ECLI:NL:RBDHA:2026:10757
Rechtbank Den Haag · 2026-05-06 · Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Einduitspraak na arrest Tadmur over terugkeerbesluit en beginsel van non-refoulement / asiel / intrekking subsidiairebeschermingsstatus. Eiser is afkomstig uit Syrië en aan hem is, toen hij minderjarig was, een subsidiaire beschermingsstatus verleend. Nadat de op grond van deze status verleende vergunning aanvankelijk is verlengd, is vanwege een strafrechtelijke veroordeling de subsidiaire beschermingsstatus ingetrokken. In het intrekkingsbesluit is vermeld dat er geen terugkeerbesluit kan worden vastgesteld op grond van richtlijn 2008/115 vanwege het refoulementrisico. Wel is aan eiser een vertrekplicht opgelegd op grond van de vreemdelingenwet en is eiser gesignaleerd op grond van Verordening 2018/1861. De rechtbank heeft het Hof verzocht om uit te leggen waarom -kort gezegd- niet kan worden volstaan met uitsluitend het uitstellen van de verwijdering door verweerder en dus het handhaven van de terugkeerverplichting voor eiser. Eiser kan namelijk aan zijn terugkeerverplichting voldoen door naar elk land buiten de Unie te gaan en hoeft niet terug naar Syrië. De rechtbank heeft ook gevraagd of indien het Unierecht zo moet worden uitgelegd dat indien er geen terugkeerbesluit kan worden vastgesteld, op grond van nationaal recht dan wel een verplichting kan worden opgelegd om uit Nederland te vertrekken. Uit het arrest Tadmur van 26 maart 2026 volgt dat het terugkeerbesluit niet bestaat uit een zelfstandige terugkeerverplichting voor de derdelander en een zelfstandige terugkeerverplichting voor verweerder. Indien de derdelander niet kan terugkeren naar zijn land van herkomst vanwege het beginsel van non-refoulement en er geen ander derdeland is dat als land van terugkeer kan worden aangemerkt, kan er dus geen terugkeerbesluit worden vastgesteld. Dit staat ook in de weg aan het opleggen van een vertrekplicht op grond van nationale wet- en regelgeving. De rechtbank komt in de einduitspraak tot de conclusie dat de intrekking rechtmatig is. Verweerder zal wel opnieuw moeten beoordelen of hij ambtshalve een reguliere vergunning zal verlenen gelet op de omstandigheid dat aan eiser geen vertrekplicht kan worden opgelegd en hij op dit moment ook niet in staat is om (rechtmatig) Nederland te verlaten. In het besluit is namelijk er van uit gegaan dat eiser kan worden verplicht om Nederland te verlaten. De rechtbank heeft tot slot uitgelegd waarom de gronden tegen het besluit tot signalering niet slagen. Beroep deels gegrond, deels ongegrond, PKV waarbij de rechtbank aan elk punt een wegingsfactor van 1,5 toekent omdat de rechtbank een prejudiciële procedure aanmerkt als “zwaar”.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: NL24.24991 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer], geboren op [geboortedatum] 2000 in Syrië, eiser, (gemachtigde: mr. J.P. van Mulken), en de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, (gemachtigden: mr. W. Epema en mr. S.H.J. Muijlkens). Procesverloop Op 23 maart 2027 heeft verweerder eisers verzoek om internationale bescherming ingewilligd en hem subsidiaire bescherming verleend en een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) verstrekt met ingang van 7 januari 2016 en geldig tot 7 januari 2021. Deze verblijfsvergunning is met het besluit van 19 april 2021 laatstelijk verlengd tot 7 januari 2026. Met het besluit van 23 mei 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de subsidiaire beschermingsstatus ingetrokken. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, vergezeld door M. van Dijk, ambulant forensisch begeleider en bijgestaan door zijn gemachtigde, die werd vergezeld door een stagiaire. Als tolk was ter zitting aanwezig Z. Hanina. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. Epema. Op 12 maart 2025 heeft de rechtbank een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie (Hof) gesteld (ECLI:NL:RBDHA:2025:3843). Het Hof heeft op 26 maart 2026 de prejudiciële vragen van de rechtbank beantwoord en het arrest Tadmur gewezen (C-202/25, ECLI:EU:C:2026:257). Op verzoek van de rechtbank hebben beide partijen schriftelijk op het arrest gereageerd en hun standpunt gegeven over een andere in het beroep voorliggende kwestie. De rechtbank heeft de behandeling van het beroep ter zitting voortgezet op 7 april 2026. Eiser en zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder, mr. S.H.J. Muijlkens, zijn verschenen. Eiser werd ook deze zitting vergezeld door M. van Dijk, ambulant forensisch begeleider Overwegingen 1. Deze uitspraak bouwt voort op de verwijzingsuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de verwijzingsnuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. 2. Het verzoek om een prejudiciële beslissing in deze zaak betreft de uitlegging van de artikel 6 van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met meerdere andere bepalingen van deze richtlijn en gelezen in samenhang met meerdere bepalingen van richtlijn 2011/95. Het verzoek ziet op de verplichting om een terugkeerbesluit uit te vaardigen jegens een illegaal op het grondgebied verblijvende derdelander die is uitgesloten van subsidiaire bescherming, en meer in het bijzonder op de vraag welke gevolgen het niet kunnen verwijderen door de autoriteiten heeft voor deze verplichting. 