ECLI:NL:RBDHA:2026:11030
Rechtbank Den Haag · 2026-05-08 · Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Asiel, Dublin, Duitsland, interstatelijk vertrouwensbeginsel, medische omstandigheden bij overdracht, artikel 17 van de Dvo, ongegrond.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL26.9196 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 mei 2026 in de zaak tussen [eiser], v-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. E.G. Grigorjan), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. S.H. de Vries). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 18 februari 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. 1.1. De rechtbank heeft het beroep op 23 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, gemachtigde van eiser en gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden. 2.1. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Totstandkoming van het besluit 3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard. Mag de minister voor Duitsland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel? 4. Eiser betoogt dat de minister in zijn geval voor Duitsland niet mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser wordt in Duitsland met de dood bedreigd vanwege zijn geaardheid en zijn rol als activist in Irak. In een opvanglocatie heeft hij problemen met bewoners gehad. Hij vreest terug te moeten keren naar de Duitse regio waar hij deze problemen had, mogelijk naar dezelfde opvanglocatie. Verder vreest eiser dat hij in Duitsland niet de benodigde medische en psychische zorg zal ontvangen. 4.1. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag de minister ervan uitgaan dat lidstaten van de Europese Unie hun verdragsverplichtingen tegenover asielzoekers zullen nakomen. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken als eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 4 van het Handvest. Deze tekortkomingen moeten dan een hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. Of deze bereikt wordt, hangt af van de omstandigheden van het geval. 4.2. De beroepsgrond slaagt niet. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling of ABRvS) heeft in een uitspraak van 14 februari 2025 voor Duitsland geoordeeld dat de minister in beginsel mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Uit het door eiser aangehaalde AIDA-rapport (update 2024) volgt ook geen ander beeld. Daarin wordt namelijk opgemerkt: “There have been no reports of Dublin returnees facing difficulties in re-accessing an asylum procedure or facing any other problems after having been transferred to Germany”. De minister stelt terecht dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in eisers geval toch niet uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dat eiser vreest terug te moeten keren naar dezelfde opvanglocatie waar hij eerder problemen heeft gehad leidt niet tot een ander oordeel. De minister heeft in dat verband terecht tegengeworpen dat eiser deze problemen niet heeft onderbouwd. De door eiser overgelegde documenten bevatten daarover namelijk geen objectieve informatie. Bovendien had hij kunnen klagen bij autoriteiten. Eiser heeft verklaard dat hij de immigratiedienst heeft benaderd over zijn problemen en niet serieus werd genomen, maar hij heeft daarover niets overgelegd. Eiser is bovendien niet naar de politie gegaan en de minister stelt terecht dat dit wel op eisers weg had gelegen. Dat eiser stelt dit niet gedaan te hebben omdat hij problemen had met de Duitse staat zelf , heeft de minister niet tot een andere conclusie hoeven brengen. Duitsland is partij bij het EVRM en is daarmee gehouden eiser te beschermen. De minister meent terecht dat eiser geen redenen heeft aangedragen om eraan te twijfelen dat Duitsland hieraan voldoet. Wat betreft de zorg voor de medische problematiek, in het bijzonder eisers PTSS en dat hij medicatie nodig heeft om te kunnen slapen en fysiotherapie nodig heeft, mag de minister ervan uitgaan dat de medische voorzieningen in Duitsland van vergelijkbare kwaliteit zijn als in Nederland en dat deze ter beschikking staan van eiser. Eiser heeft niet aangetoond dat dit niet het geval is. Daarom zijn ook geen individuele garanties nodig, als bedoeld in het arrest Tarakhel . Moet de minister onderzoek doen naar de omstandigheden van overdracht? 5. Eiser vreest dat overdracht naar Duitsland een ernstige verslechtering van zijn gezondheidsproblemen zal veroorzaken. Eiser staat in Nederland onder behandeling. Hij heeft verklaard te kampen met suïcidale gedachten vanwege de mogelijke overdracht aan Duitsland. Eiser is volgens een verslag van de GZA-huisarts van 27 februari 2026 verwezen naar een specialistische GGZ-organisatie . Onder die omstandigheden schrijft de werkinstructie (WI) 2021/3 voor dat de minister om BMA-advies vraagt. 5.1. Uit het arrest C.K. volgt dat een Dublinoverdracht op zichzelf een reëel risico op een onmenselijke behandeling met zich mee kan brengen. Bij een beroep op dit arrest en wanneer de vreemdeling onder behandeling staat, laat de minister op grond van WI 2021/3 het BMA een onderzoek doen als uit objectieve medische gegevens blijkt dat de overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een zodanig ernstige invloed heeft op zijn mentale of fysieke toestand dat sprake is van een reëel en onderbouwd risico op een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van zijn gezondheidstoestand. 