ECLI:NL:RBDHA:2026:13178
Rechtbank Den Haag · 2026-05-21 · Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Afwijzing asielaanvraag. Palestijnse afkomst en stateloos. De minister heeft de uitsluitingsgrond van artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag terecht niet op eiser van toepassing geacht. De minister heeft, gelet op de recente ontwikkelingen in de Westelijke Jordaanoever, onvoldoende gemotiveerd dat eiser bij terugkeer geen reëel risico op ernstige schade loopt. Gegrond beroep. Motiveringsgebrek.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: NL25.23309 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser (gemachtigde: mr. H.G.M. van Zutphen), en de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. P.M.W. Jans). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd dat eiser bij terugkeer geen reëel risico op ernstige schade loopt . Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Palestijnse afkomst en stateloos te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1992. De minister heeft met het bestreden besluit van 16 mei 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. De rechtbank heeft het beroep samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep op 1 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M. Momand als tolk en de gemachtigde van de minister. Op deze zitting zijn ook het beroep van zijn vrouw en het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep behandeld. Beoordeling door de rechtbank Het asielrelaas 3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is van Palestijnse afkomst, meer specifiek komt hij uit de Westelijke Jordaanoever. Eiser is toen hij klein was tijdens de gevechten bij een moskee gewond geraakt. In 2015 heeft eiser een incident meegemaakt met soldaten op het universiteitsplein. Eiser werd daarbij ondervraagd en zijn handen werden gecontroleerd op brandblaren. In 2016 reed eiser vanwege zijn werk mee met een ambulance toen er bommen naar de ambulance zijn gegooid. In 2017 heeft eiser vanwege de algemene situatie de Westelijke Jordaanoever verlaten en is hij naar de Verenigde Arabische Emiraten verhuisd. Eiser heeft ook een sloopbevel voor het huis van zijn familie overgelegd. Eiser is inmiddels getrouwd en zijn vrouw is afkomstig uit de Filipijnen. Het bestreden besluit 4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen: 1. identiteit, nationaliteit en herkomst; 2. gewelddadige incidenten op Westelijke Jordaanoever. De minister stelt zich hierover op het standpunt dat beide elementen geloofwaardig zijn. Uit eiseres verklaringen volgt volgens de minister niet dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft. Verder stelt de minister dat artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag, dat in de huidige praktijk van toepassing is op (staatloze) Palestijnse vreemdelingen die onder het mandaat van de United Nations Relief and Works Agency (verder: UNRWA) vallen, niet op eiser van toepassing is. Eiser loopt volgens de minister bij terugkeer naar de Westelijke Jordaanoever ook geen reëel risico op ernstige schade. Hoewel er sprake is van gewapend geweld in de Westelijke Jordaanoever leidt dit niet tot een dermate hoge mate van willekeurig geweld dat dit aan te merken valt als een situatie als in artikel 15, onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Omdat eiser niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd toen dat mogelijk was concludeert de minister dat de asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Heeft de minister terecht de uitsluitingsgrond van artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag niet van toepassing geacht? Wat is het standpunt van eiser? 5. Eiser stelt dat hem de vluchtelingenstatus toekomt op grond van artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag. Eiser heeft een UNRWA-registratie overgelegd waarmee volgens hem vaststaat dat hij een vluchtelingenstatus heeft. De minister gaat er ten onrechte vanuit dat de steun vanuit de UNRWA slechts voedsel betrof. De humanitaire situatie was zorgwekkend en eiser moet worden aangemerkt als vluchteling. Wat is het oordeel van de rechtbank? 6. Uit artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag volgt dat het Vluchtelingenverdrag niet van toepassing is op personen die al bescherming of bijstand genieten van andere organen of instellingen dan de Hoge Commissaris van de VN (hierna: de uitsluitingsgrond). Wanneer deze bescherming of bijstand echter om welke reden dan ook is opgehouden, zonder dat de positie van zodanige personen definitief is geregeld in overeenstemming met de resoluties van de Algemene Vergadering van de VN, vallen deze personen van rechtswege onder het Vluchtelingenverdrag (hierna: de insluitingsgrond). 