3. Alvorens toe te komen aan de wijze waarop de rechtbank de uitleg van het Unierecht door het Hof van Justitie in het arrest Tadmur betrekt bij haar eigen beslissing in deze procedure, zal de rechtbank eerst de beroepsgronden beoordelen die eiser heeft gericht tegen de intrekking van de subsidiaire beschermingsstatus. 3.1. De rechtbank blijft bij haar (voorlopig) oordeel in de verwijzingsuitspraak dat de beroepsgronden gericht tegen de intrekking niet slagen en overweegt daartoe het volgende. De intrekking van de subsidiaire beschermingsstatus 4. Aan eiser is met ingang van 7 januari 2016 subsidiaire bescherming verleend vanwege zijn herkomst uit Syrië. In het besluit van 23 maart 2017, waarmee het verzoek om internationale bescherming is ingewilligd, is bepaald dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat aan hem de vluchtelingenstatus moet worden verleend. Redengevend hiervoor is dat verweerder ten tijde van het inwilligen van het verzoek om internationale bescherming de vermoedens van eiser dat hij bij terugkeer naar Syrië in militaire dienst zal moeten, niet aannemelijk heeft geacht. 5. Aan de intrekking van de subsidiaire beschermingsstatus en de verblijfsvergunning van eiser heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser vanwege de door hem gepleegde strafbare feiten en de daarop gevolgde veroordeling een bedreiging vormt voor de openbare orde. De intrekking heeft plaatsgevonden vanaf 27 juni 2021, zijnde de pleegdatum van de strafbare feiten. Eiser vormt volgens verweerder door zijn persoonlijke gedrag een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Verweerder heeft dit onderbouwd door onder meer naar de ernst van de strafbare feiten, de concrete omstandigheden waarin die feiten hebben plaatsgevonden en de opgelegde langdurige gevangenisstraf te verwijzen. Verweerder heeft de houding van eiser ten aanzien van de door hem gepleegde feiten bij zijn beoordeling betrokken. Verweerder heeft de strafbare gedragingen van eiser gekwalificeerd als een “ernstig misdrijf”, welke kwalificatie een grondslag voor intrekking van de subsidiairebeschermingsstatus biedt. Verweerder heeft de intrekking van de verblijfsvergunning evenredig geacht en heeft zich op het standpunt gesteld dat ook dat artikel 8 van het EVRM niet aan het intrekken van de verblijfsvergunning in de weg staat en ook niet noopt tot vergunningverlening op grond van artikel 8 van het EVRM. 5.1. Verweerder heeft verder aangenomen dat eiser bij terugkeer naar Syrië een reëel risico op ernstige schade loopt. Ten tijde van het intrekkingsbesluit heeft verweerder tevens aannemelijk geacht dat eiser bij terugkeer naar Syrië de militaire dienstplicht moet vervullen, maar heeft hierin geen grond gezien om aan eiser de vluchtelingenstatus te verlenen. Ook in de vrees van eiser om bij terugkeer naar Syrië gerekruteerd te worden door het vrijstandsleger, heeft verweerder geen aanleiding gezien om aan eiser de vluchtelingenstatus toe te kennen. Verweerder heeft eiser geen terugkeerbesluit op grond van richtlijn 2008/115 opgelegd vanwege het beginsel van non-refoulement. Op grond van de nationale wetgeving (artikel 61 van de Vw) heeft verweerder eiser wel een vertrekplicht opgelegd, waarbij is overwogen dat verweerder verwacht dat eiser tracht te voldoen aan zijn vertrekplicht en Nederland zal verlaten. Tot slot heeft verweerder eiser voor de duur van 10 jaar gesignaleerd in het informatiesysteem van de Nederlandse politie (E&S), alsook in het Schengeninformatiesysteem (SIS). Het bij de intrekking toepasselijke toetsingskader 6. Eiser, die toen hem de subsidiaire beschermingsstatus werd verleend minderjarig was, heeft primair aangevoerd dat verweerder in de bestreden besluitvorming ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat hij in ieder geval vanaf zijn 18e levensjaar in aanmerking komt voor een a-status. Toen eiser 18 jaar werd, ging het toepasselijke beleid immers bij een vrees voor de militaire dienstplicht uit van vluchtelingschap. Verweerder heeft (ten tijde van het intrekkingsbesluit) ook zelf aannemelijk geacht dat eiser bij terugkeer naar Syrië de militaire dienstplicht moet vervullen. De militaire dienstplicht geldt volgens het algemeen ambtsbericht tot en met 42 jaar. Eiser, ten tijde van het bestreden besluit 23 jaar oud, behoort dus (nog steeds) tot de dienstplichtige leeftijdscategorie. Bij de intrekking had verweerder dit moeten erkennen en het toetsingskader moeten toepassen als ware eiser in het bezit van de vluchtelingenstatus, hetzij vanaf het moment dat eiser de leeftijd van 18 jaar had bereikt, hetzij vanaf het moment van de verlengingsbeslissing. In plaats van te beoordelen of werd voldaan aan de voor de intrekking van de subsidiaire beschermingsstatus toepasselijke voorwaarde dat een “ernstig misdrijf” is gepleegd, had verweerder bij de intrekking moeten toetsen aan het criterium “bijzonder ernstig misdrijf” dat bij de vluchtelingenstatus geldt. 