiser is op 11 augustus 2021 op illegale wijze naar Nederland gekomen. Hij heeft vervolgens op 1 september 2022 asiel aangevraagd. Onweersproken is dat eiser ruim een jaar zonder geldige verblijfstitel in Nederland heeft verbleven en in die tijd geen asielaanvraag heeft gedaan. Met de minister is de rechtbank het eens dat de omstandigheid dat eiser niet op de hoogte was van de meldplicht geen verschoonbare reden is voor het niet onverwijld melden voor asiel. Van een vreemdeling die asiel aanvraagt en die stelt in een vluchtelingrechtelijke positie te verkeren, mag namelijk redelijkerwijs worden verwacht dat diegene zich direct bij, of zo snel als mogelijk na binnenkomst in Nederland, tot de autoriteiten wendt om asiel aan te vragen. De door eiser gegeven verklaring - namelijk dat hij wilde aankijken of de situatie in Turkije zou verbeteren - heeft de minister terecht niet verschoonbaar geacht. Eiser heeft immers Turkije verlaten om veiligheid te vinden en asiel aan te vragen. Gelet op het voorgaande heeft de minister voldoende gemotiveerd aan eiser tegengeworpen dat hij zijn asielaanvraag niet onverwijld heeft ingediend. En anders dan eiser stelt, heeft de minister aangegeven wat hij vindt van de door eiser aangevoerde redenen voor het niet tijdig melden: hij vindt het geen verschoonbare redenen. Deze beroepsgrond slaagt niet. Is werkinstructie (WI 2024/6) in strijd met het Unierecht? 6. Eiser betoogt dat de WI 2024/6 over de geloofwaardigheidsbeoordeling niet in overeenstemming is met artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn en de jurisprudentie van het Hof van Justitie daarover. Eiser verwijst in dit verband naar de (verwijzings)uitspraken van 7 januari 2025 en van 18 februari 2025 van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, waarin prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie zijn gesteld. 6.1. De meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats is in haar uitspraken van 25 juni 2025 en 8 september 2025 tot het oordeel gekomen dat WI 2024/6, zoals door de minister uitgelegd, in overeenstemming is met het Unierecht. In dat wat eiser betoogt ziet de rechtbank geen grond voor een ander oordeel. Deze beroepsgrond slaagt niet. Problemen vanwege betrokkenheid bij HDP Toegang tot e-devlet 7. Eiser voert aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat hij zich onvoldoende heeft ingespannen om aan documenten te komen. Eiser betoogt dat de minister wat hij over de toegang tot e-devlet heeft aangevoerd, onvoldoende heeft betrokken bij het bestreden besluit. 7.1. De minister heeft aan eiser tegengeworpen dat hij onvoldoende documenten heeft overgelegd en dat hij daarvoor geen goede verklaring heeft gegeven. De minister heeft onder meer aan eiser tegengeworpen dat hij geen documenten heeft overgelegd over zijn detentieperiode in 2007, toen eiser vastzat vanwege het roken van hasj. De minister heeft op de zitting bevestigd dat het overleggen van de documenten over de detentieperiode een voorbeeld is, dat het verwarrend overkomt en niet samenhangt met de politieke problemen van eiser. Niettemin werpt de minister eiser dit tegen omdat van eiser mag worden verwacht dat hij zich inspant om zijn asielrelaas te onderbouwen en daartoe e-devlet raadpleegt. Naar het oordeel van de rechtbank werpt de minister eiser dit niet ten onrechte tegen. Eiser had zich aantoonbaar moeten inspannen om documenten te overleggen bijvoorbeeld door te laten zien wat er in e-devlet staat. Daar hoort ook bij dat eiser laat zien dat – zoals hij stelt – er niks in e-devlet staat. Eiser heeft immers in de zienswijze aangegeven dat hij – anders dan voorheen – inmiddels wel toegang heeft tot e-devlet. Het had daarom om zijn weg gelegen om een afschrift daarvan te overleggen. Deze beroepsgrond slaagt niet. Politiecontrole gaybar 8. Eiser voert aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over wat de politie tijdens de controle in de gaybar in Turkije heeft aangegeven. Eiser betoogt dat hij met de correcties en aanvullingen op het nader gehoor duidelijk heeft gemaakt wat de politie heeft aangegeven en welke causale verbanden zij hebben gelegd. De minister stelt weliswaar dat de correcties en aanvullingen zijn betrokken bij de besluitvorming, maar volgens eiser blijkt dit niet uit het bestreden besluit. 