ECLI:NL:RBDHA:2026:11590
Rechtbank Den Haag · 2026-05-12 · Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Beroep tegen afwijzing asielaanvraag. Beroep ongegrond. Oekraïne. Er is geen sprake van vervolging in de zin van het vluchtelingenverdrag of een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM vanwege het niet willen dienen in het Oekraïense leger. Eiser is al voor het uitbreken van de oorlog vertrokken en daardoor niet automatisch strafbaar vanwege zijn vertrek.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: NL25.37780 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser, (gemachtigde: mr. J.G. Brands) en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. A. Sloots). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft voldoende gemotiveerd dat eiser zijn vrees voor vervolging of een schending van artikel 3 van het EVRM vanwege weigering van de militaire dienstplicht niet aannemelijk heeft gemaakt. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Oekraïense nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1977. De minister heeft met het bestreden besluit van 7 augustus 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 3 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Eiser was niet aanwezig. Beoordeling door de rechtbank Wat is het asielrelaas van eiser? 3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij is mishandeld en twee dagen in een kelder vastgehouden, vanwege een niet terugbetaalde geldlening. Toen hij werd vrijgelaten heeft hij Oekraïne verlaten. Bij terugkeer naar Oekraïne vreest hij dat de geldeisers hem vinden en hem nog een keer mishandelen of doden. Ook vreest hij dat hij dan moet vechten in de oorlog tegen Rusland. Wat is het standpunt van de minister in het bestreden besluit? 4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven: -de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser; -de ondervonden problemen na het niet terugbetalen van de lening; -het niet willen dienen in het Oekraïense leger bij terugkeer. 4.1. De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit van eiser ongeloofwaardig is. Zijn nationaliteit en herkomst gelooft de minister wel. De gestelde problemen met zijn geldeisers vindt de minister ook ongeloofwaardig. Verder stelt de minister zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij te vrezen heeft voor vervolging of voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als ongegrond. Wat ligt er aan de rechtbank voor ter beoordeling? 5. Eiser heeft geen beroepsgronden aangevoerd tegen het feit dat de minister zijn gestelde problemen met zijn geldeisers ongeloofwaardig vindt. De rechtbank beoordeelt dat daarom niet. Heeft de minister de identiteit van eiser ongeloofwaardig kunnen vinden? Wat is het betoog van eiser? 6. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte twijfelt aan zijn identiteit. De door hem in Nederland opgegeven identiteitsgegevens komen namelijk exact overeen met de identiteitsgegevens die in Tsjechië zijn geregistreerd. Deze identiteitsgegevens zijn volgens eiser gebaseerd op de originele identiteitsdocumenten die hij daar heeft overgelegd. Wat is het oordeel van de rechtbank? 6.1. De minister heeft voldoende gemotiveerd dat de identiteit van eiser ongeloofwaardig is. Daarbij heeft de minister van belang mogen vinden dat eiser geen identificerende documenten heeft overgelegd. Ook heeft de minister in aanmerking mogen nemen dat eiser onvoldoende moeite heeft gedaan om aan nieuwe documenten te komen . Eiser heeft immers verklaard bij zijn vertrek uit Oekraïne over een Oekraïens paspoort en rijbewijs te beschikken. Deze documenten zijn in Tsjechië gestolen. Toen eiser deze documenten kwijtraakte, was er nog geen oorlog in Oekraïne, dus mocht de minister van hem verwachten om vervangende documenten te regelen. Dat de geregistreerde identiteitsgegevens van eiser uit Tsjechië precies overeenkomen met de in Nederland opgegeven identiteitsgegevens is onvoldoende reden voor een ander oordeel. Hiermee heeft eiser namelijk nog niet aannemelijk gemaakt dat de in Tsjechië geregistreerde identiteitsgegevens daadwerkelijk zijn gebaseerd op de daar door eiser overgelegde originele documenten. De beroepsgrond slaagt niet. Heeft eiser aannemelijk gemaakt dat hij te vrezen heeft voor vervolging of een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM? Wat is het betoog van eiser? 7. Eiser voert ten eerste aan dat er al meerdere jaren een zeer bloedige oorlog gaande is tussen Oekraïne en Rusland. De kans dat hij bij terugkeer naar Oekraïne zijn dienstplicht moet vervullen en in het kader daarvan ingezet zal worden aan het front is meer dan aanzienlijk. Volgens eiser is er sprake van een internationaal veroordeeld conflict. Hij verwijst daarbij naar een artikel waarin het Europees Bureau voor Gewetensbezwaren de Europese landen oproept om bescherming te bieden aan dienstplichtige Russen en Oekraïners die de oorlog ontvluchten. Ten tweede betoogt eiser dat iedere bestraffing voor het niet willen doden en het aanmerkelijke risico lopen om zelf gedood te worden onevenredig is. Tot slot voert eiser aan dat hij diepgewortelde gewetensbezwaren heeft om deel te nemen aan de gevechtshandelingen in Oekraïne. Ter ondersteuning daarvan betoogt hij dat hij in het verleden veroordeeld is voor het plegen van een geweldsmisdrijf. Gelet daarop heeft hij zich voorgenomen nooit in zijn leven meer tegen iemand geweld te willen gebruiken. Ook verzet zijn christen-orthodoxe levensovertuiging zich tegen deelname aan gevechtshandelingen. Op de bezwaren van eiser tegen het vervullen van militaire dienst is tijdens het nader gehoor door de minister niet doorgevraagd. Wat is het oordeel van de rechtbank? 8. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn eventuele weigering van de dienstplicht bij terugkeer naar Oekraïne leidt tot vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag . 8.1. In de Vc is beschreven wanneer de minister aanneemt dat er sprake is van gegronde vrees voor vervolging wegens dienstweigering of desertie. De minister kijkt eerst of de vreemdeling dienst heeft geweigerd of is gedeserteerd, omdat hij vreesde anders te moeten deelnemen aan oorlogsmisdrijven . Pas als daarvan geen sprake is, bekijkt de minister of dienstweigering of desertie leidt tot een onevenredige of discriminatoire bestraffing of dat deze voortkomt uit onoverkomelijke gewetensbezwaren vanwege een godsdienst of andere diepgewortelde overtuiging . 8.2. Tussen partijen is niet in geschil dat er een militaire dienstplicht geldt in Oekraïne en dat eiser de dienstplichtige leeftijd heeft om daarvoor te worden opgeroepen. Ook is het geen discussiepunt dat voor het weigeren van militaire dienstplicht de straf kan oplopen van drie tot vijf jaar gevangenisstraf. Sinds de invoering van de krijgswet is alternatieve dienst voor gewetensbezwaarden in Oekraïne niet meer mogelijk. 8.3. De minister heeft voldoende gemotiveerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een gegronde vrees heeft om in het Oekraïense leger te dienen en te moeten deelnemen aan oorlogsmisdrijven. De minister heeft zich namelijk niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij daadwerkelijk zal worden uitgezonden om te vechten. Daarbij heeft de minister van belang kunnen vinden dat eiser, gelet op zijn medische problematiek, waarschijnlijk niet door de medische keuring komt. Ook kon de minister betrekken dat eiser niet eerder militaire dienst heeft vervuld en daarom niet duidelijk heeft kunnen maken onder welke omstandigheden hij eventueel zal worden ingezet. Wat betreft de stelling dat er sprake is van een internationaal veroordeeld conflict, overweegt de rechtbank dat hiervan weliswaar sprake is, maar dat Rusland daarin de agressor is en niet Oekraïne. Oekraïne ontvangt zelfs steun vanuit de EU om zich te verdedigen. Door te dienen in het Oekraïense leger neemt eiser dan ook geen deel aan oorlogsmisdrijven. 8.4. Ook heeft de minister voldoende gemotiveerd waarom eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een gegronde vrees heeft voor een onevenredige of discriminatoire bestraffing. Niet is bestreden dat er alleen een gevangenisstraf wordt opgelegd wanneer eiser de mobilisatie ontduikt nádat de medische keuring heeft plaatsgevonden. Daarvóór is het een administratieve overtreding die leidt tot een geldboete. Het enkele betoog van eiser dat iedere bestraffing voor het niet willen doden en het aanmerkelijke risico lopen om zelf gedood te worden al onevenredig is, slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser op geen enkele manier heeft onderbouwd dat er sprake is van een onevenredige bestraffing bij weigering van de dienstplicht. De maximale straf (een gevangenisstraf van vijf jaar) die in Oekraïne kan worden opgelegd, is niet disproportioneel voor een land in oorlog. 8.5. De rechtbank is tot slot van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege onoverkomelijke principiële bezwaren vanwege een godsdienstige of andere diepgewortelde overtuiging de dienstplicht zal weigeren. Voor dat oordeel is redengevend dat eiser tijdens het nader gehoor zelf niet heeft verklaard over zijn gestelde godsdienstige gewetensbezwaren. Eiser heeft dit ook niet in de correcties en aanvullingen naar voren gebracht, maar pas voor het eerst in de beroepsgronden. Eisers verklaring tijdens het nader gehoor dat hij geen mensen wil vermoorden en zelf ook niet vermoord wil worden heeft de minister onvoldoende mogen vinden om als ernstige en onoverkomelijke gewetensbezwaren aan te merken. De minister hoefde hier tijdens het nader gehoor ook niet op door te vragen. Aangezien het moet gaan om ernstige en onoverkomelijke principiële bezwaren, mocht de minister van eiser verwachten dat hij uit zichzelf al meer uitleg gaf over zijn bezwaren tijdens het gehoor. 8.6. Wat betreft een eventuele behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM heeft de minister zich ook niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij hierop een reëel risico loopt. Hierbij heeft de minister mogen betrekken dat eiser Oekraïne voor 24 februari 2020 heeft verlaten. Het is daarom niet aannemelijk dat hij bij terugkeer zonder meer in de gevangenis terecht zal komen. Wel kan eiser naar een militair commissariaat gestuurd worden voor medische keuring, maar dat is niet anders voor hem dan voor andere Oekraïense mannen. Ook mocht de minister van belang vinden dat de Oekraïense president op 16 april 2024 een wet heeft ondertekend die de dienstplicht afschaft en vervangt met militaire basistraining. Dit om te voorkomen dat mannen onvoorbereid naar het front gestuurd worden . 8.7. De beroepsgronden slagen niet. Conclusie en gevolgen 9. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P.W. Esmeijer, rechter, in aanwezigheid van mr. E.J. Snoeijer, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Vreemdelingenwet 2000. Zie artikel 31 Vw, lid 6, voorwaarde b. Artikel ‘Geef deserteurs en dienstweigeraars uit Rusland en Oekraïne asielrecht!’ van 19 mei 2023. Verdrag betreffende de status van vluchtelingen van 1951. Vreemdelingencirculaire. Zie artikel 3.36, tweede lid, onder e, Voorschrift Vreemdelingen 2000. Zie paragraaf C2/3.2.7 van de Vreemdelingencirculaire. Pagina 13 van het rapport nader gehoor. Pagina 7 van het voornemen, verwijzing naar https://www.kyivpost.com/post/31211.