6.1. Verweerders argument dat eiser eerder geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen het besluit van 23 maart 2017 waarmee eisers subsidiairebeschermingsstatus is erkend, en ook niet tegen het besluit van 19 april 2021 waarmee eisers aanvraag om verlenging van de hem verleende verblijfsvergunning is ingewilligd, acht de rechtbank niet steekhoudend. Op grond van de rechtspraak van de Afdeling was het (en is het tot op de dag van vandaag) immers niet mogelijk om tegen een besluit waarbij subsidiaire bescherming wordt verleend op te komen om zodoende de vluchtelingenstatus in plaats van de subsidiaire beschermingsstatus te verkrijgen . De Afdeling pleegt met dit doel aangewende rechtsmiddelen niet-ontvankelijk te verklaren bij gebrek aan procesbelang, omdat in de huidige nationale rechtspraktijk aan beide statussen vergelijkbare aanspraken kunnen worden ontleend. Aangenomen moet dan ook worden dat indien eiser bij de erkenning van zijn subsidiairebeschermingsstatus, of bij de inwilliging van zijn verlengingsaanvraag dergelijke rechtsmiddelen wel zou hebben aangewend, het aanwenden van die rechtsmiddelen bij voorbaat kansloos zou zijn geweest. Dit doet dan ook af aan de houdbaarheid van deze tegenwerping. 6.2. De rechtbank stelt evenwel vast dat het Unierecht niet verplicht tot eisers standpunt dat verweerder in het kader van de besluitvorming over de intrekking van eisers verblijfsstatus had moeten nagaan of eiser op enig moment nadat hem de subsidiaire beschermingsstatus was verleend, heeft voldaan aan de criteria voor vluchtelingschap. De rechtbank stelt voorop dat het bereiken van de leeftijd van 18 jaar geen beslismoment is, waarop voor verweerder reden of aanleiding bestond om het aan eiser verleende verblijfsrecht opnieuw tegen het licht te houden om te bezien of hem alsnog de vluchtelingenstatus toekwam. Het moment van inwilliging van de verlengingsaanvraag verplichtte verweerder daartoe evenmin. Zoals in het verweerschrift met juistheid is toegelicht geeft richtlijn 2013/33 immers geen regels voor procedures over de verlenging van verblijfsvergunningen. Uit richtlijn 2011/95 kan evenmin worden afgeleid dat lidstaten naar aanleiding van een aanvraag om verlenging van een verblijfsvergunning die is ingediend door een vreemdeling die als subsidiair beschermde is aangemerkt, gehouden zouden zijn om – indien aan de voorwaarden voor inwilliging voldaan wordt - opnieuw te onderzoeken of de vreemdeling op dat moment mogelijk kan worden aangemerkt als vluchteling. Ook de Nederlandse wetgever heeft er met de bestaande verlengingsprocedure voor gekozen om enkel een regeling te geven voor verlenging van de vergunning die is verleend op grond van de eerder toegekende beschermingsstatus. Het door eiser ingevulde aanvraagformulier heeft overigens ook geen andere strekking dan verlenging van de geldigheidsduur van de hem verleende verblijfsvergunning. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder bij de intrekking van eisers verblijfsrecht terecht is uitgegaan van de subsidiairebeschermingsstatus die aan eiser is toegekend en in het kader van de intrekking daarvan terecht heeft beoordeeld of voldaan werd aan de voor die status toepasselijke voorwaarde dat “een ernstig misdrijf” is gepleegd. Dit betekent dat eisers betoog dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat in het geval van eiser sprake is van een “bijzonder ernstig misdrijf” niet slaagt, reeds omdat in het voorgaande is geoordeeld dat het gestelde dat hem de vluchtelingenstatus had moeten worden verleend, niet aan de orde is. Voor de intrekking van de status van subsidiaire bescherming die eiser daadwerkelijk had, moet (onder meer) gemotiveerd worden dat sprake is van een “ernstig misdrijf” en dat daaraan in deze zaak voldaan wordt heeft eiser als zodanig niet weersproken. 6.3. Eisers betoog ter zitting van 7 april 2026 dat de omstandigheid dat eiser op enig moment zou hebben gekwalificeerd voor vluchtelingschap moet worden meegewogen in de beoordeling van de evenredigheid van de intrekking slaagt evenmin. Weliswaar stelt eiser terecht dat in dit kader alle feiten en omstandigheden moeten worden meegewogen. Dit betekent echter niet dat ook feiten of omstandigheden die zich in een hypothetisch geval zouden hebben voorgedaan bij die beoordeling betrokken zouden moeten worden. De rechtbank overweegt hierbij dat artikel 10, tweede lid, van richtlijn 2013/32 weliswaar bepaalt dat bij de behandeling van verzoeken om internationale bescherming de beslissingsautoriteit eerst nagaat of de verzoekers als vluchteling kunnen worden aangemerkt en zo niet, of zij voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen. Dit ziet evenwel op de vereisten voor behandeling van verzoeken. De Uniewetgever heeft niet een vergelijkbare verplichting aan de lidstaten opgelegd waaruit volgt dat zij gedurende de gehele periode dat aan een derdelander een subsidiairebeschermingsstatus is verleend, zich er van moeten vergewissen of sprake is van gewijzigde omstandigheden in het land van herkomst, dan wel in de persoonlijke situatie van de derdelander. Nu de Uniewetgever in richtlijn 2013/32 enkel vereisten heeft opgenomen voor de behandeling voor verzoeken, en in richtlijn 2011/95 enkel de materiële intrekkingsgronden van een internationale beschermingsstatus heeft bepaald, en de nationale procedure voor de verlenging van een vergunning die is gebaseerd op een eerder toegekende beschermingsstatus niet