5.2. De beroepsgrond slaagt niet. Niet ter discussie staat dat eiser medische problemen heeft en dat hij in Nederland onder behandeling staat. Uit het verslag van 27 februari 2026 blijkt bijvoorbeeld dat eiser meerdere keren bij de praktijkondersteuner huisarts GGZ (POH GGZ) is geweest. De enkele omstandigheid dat eiser heeft verklaard dat hij in verband met de overdracht aan Duitsland suïcidale gedachten heeft en dat hij is verwezen naar een specialistische GGZ-instelling, maakt echter nog niet dat er een reëel risico is op een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van zijn gezondheidstoestand door die overdracht. In eisers verklaring en zijn doorverwijzing heeft de minister, zoals hij ter zitting naar voren bracht, ook geen aanleiding hoeven zien om een BMA-onderzoek te laten opstarten. Daarbij mag de minister er, zoals hiervoor al overwogen, van uitgaan dat de medische voorzieningen na aankomst in Duitsland vergelijkbaar zijn als die in Nederland. Had de minister de asielaanvraag onverplicht op zich moeten nemen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening? 6. Eiser betoogt dat de minister zijn asielaanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening onverplicht aan zich had moeten trekken. Hij wijst op de genoemde medische omstandigheden en zijn gestelde problemen in de opvang. Eiser wijst verder op de recente overdracht van zijn vriend, met wie hij een relatie heeft, vanuit Duitsland naar Irak. Zijn vriend ondervindt momenteel in Irak ernstige problemen vanwege zijn seksuele geaardheid. Eiser meent dat hem hetzelfde te wachten staat. Eiser heeft ter zitting gewezen op het arrest van de Afdeling van 12 juni 2024. Eiser, zo begrijpt de rechtbank, voert met de verwijzing naar deze uitspraak niet een risico op indirect refoulement aan, omdat hij erkent dat de rechtbank dit niet kan toetsen. Eiser heeft echter ter zitting betoogd dat overdracht van eiser aan Duitsland getuigt van onevenredige hardheid, omdat er grote kans is dat eiser net als zijn vriend vanuit Duitsland naar Irak zal worden teruggestuurd. De asielaanvraag van eiser is in Duitsland namelijk afgewezen. 6.1. Op grond van artikel 17 van de Dublinverordening kan een lidstaat onverplicht de behandeling van een asielaanvraag aan zich trekken. Dit doet de minister onder meer indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. Gelet op de ruime beoordelingsvrijheid toetst de rechtbank deze beslissing enigszins terughoudend. 6.2. De beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft er niet ten onrechte op gewezen dat de situatie in Duitsland en wat eiser daar tijdens zijn verblijf zou hebben meegemaakt evenals de medische omstandigheden, al bij de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel zijn betrokken. De minister mag op grond van vaste jurisprudentie verwijzen naar deze beoordeling en hoeft deze omstandigheden niet nog eens te betrekken bij de vraag of sprake is van onevenredige hardheid van de overdracht. Ten aanzien van de verklaring dat het onevenredig is om hem terug te sturen omdat zijn vriend ook teruggestuurd is naar Duitsland en vervolgens naar Irak, heeft de minister ter zitting terecht opgemerkt dat hij ervan uit mag gaan dat de zaken van eiser en zijn vriend in Duitsland onafhankelijk van elkaar worden behandeld, zodat er geen verband is tussen de uitkomst van beide procedures. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag de minister erop vertrouwen dat Duitsland zich aan internationale verplichtingen houdt. Daarmee heeft de minister niet ten onrechte geoordeeld dat eiser niet met concrete en individuele omstandigheden heeft aangetoond dat zijn overdracht naar Duitsland van onevenredige hardheid getuigt. Conclusie en gevolgen 7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister de aanvraag van eiser terecht niet in behandeling heeft genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G. Noordhof, rechter, in aanwezigheid van mr. N. El-Amrani, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De Jawo-drempel: zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019 in de zaak C-163/17, ECLI:EU:C:2019:218. ABRvS 14 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:588. Verslag gehoor aanmeldfase, p. 5. EHRM 4 november 2014, Tarakhel t. Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712. Kleur GGZ, dat gepersonaliseerde cultuur-sensitieve psychiatrische zorg biedt specifiek voor (jong)volwassen asielzoekers binnen de doelgroep met ernstige psychische aandoeningen. Werkinstructie SUA 2021/3 BMA advies tijdens de Dublinprocedure n.a.v. arrest C.K. HvJEU 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127, in de zaak C.K. tegen Slovenië. ABRvS 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359, r.o. 6.3. Paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000. ABRvS 25 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:717, r.o. 7.3.