6.1. Het Hof heeft in de arresten Bolbol en El Kott een toelichting gegeven op artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag, die de minister heeft uitgewerkt in Werkinstructie 2020/19 Palestijnen: “1. Enkel een registratie bij de UNRWA is niet voldoende om onder de uitsluitingsgrond van artikel 1D Vluchtelingenverdrag te vallen. Daarnaast is het van belang dat de UNRWA de bescherming ook zonder registratie kan verlenen. Alleen degenen die daadwerkelijk de door de UNRWA geboden hulp hebben ingeroepen (of genoten) vallen onder de uitsluitingsgrond, niet de personen die in aanmerking komen of kwamen voor de bescherming of bijstand van deze organisatie. Het is dus van belang dat de IND tijdens gehoren nagaat of de bescherming of bijstand daadwerkelijk is ingeroepen. Het gaat dan om de periode direct voorafgaand aan of kort vóór het indienen van het asielverzoek in Nederland (zie toelichting onder 6.3). 2. Als de IND heeft vastgesteld dat de vreemdeling de hulp van de UNRWA heeft ingeroepen of genoten, moet worden bezien of de vreemdeling vrijwillig of door de omstandigheden gedwongen het gebied heeft verlaten waar de hulp wordt geboden. (…)” 6.2. Niet in geschil is dat eiser een UNRWA-registratie heeft overgelegd en dat de Westelijke Jordaanoever een UNRWA-mandaatgebied is. In de uitspraak van 19 februari 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) overwogen dat uit de rechtspraak van het Hof volgt dat de enkele omstandigheid dat de vreemdeling is geregistreerd bij de UNRWA nog niet leidt tot toepasselijkheid van artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag. Van belang is of de vreemdeling direct voorafgaand aan of kort vóór het indienen van zijn asielaanvraag daadwerkelijk bijstand heeft ontvangen van de UNRWA en of die bijstand is opgehouden om redenen buiten de invloed en onafhankelijk van de wil van die vreemdeling. 6.3. Uit het verslag van het nader gehoor van 8 mei 2025 blijkt dat de minister eiser heeft bevraagd over de gestelde UNRWA-bescherming. De rechtbank stelt vast dat eiser heeft verklaard dat hij in januari 2017 uit zijn land van herkomst is vertrokken om te gaan werken in de Arabische Verenigde Emiraten (VAE). Eiser en zijn vrouw zijn in april 2022 naar Nederland gereisd en zijn toen naar Frankrijk vertrokken. Op 9 maart 2023 hebben eisers asiel aangevraagd in Nederland. Daargelaten of eiser daadwerkelijk hulp van de UNWRA heeft ingeroepen of genoten, vaststaat dat dit niet gedurende de periode direct voorafgaand aan of kort vóór het indienen van het asielverzoek in Nederland was. Uit de rechtspraak van de Afdeling volgt dat een verblijf van drie jaar buiten het werkgebied van de UNRWA maakt dat de vreemdeling niet valt onder de reikwijdte van artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag. Nu eiser ruim vijf jaar buiten het werkgebied van de UNRWA heeft verbleven voorafgaand aan zijn asielaanvraag in Nederland, komt hem geen aanspraak op grond van artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag toe. In wat eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om anders te oordelen. De beroepsgrond slaagt niet. Loopt eiser bij terugkeer naar de Westelijke Jordaanoever een reëel risico op ernstige schade? Wat is het standpunt van eiser? 7. Eiser voert aan dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar de Westelijke Jordaanoever. Eiser heeft in dit verband gewezen op een aantal incidenten dat hij heeft meegemaakt waaruit volgt dat hij in de negatieve aandacht van de autoriteiten staat. Er is geen bescherming mogelijk tegen de raketaanvallen en de Palestijnse bevolking is overgeleverd aan oorlogshandelingen. Eiser heeft ook een sloopbevel voor het huis van zijn familie overgelegd en wijst erop dat de Israëlische autoriteiten op 20 januari 2026 begonnen zijn met het slopen van gebouwen van de UNRWA. Tot slot heeft eiser foto’s overgelegd waarop te zien is dat gebouwen in zijn buurt gesloopt zijn. Wat is het standpunt van de minister? 8. De minister wijst op de besluitvorming waarin afdoende is gemotiveerd dat het gewapende geweld in de Westelijke Jordaanoever niet tot een dermate hoge mate van willekeurig geweld leidt dat dit aan te merken valt als een situatie als in artikel 15, onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Het willekeurig geweld dat plaatsvindt ten gevolge van het gewapende conflict heeft in beginsel dan ook niet het relatief hoge niveau waardoor enkel door aanwezigheid sprake kan zijn van een reëel risico op ernstige schade. Eiser is er niet in geslaagd om individuele risico verhogende omstandigheden aan te voeren. Wat is het oordeel van de rechtbank? 