in strijd is met het Unierecht, slaagt deze beroepsgrond niet. Het aannemen van een dergelijke verplichting zou overigens het gevolg (kunnen) hebben dat degene wiens status van subsidiaire bescherming niet wordt ingetrokken (in verband met gevaar voor de openbare orde), niet voor een dergelijke hernieuwde beoordeling in aanmerking zou komen, hetgeen de rechtbank onredelijk voorkomt. Aan de stelling van eiser dat hij op enig moment voor de intrekking voldeed aan de voorwaarden voor toekenning van de vluchtelingenstatus, die door verweerder overigens gemotiveerd is betwist, en de intrekking daarom niet evenredig is, kom daarom geen betekenis toe bij de beoordeling van het besluit tot intrekking. De evenredigheidstoets behelst dus niet dat voor verweerder een verplichting tot een voortdurende beoordeling van de feiten en omstandigheden na het verlenen van de subsidiairebeschermingsstatus geldt en dat indien verweerder dit niet onverplicht doet, het besluit niet evenredig is. Beoordeling vluchtelingschap ten tijde van het bestreden besluit 7. De rechtbank stelt vervolgens vast dat, zoals de toepasselijke Unierechtelijke en nationale regelgeving op dit punt wel uitdrukkelijk vereisen, verweerder ten tijde van de intrekkingsbesluitvorming heeft beoordeeld of eiser op het moment van die besluitvorming voor de vluchtelingenstatus in aanmerking kwam. Verweerder heeft geconcludeerd dat dat niet het geval was. Zoals blijkt uit het bestreden besluit heeft verweerder het op grond van het algemeen ambtsbericht van 7 augustus 2023 aannemelijk geacht dat eiser- die ten tijde van het bestreden besluit 23 jaar oud was – gezien de leeftijdscategorie waartoe hij behoort bij terugkeer naar Syrië de militaire dienstplicht zou moeten vervullen. Maar de door eiser gestelde voorgenomen dienstweigering leidt desondanks niet tot vluchtelingschap omdat eiser niet voldoet aan één van de drie criteria die volgens het landgebonden beleid voor Syrië in dit kader hebben te gelden . Ten eerste heeft verweerder het niet aannemelijk geacht dat eiser als dienstplichtige handelingen zal moeten verrichten die oorlogsmisdrijven (of andere misdrijven die onder artikel 1F vallen) vormen. Ten tweede heeft verweerder het niet aannemelijk geacht dat eiser disproportioneel of discriminatoir bestraft zal worden op grond van zijn dienstweigering. In de derde plaats zijn de verklaringen van eiser dat hij de militaire dienstplicht niet wil vervullen omdat hij geen onschuldige mensen wil doden volgens verweerder onvoldoende om hem aan te merken als gewetensbezwaarde. Daar komt bij dat eisers vrees dat hij door het vrijstandsleger gerekruteerd zal worden in de visie van verweerder enkel is gebaseerd op vermoedens. Verweerder heeft erop gewezen dat eiser, die afkomstig is uit Damascus, bij een eventuele terugkeer naar Syrië niet buiten Damascus hoeft te gaan wonen. Hij heeft tijdens het nader gehoor immers verklaard dat hij tot aan zijn vertrek uit Syrië op 12 oktober 2014, in Damascus of in Rif Damascus heeft gewoond. 7.1. Eisers betoog dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat niet wordt voldaan aan (een van) de drie criteria voor het aannemen van vluchtelingschap slaagt evenmin. Over het eerste criterium overweegt de rechtbank dat verweerder er in het bestreden besluit niet ten onrechte op heeft gewezen dat de veiligheidssituatie in Syrië is veranderd en dat geen sprake meer is van grootschalige gevechten, waardoor het niet meer vanzelfsprekend is dat een dienstplichtige Syriër handelingen moet uitvoeren die mogelijk oorlogsmisdrijven vormen. Verweerder heeft eisers betoog, dat in verweerders visie neerkomt op een beroep op de algemene situatie in Syrië, daarom onvoldoende geacht om aan te nemen dat eiser oorlogsmisdrijven, of andere misdrijven die onder artikel 1F van het Verdrag van Genève vallen, zal moeten verrichten en op die grond in aanmerking zou komen voor vluchtelingschap. 7.2. Eiser kan zich in dit standpunt niet vinden en heeft een beroep gedaan op de uitspraak van 8 september 2023 van de rechtbank, zittingsplaats Utrecht . In die uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de vreemdeling in die zaak zijn vrees dat hij zal moeten deelnemen aan het plegen van oorlogsmisdrijven niet aannemelijk heeft gemaakt. Het beroep op die uitspraak gaat echter in de zaak van eiser niet op, omdat die zaak niet zonder meer vergelijkbaar is met die van eiser. De vreemdeling in de uitspraak van de rechtbank Utrecht heeft namelijk niet alleen algemene informatie ingeroepen maar bijvoorbeeld ook aangevoerd dat hij afkomstig is uit een gebied dat eerder door de oppositie werd gecontroleerd. In die zaak was verder niet in geschil dat de man al een oproep voor de reservistendienst had ontvangen, terwijl dat in het geval van eiser niet duidelijk is. Zoals de rechtbank Utrecht in de genoemde uitspraak heeft overwogen, zou de vreemdeling in die zaak (onder meer) daardoor eerder kans lopen om naar de frontlinies te worden gestuurd. In de zaak van eiser, die afkomstig is uit Rif Damascus, en van wie niet duidelijk is of hij al een oproep heeft ontvangen, zijn dergelijke omstandigheden niet aangevoerd. Met zijn beroep op de uitspraak van zittingsplaats Utrecht heeft eiser het standpunt van verweerder dus onvoldoende weerlegd. Verweerders standpunt dat aan het eerste criterium niet voldaan wordt, houdt dan ook in rechte stand. 