8.1. De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser niet het standpunt van de minister betwist dat hij zijn verklaringen over de problemen vanwege de betrokkenheid bij de HDP onvoldoende heeft onderbouwd met objectieve stukken die dit asielmotief volledig onderbouwen. Ook betwist eiser niet dat hij onvoldoende documenten heeft overgelegd en daarvoor geen goede verklaring heeft gegeven (voorwaarde d). 8.2. De rechtbank volgt de minister in het standpunt dat eiser niet heeft verduidelijkt wat de politie ten tijde van de controle in de gaybar tegen hem heeft gezegd en welke causale verbanden zij hebben gelegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld waarom eiser hierover tegenstrijdig heeft verklaard. Zo heeft eiser eerst verklaard dat de politie hem een terrorist noemden vanwege zijn banden met de HDP. Later heeft eiser verklaard dat de politie hem een terrorist noemden omdat hij uit het zuidoosten van Turkije (Bingol) kwam. Nadat de minister eiser geconfronteerd heeft met deze tegenstrijdigheid, heeft hij verklaard dat de politie HDP-leden en personen uit het zuidoosten van Turkije als hetzelfde zien. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich niet ten onrechte op het standpunt dat dit geen goede verklaring is voor de tegenstrijdigheid, omdat eiser dit baseert op eigen vermoedens en veronderstellingen. De minister heeft daarnaast eiser niet ten onrechte tegengeworpen dat hij de link tussen het aanwezig zijn tijdens de Zaterdagmoeders-protesten en betrapt worden in de gaybar niet goed kan uitleggen. Gelet op het voorgaande heeft de minister de tegenwerpingen over het incident in de gaybar voldoende gemotiveerd. De stelling van eiser dat hij met de correcties en aanvullingen duidelijkheid heeft verschaft en dat de minister deze niet heeft betrokken bij het bestreden besluit, volgt de rechtbank niet. De minister stelt zich immers terecht op het standpunt dat de correcties en aanvullingen zijn betrokken bij het bestreden besluit, omdat deze onderdeel zijn van het verslag nader gehoor. Daarnaast heeft eiser niet onderbouwd of verduidelijkt wat hij bedoelt met dat hij over dit incident verder uitleg heeft gegeven in de correcties en aanvullingen. Die uitleg ziet de rechtbank namelijk niet in de correcties en aanvullingen. 8.3. Gelet op het voorgaande stelt de minister zich niet ten onrechte op het standpunt dat eisers verklaringen over de problemen vanwege betrokkenheid bij HDP ongeloofwaardig zijn. Deze beroepsgrond slaagt niet. Seksuele gerichtheid en problemen als gevolg daarvan Referentiekader 9. Eiser voert aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat hij rekening heeft gehouden met zijn referentiekader, omdat dit niet blijkt uit het bestreden besluit. Eiser betoogt dat hij gedetailleerd en gemotiveerd heeft aangegeven waarom hij moeite heeft met verklaringen afleggen over zijn seksuele gerichtheid en daar heeft de minister geen rekening mee gehouden. De minister stelt zich volgens eiser daarom ten onrechte op het standpunt dat niet te volgen zou zijn dat hij in de zienswijze heeft gesteld dat door de hoorambtenaar niet is doorgevraagd. Eiser verwijst verder naar een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 6 november 2025 , waarin is geoordeeld dat de minister de zienswijze onvoldoende heeft betrokken in het bestreden besluit. 9.1. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser. De minister heeft beschreven van welke referentiekader hij uitgaat en daarbij het volgende aangegeven: “Op dit punt mag van u verwacht worden dat u meer duidelijkheid schept. Gelet op uw referentiekader (o.a. lage opleiding) wordt niet verwacht dat u uw seksuele gerichtheid in bijvoorbeeld chique, moeilijke taal omschrijft, of hierbij vakjargon gebruikt. Wel mag van u verwacht worden dat u duidelijk kunt maken tot wie u zich aangetrokken voelt (bijvoorbeeld mannen, vrouwen, beiden, of geen van beiden).” Het referentiekader van eiser, waar hij vandaan komt (omgeving) en de lage opleiding, heeft tot gevolg dat hij in eenvoudige bewoordingen over zijn seksuele gerichtheid moet kunnen verklaren en een bepaalde mate van details moet kunnen geven. De minister heeft daarnaast aangegeven dat, gelet op het referentiekader van eiser, hij in eenvoudige bewoordingen gedetailleerd over het incident in de gaybar moet kunnen verklaren. De rechtbank volgt de minister in dit standpunt. De verwijzing naar de uitspraak van 6 november 2025 slaagt niet. In die zaak bleek namelijk dat de minister de zienswijze van eiser onvoldoende had betrokken in het bestreden besluit en dat is in de zaak van eiser wel gebeurd. Eiser concretiseert in dit geval niet waar de minister duidelijker op had moeten ingaan in het bestreden besluit. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in de stelling dat nergens in het bestreden besluit blijkt in hoeverre de minister wat door eiser in de zienswijze is gesteld heeft meegewogen. Verder blijkt, anders dan eiser stelt, uit het bestreden besluit niet dat de asielaanvraag enkel is afgedaan omdat hij oppervlakkige verklaringen zou hebben afgelegd. 9.2. Daarnaast is van tevoren aan eiser gevraagd om aan te geven als er tijdens het gehoor vragen waren waar hij moeite mee had, of als hij een vraag niet begreep. Eiser heeft toen (enkel) aangegeven dat hij, vanwege ervaringen in Turkije, gespannen raakt bij situaties van verhoor. Ook is aan eiser uitgelegd dat er tijdens het nader gehoor gepraat zou gaan worden over zijn seksuele gerichtheid. Aan eiser gevraagd wat hij bedoelde met zijn verklaring dat hij het niet kan verdragen om het daar over te hebben. Toen heeft eiser aangegeven dat hij uitgeput was, niet dat hij het moeilijk vond om te praten over zijn seksuele gerichtheid of het uiten van emoties. Uit het rapport van het nader gehoor blijkt dat eiser soms bepaalde vragen niet begreep, maar daaruit blijkt ook dat de gehoorambtenaar voldoende heeft geprobeerd om uit te leggen wat met de vraagstelling bedoeld wordt. De rechtbank overweegt dat uit het nader gehoor blijkt dat veel is doorgevraagd, dat veel pauzes zijn geboden en dat – anders dan eiser op de zitting heeft gesteld – niet alleen is doorgevraagd op gevoelens, maar ook op feitelijkheden en tegenstrijdigheden. 9.3. Concluderend ziet de rechtbank niet in op welke wijze de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser. Verder heeft eiser in beroep ook niet concreet gemaakt in hoeverre zijn referentiekader van invloed is geweest op het afleggen van zijn verklaringen. De minister heeft dan ook niet ten onrechte de seksuele gerichtheid en de problemen als gevolg daarvan niet geloofwaardig geacht. Deze beroepsgrond slaagt niet. Medisch steunbewijs 10. Eiser voert aan dat uit de door hem overgelegde medische stukken zijn onvermogen om duidelijke verklaringen af te leggen blijkt en dat deze stukken een onderbouwing van zijn psychische problemen vormen. Eiser verwijst naar twee uitspraken van deze rechtbank, namelijk van zittingsplaats Roermond, van 20 mei 2025 en van zittingsplaats Den Haag, van 12 juni 2024. 10.1. De rechtbank stelt voorop dat het advies van MediFirst van 12 maart 2024 leidend is voor het gehoor. Uit dit advies blijkt niet dat bij eiser sprake is van beperkingen voor het horen of beslissen in zijn geval. Wel geven de onderzoekers aan dat rekening moet worden gehouden met spanningsproblematiek, waarbij eiser wel de gebeurtenissen kan terughalen en vertellen, maar dat hij mogelijk emotioneel kan worden. Daarom wordt geadviseerd om eiser op zijn gemak te stellen, de tijd te geven om te antwoorden en eventueel een extra pauze te geven en iets te drinken aan te bieden. Uit het rapport van nader gehoor blijkt dat voldoende rekening is gehouden met het spanningsproblematiek door het gehoor te verdelen over twee dagen, vaker pauze te bieden en na elke pauze te vragen of het goed gaat met eiser. Mede gelet op het voorgaande, is de rechtbank met de minister van oordeel dat eiser tijdens het nader gehoor voldoende de gelegenheid heeft gehad inzicht te geven in zijn ervaringen en persoonlijke beleving van zijn gedachten en gevoelens bij zijn gestelde seksuele gerichtheid. Uit dit gehoor blijkt ook dat vragen waar nodig zijn toegelicht en herhaald en dat eiser om uitleg en/of verdieping is gevraagd. Naar het oordeel van de rechtbank onderbouwen de nadere medische stukken weliswaar de medische problematiek van eiser, maar deze stukken onderbouwen niet het gestelde onvermogen van eiser om te kunnen verklaren. De verwijzing naar de uitspraak van 20 mei 2025 