9. Eiser heeft verwezen naar recente informatie waaruit volgt dat de Israëlische autoriteiten gebouwen van de UNRWA slopen waardoor het werk van de United Nations wordt ondermijnd. Daarnaast heeft eiser een sloopbevel voor het huis van zijn familie overgelegd en heeft hij erop gewezen dat hij inmiddels gehuwd is. De minister heeft volstaan met de vaststelling dat het willekeurig geweld dat plaatsvindt in beginsel niet het relatief hoge niveau heeft waardoor enkel door aanwezigheid sprake kan zijn van een reëel risico op ernstige schade. Uit hetgeen in beroep is aangevoerd blijkt volgens de minister niet dat de situatie dusdanig is veranderd dat dit uitgangspunt niet langer kan gelden. 9.1. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarop deze conclusie is gebaseerd, gelet op de recente ontwikkelingen en overgelegde informatie die dateert van na het bestreden besluit. De minister heeft ter zitting gesteld dat er recente landeninformatie is waarbij de precaire situatie is meegenomen maar waaruit niet valt af te leiden dat de situatie aanzienlijk is verslechterd. Bij navraag kon de minister niet duiden welke informatie dit betreft of van wanneer deze dateert. De rechtbank gaat er vanuit dat de minister heeft bedoeld te wijzen op het rapport “Palestijnse Gebied, Rapport Veiligheidssituatie op de Westelijke Jordaanoever” van de Immigratie- en Naturalisatiedienst van juni 2024. Gelet op de situatie in de Palestijnse gebieden waarbij recente ontwikkelingen van belang kunnen zijn, waaronder het door Israël uitgevaardigde verbod van UNWRA per januari 2025, had dit naar het oordeel van de rechtbank wel van de minister verwacht mogen worden. Gelet op de recente ontwikkelingen in de Palestijnse gebieden en de overgelegde informatie waaruit volgt dat de United Nations ernstig worden beperkt in hun mogelijkheden om vluchtelingen te ondersteunen, heeft de minister onvoldoende onderbouwd waarom dit niet moet leiden tot een andere conclusie over de algemene veiligheidssituatie in de Palestijnse gebieden, en in het bijzonder de Westelijke Jordaanoever. Hetgeen eiser heeft aangevoerd over de situatie in de Westelijke Jordaanoever sluit daarbij aan bij hetgeen de rechtbank ambtshalve bekend is over dat gebied. Zo volgt uit informatie van de Migratieradar Asiel voorjaar 2026 dat de situatie aldaar nog steeds gekenmerkt wordt door Israëlische militaire acties en geweld van kolonisten. Het geweld door kolonisten tijdens de olijfoogst heeft het hoogste niveau bereikt sinds 2006: er waren ongeveer 150 gedocumenteerde aanvallen, waarbij meer dan 140 Palestijnen gewond zijn geraakt en meer dan 4.200 bomen in 77 dorpen zijn vernield. In december 2025 heeft het Israëlische kabinet blijkens deze informatie een voorstel goedgekeurd voor de bouw van negentien nieuwe Israëlische nederzettingen op de bezette Westelijke Jordaanoever hetgeen een directe bedreiging vormt voor een mogelijke Palestijnse staat en zal leiden tot nieuwe ontheemde Palestijnen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer geen reëel risico op ernstige schade loopt. Het is daarnaast niet inzichtelijk of, en in welke mate, de slechte humanitaire omstandigheden zijn meegenomen bij de beoordeling van de mate van willekeurig geweld. 10. Aan een beoordeling van de overige beroepsgronden komt de rechtbank niet meer toe. Conclusie en gevolgen 11. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. De rechtbank geeft de minister hierbij mee dat bij een nieuw te nemen besluit tevens in moet worden gegaan op het huwelijk van eiser en de gevolgen daarvan op een eventuele terugkeer. 11.1. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken. 11.2. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit van 16 mei 2002; - draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak; - veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach - de Wit, rechter, in aanwezigheid van F.E. Siblesz, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Vreemdelingenwet 2000. Zaak NL25.23310. Zaaknummers NL25.23307 en NL25.23308. Het Hof van Justitie van de Europese Unie. Arrest van 17 juni 2010, ECLI:EU:C:2010:351. Arrest van 19 december 2012, ECLI:EU:C:2012:826. ECLI:NL:RVS:2019:557. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 23 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:827. Euro-Med Human Rights Monitor, ‘Israel’s demolition of UNRWA facilities undermines UN, imposes de facto annexation in East Jerusalem’ , 20 januari 2026 en Aljazeera, ‘Israel bulldozes UNRWA buildings in occupied East Jerusalem’, 20 januari 2026. Migratieradar Asiel voorjaar 2026, Ontwikkelingen in de periode september-december 2025 en verwachting van asielmigratie, p. 14. Migratieradar Asiel voorjaar 2026, Ontwikkelingen in de periode september-december 2025 en verwachting van asielmigratie, p. 14.