7.3. Over het tweede criterium oordeelt de rechtbank dat de door eiser geciteerde passage uit de brief van Vluchtelingenwerk Nederland van 14 februari 2024 onvoldoende gewicht in de schaal legt voor het oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege zijn dienstweigering disproportioneel of discriminatoir zal worden bestraft. Verweerder heeft daarbij in aanmerking genomen dat eiser tijdens het nader gehoor heeft verklaard dat hij niet eerder persoonlijk politieke problemen heeft ondervonden en niet in de negatieve aandacht van de autoriteiten heeft gestaan. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat eiser zelf geen omstandigheden heeft aangevoerd die onderbouwen dat juist hem als dienstweigeraar een disproportionele of discriminatoire bestraffing te wachten zou staan. De aangehaalde informatie uit de brief van Vluchtelingenwerk Nederland leidt niet tot een ander oordeel. Wat daar overigens ook van zij, is met die informatie nog niet aannemelijk gemaakt dat eiser de daarin genoemde behandeling, zoals marteling en andere vormen van mishandeling, te wachten staat. Dit geldt te meer omdat volgens het algemeen ambtsbericht van augustus 2023 de mogelijkheid bestaat om de dienstplicht af te kopen, zodat niet duidelijk is of eiser de in die informatie genoemde mogelijke behandeling ook daadwerkelijk ten deel zal vallen. Dat dienstweigeraars eenmaal terug in het leger slechter af zouden zijn dan andere dienstplichtigen die de dienstplicht niet hebben ontdoken, is tot slot geen discriminatoire of disproportionele bestraffing in eerder bedoelde zin. Het algemeen ambtsbericht geeft ook geen aanknopingspunten om van een discriminatoire of disproportionele bestraffing uit te gaan. Volgens het algemeen ambtsbericht van augustus 2023 was in vredestijd de straf voor het ontlopen van de dienstplicht een tot zes maanden gevangenisstraf, waarna de ontduiker de volledige dienstplicht alsnog moest vervullen. In oorlogstijd kon deze overtreding gestraft worden met gevangenisstraffen van maximaal vijf jaar. Het ambtsbericht meldt verder dat de afgelopen jaren – het is niet duidelijk wanneer dit precies begonnen was - het echter de praktijk was dat dienstplichtontduikers rechtstreeks naar het leger gestuurd werden, als ze zich meldden of gepakt werden. Mannen die de dienstplicht hebben ontdoken en deze alsnog moeten vervullen als ze gepakt zijn, zouden volgens een vertrouwelijke bron een zwaardere behandeling krijgen dan dienstplichtigen die conform de regels hebben gehandeld. Waaruit deze zwaardere behandeling bestond, wist deze bron niet te vertellen. Een andere vertrouwelijke bron maakte hierbij de kanttekening dat een dienstplichtontduiker in de handen van de militaire politie bleef totdat er een nieuwe basistraining voor dienstplichtigen startte. Volgens de bron stonden deze trainingen normaliter voor april en september ingepland. Een dienstplichtontduiker die afkomstig is uit een gebied dat eerder door de oppositie werd gecontroleerd zal, als hij gepakt werd, met meer achterdocht bejegend worden en liep eerder de kans om naar de frontlinies gestuurd te worden of om in de gevangenis terecht te komen, aldus een vertrouwelijke bron. Dat dit in het geval van eiser aan de orde zou zijn, is niet gebleken. 7.4. Over het derde criterium heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers verklaringen over zijn bezwaren tegen het vervullen van de dienstplicht geen blijk geven van ernstige, onoverkomelijke gewetensbezwaren vanwege godsdienst of andere diepgewortelde overtuigingen die hebben geleid tot dienstweigering. Dat eiser het feit dat hij niet wil vechten in een oorlog tegen zijn eigen volk en niet wil deelnemen aan oorlogsmisdaden en onderdrukking tegen zijn eigen volk zelf wel als onoverkomelijke gewetensbezwaren ziet, legt onvoldoende gewicht in de schaal om verweerder standpunt onjuist te achten. 7.5. Nu aan geen van de drie criteria wordt voldaan, heeft verweerder terecht geconcludeerd dat eiser ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet voor de vluchtelingenstatus in aanmerking kwam. 7.6. Een dag vóór de zitting van 26 februari 2025 heeft verweerder de rechtbank verzocht om de behandeling van het beroep voor de duur van vier weken aan te houden, om nog nader onderzoek te doen naar de actuele situatie in Syrië met betrekking tot de dienstplicht. Ter zitting van 26 februari 2025 heeft verweerder dit aanhoudingsverzoek ingetrokken. Indien naar dat moment alsnog een actuele beoordeling gemaakt zou moeten worden van de door eiser aangedragen feiten en omstandigheden, dan zou de rechtbank wijzen op de wezenlijke veranderingen in Syrië nu het regime van Assad is gevallen, zodat ook die omstandigheid niet tot een ander oordeel leidt. Werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang 8. Eiser voert ook aan dat verweerder niet voldoende heeft gemotiveerd dat zijn gedrag een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving, zoals bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van 11 juni 2015, Z.Zh en I.O. . De enkele strafrechtelijke veroordeling is in zijn ogen onvoldoende om aan te nemen dat aan dit criterium voldaan is. Uit de rapporten die hij heeft overgelegd volgt dat het recidivegevaar laag is en dat hij zich goed, zo niet voorbeeldig heeft gedragen in detentie en louter gedreven is om zijn fouten goed te maken en niet meer de fout in te gaan. Het criterium van een “actuele bedreiging” brengt volgens eiser met zich mee dat met name gekeken moet worden naar het gedrag van de vreemdeling sinds de veroordeling en naar alle omstandigheden op het moment van de besluitvorming. Verweerder heeft alleen gekeken naar de aard en ernst van het gepleegde misdrijf en heeft onvoldoende rekening gehouden met het actuele gedrag van eiser in detentie en met het lage recidive niveau. 