ECLI:NL:RBDHA:2026:13245
Rechtbank Den Haag · 2026-05-22 · Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Terechte verlenging uiterlijke overdrachtsdatum (UOD) o.g.v. artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening wegens onderduiken. Gecontroleerde transfer naar Kroatië op vliegveld München mislukt door elektronische problemen in systemen Duitse federale politie kan eiser niet worden verweten, maar dat hij het vliegveld heeft verlaten en zich daarna niet heeft gemeld bij de Nederlandse autoriteiten wel. Daarom mocht de minister uitgaan van vertrek met onbekende bestemming (MOB) en van onttrekking aan het toezicht.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: NL26.11825 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. D.P.J. Grommen), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (de minister) (gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovacs). Procesverloop 1. Op 24 februari 2026 heeft de minister aan eiser het (bestreden) besluit bekendgemaakt dat de overdrachtstermijn van eiser aan Kroatië is verlengd omdat er volgens de minister sprake is van onderduiken. 1.1. Eiser heeft op 3 maart 2026 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en op 11 maart 2026 schriftelijke gronden ingediend. 1.2. Op 20 april 2026 heeft de rechtbank aan de minister verzocht om uiterlijk op 28 april 2026 te reageren op de gronden van beroep. De minister heeft dit op 22 april 2026 gedaan en daarbij aanvullende informatie ingediend. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 8 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen. Totstandkoming van het bestreden besluit 2. Eiser heeft de Syrische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1996. Eiser heeft op 25 april 2024 een (eerste) asielaanvraag ingediend in Nederland. 2.1. Bij besluit van 8 oktober 2024 heeft de minister deze aanvraag niet in behandeling genomen omdat volgens de minister Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Het beroep daartegen is bij uitspraak van 29 november 2024 ongegrond verklaard , net als het hoger beroep bij uitspraak van 10 december 2024. 2.2. Eiser heeft op 11 september 2025 een bezwaar feitelijk handelen ingediend in verband met een geplande overdracht aan Kroatië op 16 september 2025 en daarbij een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Op 12 september 2025 is op grond van artikel 3.1, tweede lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) besloten de overdracht niet achterwege te laten. Het verzoek om een voorlopige voorziening is bij uitspraak van 15 september 2025 afgewezen. Eiser is vervolgens op 16 september 2025 overgedragen aan Kroatië. 2.3. De eveneens op 11 september 2025 door eiser ingediende opvolgende asielaanvraag is bij besluit van 16 oktober 2025 wederom niet in behandeling genomen omdat volgens de minister Kroatië (nog steeds) verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser heeft hiertegen geen rechtsmiddelen aangewend. 2.4. Eiser is op 31 januari 2026 staande gehouden door de Vreemdelingenpolitie Limburg en vervolgens op 1 februari 2026 in bewaring gesteld op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser heeft aanvankelijk wederom een opvolgende asielaanvraag ingediend, maar deze op 1 februari 2026 weer ingetrokken. Om die reden heeft de minister op 9 februari 2026 een (los) overdrachtsbesluit genomen waarin werd besloten om eiser over te dragen aan Kroatië. Het hiertegen door eiser in gestelde beroep is op 23 februari 2026 ingetrokken. 2.5. Eiser zou op 20 februari 2026 worden overgedragen aan Kroatië. Uit aanvullende informatie van de minister is gebleken dat deze overdracht is gefaald, omdat eiser bij de overstap op het vliegveld van München door elektronische problemen in de hoofdservers van de Duitse federale politie het vliegveld onbegeleid kon verlaten. Eiser is op dat moment met onbekende bestemming (MOB) vertrokken. 2.6. Gelet op het voorgaande heeft de minister op 24 februari 2026 aan de autoriteiten van Kroatië laten weten eiser niet te kunnen overdragen en de overdrachtstermijn verlengd tot achttien maanden. Op dezelfde datum heeft de minister (via zijn gemachtigde) aan eiser laten weten de overdrachtstermijn te verlengen tot en met 6 augustus 2026 op grond van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening wegens onderduiken. Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank beoordeelt of de minister de termijn voor overdracht van eiser aan Kroatië terecht en op goede gronden heeft verlengd wegens onderduiken. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden. 3.1. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het toetsingskader 4. Uit artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening volgt dat indien de overdracht niet plaatsvindt binnen de gestelde termijn van zes maanden, de verplichting voor de verantwoordelijke lidstaat om een vreemdeling over te nemen of terug te nemen komt te vervallen en de verantwoordelijkheid overgaat op de verzoekende lidstaat. Uit hetzelfde artikel volgt dat indien de vreemdeling onderduikt, deze termijn tot maximaal achttien maanden kan worden verlengd. 4.1. Volgens het Jawo-arrest en rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) moet artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening zo worden uitgelegd dat sprake is van onderduiken als een vreemdeling er doelbewust voor zorgt dat hij buiten het bereik blijft van de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de overdracht, met het oogmerk om deze te voorkomen. Daarvan is in ieder geval sprake wanneer de overdracht niet kan worden uitgevoerd, omdat de vreemdeling de hem toegekende woonplaats heeft verlaten zonder de bevoegde nationale autoriteiten van zijn afwezigheid op de hoogte te brengen, op voorwaarde dat hij werd geïnformeerd over zijn verplichtingen. Het is vervolgens aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat hij niet de bedoeling had om de overdracht te voorkomen. 4.2. Op grond van het beleid neergelegd in paragraaf C1/2.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 C (de Vc) is het belangrijk dat de vreemdeling in kennis wordt gesteld van zijn verplichting om mee te werken aan de overdracht. Ook moet hij geïnformeerd worden over de gevolgen van het niet meewerken hieraan. Als de vreemdeling op de hoogte was van zijn verplichtingen en vervolgens (tijdelijk) buiten bereik van de autoriteiten is, dan neemt de IND in ieder geval aan dat de vreemdeling zich aan de uitvoering van de overdracht heeft onttrokken. Heeft eiser procesbelang? 5. De rechtbank ziet in de eerste plaats geen aanleiding voor het standpunt dat eiser geen procesbelang (meer) heeft bij een behandeling van zijn beroep. De gemachtigde van de minister heeft in dit verband op zitting naar voren gebracht dat volgens rechtspraak van de Afdeling sprake moet zijn van daadwerkelijk contact tussen de gemachtigde en de vreemdeling en dat dit contact moet worden laten zien c.q. aangetoond. Naar het oordeel van de rechtbank reikt de rechtspraak van de Afdeling niet zo ver dat van de gemachtigde van een vreemdeling wordt verlangd dat hij/zij bewijs overlegt van de communicatie met zijn/haar cliënt(e). Dit betekent dat wanneer de gemachtigde van een vreemdeling de stelling inneemt dat er contact is (geweest) met deze vreemdeling na het bestreden besluit dan wel een MOB-melding (hetgeen in deze zaak overigens niet aan de orde is), de rechtbank ervan uit mag gaan dat deze informatie juist is, tenzij uit het dossier volgt dat er aan deze informatie getwijfeld kan worden. Nu in de zaak van eiser is op zitting gebleken dat er sprake is (geweest) van (rechtstreeks) contact tussen eiser en zijn gemachtigde (van na het bestreden besluit) en de gemachtigde van eiser op de hoogte is van zijn verblijfplaats (in Nederland), moet volgens de rechtbank worden aangenomen dat eiser procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Hierna zal de rechtbank dan ook nader ingaan op de beroepsgronden van eiser. Is de minister terecht uitgegaan van onderduiken door eiser? 6. Eiser is het niet eens met de beslissing van de minister om de overdrachtstermijn aan Kroatië te verlengen, omdat op het moment van deze verlenging volgens eiser geen sprake was van onderduiken c.q. onttrekken aan het toezicht in de zin van het Jawo-arrest. Eiser heeft namelijk gewoon meegewerkt aan de overdracht vanuit Nederland en uit de aanvullende informatie die door de minister is ingediend blijkt dat het de Duitse autoriteiten zijn geweest die tekort zijn geschoten. Volgens zijn gemachtigde was eiser in de veronderstelling na aankomst in München voor zijn transfer / transit naar Kroatië te worden opgewacht door de Duitse autoriteiten (hetgeen ook door een stewardess aan hem zou zijn medegedeeld), maar toen er niemand stond is hij met de meute meegelopen en stond hij op enig moment buiten het vliegveld. De miscommunicatie tussen de Nederlandse en Duitse autoriteiten is volgens eiser niet aan hem te wijten. 