slaagt niet, omdat in die zaak sprake was van geheugenproblemen. Daarvan is bij eiser geen sprake, althans dat is niet gebleken. De verwijzing naar de uitspraak van 12 juni 2024 slaagt ook niet, omdat – anders dan in die zaak – niet gebleken is van een emotionele blokkade over het verleden. De enkele stelling dat er sprake is van een emotionele blokkade over het verleden is daartoe onvoldoende. Eiser heeft verder geen medische stukken overgelegd die dit betoog onderbouwen. Deze beroepsgrond slaagt niet. Vrees voor vervolging/reëel risico op ernstige schade 11. Eiser voert aan dat hij, anders dan de minister stelt, aangemerkt moet worden als een vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag en dat hij daarom te vrezen heeft voor vervolging. Volgens eiser bestaat de kans dat hij in de toekomst wordt vervolgd. De minister had hem het voordeel van de twijfel moeten geven (verwijzing naar paragraaf 196 en 203 van het Handboek van het UNHCR). Uitzetting is volgens hem in strijd met het refoulementverbod (van artikel 33 van het Vluchtelingenverdrag). Eiser voert verder aan dat de minister ten onrechte geen verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 heeft verleend, omdat hij bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade loopt. Eiser betoogt dat in Turkije sprake is van een vrees voor vervolging die, vanwege inperking van de bestaansmogelijkheden, leidt tot een schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het EU Handvest. 11.1. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat niet aannemelijk is dat eiser te vrezen heeft voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Het geloofwaardig geachte asielmotief (1) is niet te herleiden tot één van de gronden van het Vluchtelingenverdrag, nu uit de verklaringen van eiser niet blijkt dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft. Dat eiser uit Turkije komt, is op zichzelf niet genoeg om een vluchteling te zijn. Eiser heeft niet gesteld en naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat eiser problemen heeft ondervonden die te maken hebben met zijn ras, religie, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep. Verder stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser bij terugkeer naar Turkije geen reëel risico op ernstige schade loopt. Uit beschikbare landeninformatie volgt niet dat Turkse onderdanen die terugkeren naar Turkije automatisch een reëel risico lopen op ernstige schade. Deze beroepsgrond slaagt niet 12. Van strijd met het Vluchtelingenverdrag, het EVRM, de Kwalificatie, de Vw 2000 en de beginselen van behoorlijk bestuur is niet gebleken. Overigens heeft eiser niet nader onderbouwd dat en waarom sprake is van een schending van ( beginselen uit) deze regelgeving. Ook deze beroepsgronden slagen niet. Eerder aangevoerde stukken/gronden 13. Daarnaast heeft eiser voor het overige verzocht wat eerder in de procedure is aangevoerd als herhaald en ingelast te beschouwen in de gronden van beroep. Omdat de minister hier in het bestreden besluit op in is gegaan en eiser deze gronden in beroep niet nader heeft onderbouwd, kan de enkele verwijzing niet leiden tot het daarmee door eiser nagestreefde resultaat. Ook deze beroepsgrond slaagt daarom niet. Conclusie en gevolgen 14. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S.W. Kroon, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Rashid, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Vreemdelingenwet 2000 De HDP en Yeşiller ve Sol Gelecek Partisi (YSP) zijn in 2023 verdergegaan onder de nieuwe partijnaam Halkların Eşitlik ve Demokrasi Partisi (DEM Parti). De minister verwijst naar artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. De minister verwijst naar artikel 31, zesde lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000. MK van de Rb Den Haag, zittingsplaats Roermond van 7 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:136. ECLI:NL:RBDHA:2025:2170. ECLI:NL:RBDHA:2025:11149 en ECLI:NL:RBHA:2025:16613. Nader gehoor, p. 10. Nader gehoor, p. 17. Idem. ECLI:NL:RBDHA:2025:20954. Rapport nader gehoor, p. 3. Rapport nader gehoor, p. 3. Rapport nader gehoor, p. 21 Rapport nader gehoor, p. 5, 29 en 32. Rapport nader gehoor, p. 17, 18, 20, 33 en 40. ECLI:NL:RBDHA:2025:8794. ECLI:NL:RBDHA:2024:9130.