8.1. De rechtbank stelt vast dat de kern van het geschil op dit punt is dat verweerder volgens eiser niet goed heeft gemotiveerd dat ook nu nog een dreiging van (het gedrag van) eiser uitgaat. Verweerder heeft in de besluitvorming in aanmerking genomen dat eiser in Nederland op 27 juni 2021 drie ernstige geweldsmisdrijven heeft gepleegd, waarvoor hij is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 jaar. Ten tijde van het bestreden besluit was eiser vanwege deze misdrijven gedetineerd. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat van het gedrag van eiser lange tijd een dreiging uitgaat heeft verweerder er onder meer op gewezen dat eiser zeer ernstige misdrijven heeft gepleegd, waaronder een poging tot doodslag, waardoor de dreiging die van hem uitgaat langer actueel blijft. Het bestreden besluit geeft er blijk van dat verweerder het rapport van Pro Justitia en de rapporten van de reclassering bij zijn beoordeling betrokken heeft. Verweerder benoemt ook dat eiser niet eerder is veroordeeld voor een (vergelijkbaar) misdrijf en waardeert het positief dat het recidiverisico als laag wordt ingeschat. Maar verweerder weegt in de besluitvorming ook mee dat eiser ernstige misdrijven heeft gepleegd waar hij volgens verweerder weinig tot geen verantwoordelijkheid voor neemt, in die zin dat hij er geen blijk van heeft gegeven te vinden dat hij ander gedrag had moeten laten zien. Zo heeft verweerder in het bestreden besluit uitgelegd dat eiser tijdens het intrekkingsgehoor een andere lezing heeft gegeven van de omstandigheden waaronder de misdrijven zijn gepleegd, dan uit het vonnis van de strafrechter naar voren komt. Eiser lijkt daarmee volgens verweerder zijn eigen aandeel kleiner te willen maken dan het in werkelijkheid was. Daarnaast heeft verweerder het zorgwekkend genoemd dat eiser in het openbaar een mes op zak heeft en begrijpt verweerder niet waarom eiser – die zich er tijdens het intrekkingsgehoor op beroepen heeft niet te weten dat zijn slachtoffer een politieman buiten dienst was – (kennelijk) onderscheid maakt tussen het neersteken van een burger en een politieagent buiten dienst. Verweerder heeft ook uitgelegd dat de in dit kader te maken beoordeling van het recidiverisico een eigen beoordeling van de IND betreft, waarbij aan een oordeel van een gedragsdeskundige (indien dat beschikbaar is) weliswaar zwaar gewicht toekomt, maar ook dan blijft het aan de IND om een eigen inschatting te maken van alle beschikbare informatie. Verweerder heeft wel positief gewaardeerd dat eiser zich in de gevangenis goed gedraagt en aan zichzelf werkt, maar wijst er ook op dat het leven in de gevangenis niet vergelijkbaar is met het leven in de maatschappij buiten de gevangenis en dat eerst als sprake is van een langere periode van goed gedrag in vrijheid, kan worden aangenomen dat eiser geen gevaar meer vormt. 8.2. Tijdens beide zittingen 2026 heeft eiser tegenover de rechtbank spijt betuigd en verklaard dat hij zijn straf nu heeft geaccepteerd en weet dat hij fout is geweest. Hij heeft eraan gewerkt om een andere versie van zichzelf te laten zien, aan Nederland, aan zijn ouders en aan hemzelf. Hij is aan het werk en dat gaat goed en hij wil graag aan een opleiding beginnen. Hij is naar zijn zeggen inmiddels twee jaar buiten en heeft in die tijd geen problemen meer gehad. 8.3. Alle positieve ontwikkelingen die zich na de besluitvorming hebben voorgedaan kunnen relevant zijn voor de vraag of het bestreden besluit stand kan houden. Maar deze omstandigheden ten spijt, is de rechtbank van oordeel dat verweerder aan deze meest recente ontwikkelingen geen doorslaggevende betekenis heeft hoeven toe te kennen. Hoewel het tijdsverloop sinds het plegen van de strafbare feiten op zichzelf een relevant gegeven is dat verweerder bij zijn beoordeling moet betrekken, kan eisers verklaring dat hij tot op heden geen misdrijven meer heeft gepleegd en dat zijn gedrag in de gevangenis en na zijn vrijlating een positieve wending heeft genomen, in het licht van de gepleegde ernstige geweldsmisdrijven en de duur van de daarvoor opgelegde gevangenisstraf, niet op dit moment en op zichzelf al afdoen aan het standpunt van verweerder over de ernst van de gepleegde misdrijven, en over de duur en aard van de opgelegde straffen en dan dus ook niet aan het standpunt van verweerder dat een poging tot doodslag naar zijn aard een belangrijke indicatie voor een voldoende ernstige dreiging is die voor langere duur blijft bestaan. De rechtbank neemt daarbij nog in aanmerking dat eiser ook twee jaar na de expiratie