6.1. Naar het oordeel van de rechtbank is de minister terecht uitgegaan van onderduiken, omdat aan de zijde van eiser sprake is geweest (en nog altijd sprake is) van onttrekking aan het toezicht. De gemachtigde van de minister heeft zich in dit verband op zitting terecht op het standpunt gesteld dat, hoewel eiser op de hoogte was van het feit dat hij aan Kroatië werd overgedragen, eiser wist dat er een aansluitende vlucht was van München naar Kroatië en hij er voor heeft gekozen om het vliegveld te verlaten in plaats van de aansluitende vlucht te zoeken. Dat de fout van de Duitse autoriteiten door hem ter plaatse niet op te wachten niet aan eiser kan worden verweten kan de rechtbank wel degelijk volgen. Dit neemt echter niet weg dat naar het oordeel van de rechtbank van eiser had mogen worden verwacht dat hij zichzelf op het vliegveld bij iemand meldde nadat was gebleken dat hij niet werd opgewacht om te vragen waar zijn aansluitende vlucht zou zijn. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn standpunt dat hem niet kan worden verweten dat hij met mensen is meegelopen en hij ineens buiten stond. Er zit naar het oordeel van de rechtbank namelijk een verschil tussen een aansluitende vlucht zoeken en het vliegveld verlaten. Bovendien, al zou de rechtbank eiser in zijn standpunt volgen dat hem het verlaten van het vliegveld niet verweten kan worden, dan had van eiser verwacht mogen worden dat hij zich direct daarna bij de Nederlandse autoriteiten zou melden. Dit heeft eiser niet gedaan, ondanks dat hij volgens zijn gemachtigde alweer enige tijd in Nederland verblijft. De rechtbank stelt op grond hiervan vast dat eiser zich wel degelijk aan het toezicht onttrekt sinds hij het vliegveld van München heeft verlaten. Daarbij komt dat eiser, zoals is beschreven in de totstandkoming van het bestreden besluit, eerder is overgedragen aan Kroatië in het kader van een Dublinoverdracht, waaruit volgens de rechtbank mag worden afgeleid dat hij op de hoogte was c.q. kon zijn van hoe een dergelijke overdracht in zijn werk gaat. Het enkele feit dat eiser heeft meegewerkt aan ‘het Nederlandse deel’ van de overdracht aan Kroatië (dat wil zeggen: de vlucht van Amsterdam naar München), neemt niet weg dat (nog) geen sprake was van een afgeronde overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat en eiser tot die tijd beschikbaar moest blijven voor de overdragende autoriteiten. Dat dit in zijn geval formeel niet meer de Nederlandse maar de Duitse autoriteiten waren, doet hier volgens de rechtbank eveneens niet aan af. Een andere uitleg zou namelijk afbreuk doen aan de nuttige werking van de Dublinverordening. Om die reden dient nog altijd te worden gekeken naar het eerder in deze uitspraak geschetste toetsingskader. 6.2. Concluderend overweegt de rechtbank dat eiser met zijn verklaringen (via zijn gemachtigde op zitting), over de gang van zaken na aankomst op het vliegveld in München en het feit dat hij zich inmiddels weer in Nederland bevindt zonder zich te melden bij de Nederlandse autoriteiten, onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet de bedoeling had om de overdracht aan Kroatië te voorkomen. Het bestreden besluit is dan ook terecht genomen en het beroep van eiser slaagt daarom niet. Conclusie en gevolgen 7. De minister mocht de uiterlijke overdrachtstermijn van eiser aan Kroatië verlengen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. D.D. Kock, rechter, in aanwezigheid van mr. D. Janssens, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 22 mei 2026 Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. NL24.39408 / ECLI:NL:RBDHA:2024:20611 (gepubliceerd op 10 december 2024). ECLI:NL:RVS:2024:5076. NL25.44025 / ECLI:NL:RBLIM:2025:8903 (niet gepubliceerd). Tijdens de behandeling van het beroep op zitting is gebleken dat de genoemde nieuwe uiterlijke overdrachtsdatum van 6 augustus 2026 een verschrijving is, nu dit 6 augustus 2027 moet zijn. Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 19 maart 2019 (ECLI:C:EU:2019:218). Dit volgt uit de uitspraken van de Afdeling van 14 december 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3630) en 5 januari 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:16), hetgeen in latere rechtspraak van de Afdeling is bevestigd. Hierbij wordt verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 1 april 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1785).