van zijn gevangenisstraf nog steeds onder begeleiding staat. De rechtbank weegt in dit verband positief mee dat eiser openstaat voor begeleiding en zich, blijkens de overgelegde documenten en de ter zitting gegeven toelichting, ook begeleidbaar opstelt en de begeleiding positieve veranderingen met zich brengt. Anderzijds betrekt de rechtbank in dit verband dat gelet op de aard van de gepleegde delicten, het relatief korte tijdsverloop sinds de invrijheidstelling en de omstandigheid dat eiser steeds begeleiding heeft gekregen, onvoldoende aannemelijk is dat eiser niet langer een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat verweerder zich in het bestreden besluit niet ten onrechte en voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eisers gedrag een actuele werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. 9. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank blijft bij haar (voorlopig) oordeel in de tussenuitspraak van 12 maart 2025, dat de beroepsgronden die eiser heeft gericht tegen de intrekking van de subsidiairebeschermingsstatus niet slagen. De intrekking van eisers subsidiaire beschermingsstatus houdt dan ook in rechte stand. Beoordeling ambtshalve te verlenen verblijfsvergunning regulier 10. Omdat eiser door de intrekking van zijn verblijfsvergunning asiel het recht verliest om in Nederland te wonen, moet verweerder beoordelen of hij in aanmerking komt voor een ambtshalve te verlenen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Verweerder heeft zich in dit kader op het standpunt gesteld dat eiser geen verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 van het EVRM wordt verleend. Eiser krijgt ook geen verblijfsvergunning regulier als slachtoffer of getuige van mensenhandel en kan geen verblijfsrecht ontlenen aan het Unierecht. Over de verblijfsvergunning als slachtoffer/aangever van mensenhandel en het verblijfsrecht op grond van het Unierecht heeft eiser geen beroepsgronden aangevoerd, zodat die onderdelen geen beoordeling door de rechtbank behoeven. Verblijfsvergunning artikel 8 EVRM 11. Verweerder heeft vastgesteld dat eisers vader, moeder, broer en zus in Nederland wonen. Gezien zijn leeftijd wordt eiser als jongvolwassene gezien en wordt aangenomen dat tussen eiser en zijn ouders sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 EVRM. Eiser heeft de Syrische nationaliteit. Zijn ouders hebben sinds 26 januari 2024 de Nederlandse nationaliteit. Tussen eiser en zijn broer en zus heeft verweerder geen beschermingswaardig familieleven aangenomen, omdat geen sprake is van meer dan de normale (emotionele) banden tussen deze meerderjarige familieleden. Het intrekken van eisers verblijfsvergunning is een inmenging in het familieleven tussen eiser en zijn ouders. Verweerder heeft een belangenafweging gemaakt waarbij het persoonlijk belang van eiser bij voortzetting van het gezinsleven in Nederland wordt afgewogen tegen het algemeen belang bij bescherming van de openbare orde. Die belangenafweging is verricht aan de hand van de regels die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaken Boultif en Üner heeft opgesteld voor de situatie dat een vreemdeling een misdrijf heeft gepleegd . Verweerder heeft geconcludeerd dat de inmenging die het bestreden besluit vormt op het familieleven tussen eiser en zijn ouders is toegestaan. In het kader van het privéleven heeft verweerder in aanmerking genomen dat eiser sinds 7 januari 2016 in Nederland verblijft en dat zijn leven zich sindsdien in Nederland afspeelt. Verweerder neemt aan dat eiser privéleven in Nederland heeft, maar ook hiervoor geldt volgens verweerder dat de inmenging op dit recht, gezien de uitkomst van de gemaakte belangenafweging is toegestaan. 11.1. Eiser voert aan dat verweerder hem ten onrechte geen verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM heeft verleend, omdat niet alle aangevoerde omstandigheden bij de beoordeling zijn betrokken en onvoldoende is gemotiveerd waarom de gemaakte belangenafweging niet in zijn voordeel is uitgevallen. Om te beginnen heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat hij een actueel gevaar voor de openbare orde is. Verder heeft verweerder onvoldoende in aanmerking genomen dat eiser zijn volledige familie- en privéleven in Nederland heeft. Hij is even lang uit Syrië weg als dat hij in Nederland verbleven heeft. Zijn familieleden hebben de Nederlandse nationaliteit, hij heeft in Nederland opleidingen gevolgd. In Syrië heeft hij geen sociaal netwerk meer. Hij heeft meer en sterkere banden met Nederland dan met zijn land van herkomst. Hij kan niet terugkeren naar Syrië en niet is gebleken van een ander land waar hij kan verblijven en waar hij sterkere banden mee zou hebben dan met Nederland. Hieraan had zwaar gewicht moeten worden toegekend bij de belangenafweging, maar het is in het bestreden besluit in het geheel niet door verweerder onderkend. 11.2. De rechtbank is, zoals in het voorgaande reeds is overwogen, van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers gedrag een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Verweerder heeft deze bedreiging in de belangenafweging heel zwaar laten wegen. Verweerder heeft ook in aanmerking genomen dat de mate van samenwoning tussen eiser en zijn ouders er blijk van geeft dat aan het familieleden een beperkte invulling werd gegeven. Vanaf eisers vertrek uit Syrië in 2014 (samen met zijn broer) Syrië tot 5 april 2018, toen eiser weer met zijn nagereisde ouders ging samenwonen, heeft eiser niet met zijn ouders samengewoond. Ook vanwege zijn gevangenisstraf, die eiser aan zichzelf te wijten heeft, heeft eiser langere tijd niet met zijn ouders samengewoond. Aan de ernst van de inbreuk op het familieleven heeft verweerder daarom geen groot gewicht toegekend. Eiser heeft betoogd dat zijn beide ouders oud zijn en ziek. Ze zijn van hem afhankelijk voor zorg, omdat hij helpt bij het huishouden en helpt met het vertalen voor zijn ouders als hij meegaat naar doktersafspraken. De vader en moeder van eiser hebben een schriftelijke verklaring aan verweerder gestuurd, waarin zij de band met eiser beschrijven en hoe hij hen helpt. Ze hebben verweerder gevraagd om eisers verblijfsvergunning niet in te trekken. Het betoog van eiser en de verklaringen van zijn ouders hebben verweerder niet tot een andersluidend besluit gebracht. Verweerder heeft er in het bestreden besluit op gewezen dat eiser sinds 27 juni 2021 in de gevangenis zit en zal daar nog tot ongeveer 25 juni 2024 moeten blijven. De afgelopen jaren kon hij daardoor niet voor zijn ouders zorgen. Daarnaast heeft eiser verklaard dat zijn in Nederland verblijvende zus voor zijn ouders zorgt. Verweerder heeft hieruit afgeleid dat eisers ouders dus al geruime tijd voor de zorg die zij nodig hebben niet meer afhankelijk zijn van eiser. Omdat eiser nu niet gedwongen uitgezet zal worden naar zijn land van herkomst, speelt de vraag in hoeverre eisers ouders problemen zouden ondervinden als zij eiser zouden willen volgen naar het land van herkomst nu niet. Al bij al heeft verweerde geconcludeerd dat het belang van de openbare orde beduidend zwaarder weegt dan het persoonlijk belang van eiser en zijn ouders bij het voortzetten van het familieleven in Nederland. Voor het voortzetten van het contact mag verwacht worden dat zij dat contact op afstand hebben. Dit geldt ook voor het contact met zijn broer en zus en andere familieleden. Het belang van de bescherming van de openbare orde weegt volgens verweerder namelijk heel zwaar. Eiser en zijn ouders kunnen elkaar ontmoeten in een derde land, of via de telefoon of internet hun familieleven voortzetten. 11.3. Wat het privéleven betreft heeft verweerder in aanmerking genomen dat eiser in 2014 uit Syrië is vertrokken en in 2016 Nederland is in gereisd. Hij was 13 jaar oud toen hij Syrië verliet en 15 jaar oud toen hij in Nederland aankwam. Dit betekent volgens verweerder dat hij een groot deel van zijn vormende jaren in Syrië heeft doorgebracht en niet in Nederland. Dit maakt zijn banden met Nederland minder sterk dan iemand die hier van jongs af aan is opgegroeid. Eiser woont en leeft (ten tijde van het voornemen 6 jaar) ten tijde van het bestreden besluit ongeveer 8 jaar in Nederland op basis van een verblijfsvergunning. Volgens verweerder is dat een redelijk korte periode. Dit weegt mee in eisers voordeel, maar heeft geen zwaar gewicht. Het betekent volgens verweerder niet dat eisers belang zwaarder weegt dan het belang van Nederland. Niet alleen de duur van het verblijf in Nederland is namelijk belangrijk. Het gaat vooral om de banden die eiser met Nederland heeft. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser geen sterke banden heeft met Nederland. Door het plegen van de ernstige misdrijven heeft hij namelijk helemaal niet gedacht aan wat de meeste mensen in Nederland normaal en belangrijk vinden. Het maakt zijn sociale en culturele banden met Nederland daarom minder sterk. Dit weegt mee in zijn nadeel. Verweerder heeft verder in het voordeel van eiser meegewogen dat eiser voorafgaand aan zijn verblijf in de gevangenis, in de periode van april 2018 tot september 2020, verschillende periodes heeft gewerkt. Omdat eiser echter slechts voor korte periodes werkte en weinig uren maakte, heeft verweerder daaraan weinig gewicht toegekend. Ook de omstandigheid dat eiser sinds december 2020 voor een aantal periodes een uitkering heeft ontvangen, weegt verweerder is eisers nadeel mee. In Nederland heeft hij twee MBO opleidingen gevolgd maar die heeft hij niet afgemaakt. Daarnaast heeft hij in de gevangenis een aantal opleidingen gevolgd. Eiser spreekt goed Nederlands. Verweerder heeft verder in aanmerking genomen dat eiser verschillende familieleden in Nederland heeft. Met een deel van die familieleden is er geen familieleven in de zin van artikel 8 EVRM. Wel heeft hij daardoor banden met Nederland. Hij heeft ook aangevoerd dat hij in Nederland een aantal vrienden heeft en één goede vriendin. Deze vriendin heeft een brief naar verweerder gestuurd waarin zij haar band met eiser beschrijft en verweerder vraag om zijn vergunning niet in te trekken. Ook deze omstandigheden weegt verweerder positief, maar met het plegen van ernstig geweldsmisdrijven heeft eiser zelf de (wijze van) voortzetting van het contact op het spel gezet. Deze gevolgen komen dan ook voor zijn eigen rekening. In de toekomst kan hij het contact met hen (blijven) onderhouden door gebruik te maken van de moderne communicatiemiddelen. Dat eiser vr