Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2025:28013

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2025-10-02
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
NL25.35697 en NL25.35698
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
19.197 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

asiel. medische situatie. identiteit ongeloofwaardig. seksuele gerichtheid ongeloofwaardig. niet samenhangend en aannemelijk verklaard. beroep ongegrond

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: NL25.35697 (beroep) en NL25.35698 (voorlopige voorziening) uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser) (gemachtigde: mr. A.K.E. Van den Heuvel), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mevr. [gemachtigde]). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening. 1.1. Eiser heeft op 28 juni 2025 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 25 juli 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. 1.2. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 18 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? Het eerdere asielrelaas 2. Eiser heeft de Senegalese nationaliteit en heeft eerder wisselend verklaard over zijn geboortedatum. Eiser heeft bij binnenkomst in Italië verklaard dat hij op [geboortedatum 1] 2001 is geboren en in zijn aanmeldgehoor heeft hij verklaard dat hij op [geboortedatum 2] 2006 is geboren. Eiser heeft op 13 december 2023 voor het eerst asiel aangevraagd in Nederland. Eiser heeft aan deze asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij problemen heeft met zijn familie. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 24 september 2024 kennelijk ongegrond verklaard. Het beroep dat eiser tegen dit besluit heeft ingesteld is bij uitspraak van 5 november 2024 ongegrond verklaard en het bestreden besluit is in stand gebleven. Dit besluit is in rechte vast te komen staan. De huidige opvolgende aanvraag 3. Eiser legt aan zijn opvolgende asielaanvraag ten grondslag dat hij biseksueel is. In zijn omgeving werd er over zijn seksuele gerichtheid geroddeld. Eiser heeft besloten om daarom Senegal te verlaten. Bij terugkeer naar Senegal vreest eiser om levenslang naar de gevangenis te moeten of vermoord te worden door de gemeenschap wegens zijn biseksualiteit. Het bestreden besluit 4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven: eisers identiteit, nationaliteit en herkomst (ook wel eerste asielmotief); en eisers seksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen (ook wel tweede asielmotief). 4.1. Verweerder vindt het eerste asielmotief deels geloofwaardig. Verweerder acht eisers nationaliteit en herkomst geloofwaardig, maar zijn identiteit niet. Eiser heeft geen objectieve documenten overgelegd ter onderbouwing van dit asielmotief. Verweerder heeft daarom getoetst of eiser dit asielmotief anderszins aannemelijk heeft gemaakt. Dit is niet het geval. Eiser heeft onvoldoende documenten overgelegd en heeft daarvoor geen goede verklaring. Ook heeft eiser volgens verweerder niet samenhangend en aannemelijk verklaard. Het tweede asielmotief vindt verweerder ongeloofwaardig. Eiser heeft geen objectieve documenten overgelegd ter onderbouwing van dit asielmotief. Verweerder heeft daarom getoetst of eiser dit asielmotief anderszins aannemelijk heeft gemaakt. Eiser heeft volgens verweerder niet samenhangend en aannemelijk verklaard en kan volgens verweerder in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd. Dat eiser uit Senegal komt is onvoldoende om aan te nemen dat hij een vluchteling is als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of dat hij bij terugkeer naar Senegal een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM . Eiser komt vanwege het voorgaande niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond omdat eiser afkomstig is uit een veilig land van herkomst zoals bedoeld in artikel 36 en 37 van de Procedurerichtlijn, de aanvraag van eiser is een opvolgende aanvraag die niet niet-ontvankelijk is verklaard en eiser heeft niet onmiddellijk asiel aangevraagd toen dat mogelijk was. Wat vindt eiser in beroep? 5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert het volgende aan. Eiser vindt dat verweerder het eerste asielmotief niet deels ongeloofwaardig mocht vinden. Ook voert eiser aan dat verweerder ten onrechte het tweede asielmotief ongeloofwaardig heeft geacht omdat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader en de mentale gesteldheid van eiser waardoor verweerder het bestreden besluit onzorgvuldig heeft genomen. Wat is het oordeel van de rechtbank? 6. De rechtbank beoordeelt of verweerder eisers asielaanvraag kon afwijzen als kennelijk ongegrond. Zij doet dat aan de hand van beroepsgronden van eiser. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen. Heeft verweerder onvoldoende rekening gehouden met eisers mentale gesteldheid? 7. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de medische situatie van eiser. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende heeft meegewogen dat eiser kampt met psychische klachten door detentie en traumatische reiservaring. Nu eiser heeft nagelaten dit te onderbouwen slaagt deze beroepsgrond niet. Mocht verweerder het eerste asielmotief deels ongeloofwaardig vinden? 8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder dit asielmotief deels ongeloofwaardig mocht vinden en aan eiser mocht tegenwerpen dat hij onvoldoende documenten heeft overgelegd en dat hij daar geen goede verklaring voor heeft. Hierbij mocht verweerder betrekken dat eiser zonder goede reden zijn geboorteakte niet heeft overgelegd. Verweerder mocht vinden dat nu eiser meerdere malen is gewezen op het belang van het overleggen van documenten dat verwacht mag worden dat hij inspanning zou leveren om onderzoek te doen naar de mogelijkheden om enig identificerend document over te leggen. Verweerder mocht vinden dat eisers verklaring, dat hem niet kan worden aangerekend dat zijn familie niet weet hoe zij documenten moeten opsturen, onverschoonbaar is, nu eiser niet heeft geconcretiseerd waarom zijn familie hier tot dusverre niet in is geslaagd. Dit geldt ook voor de verklaring van eiser dat hij geen tijd heeft gehad om documenten over te leggen terwijl hij al anderhalf jaar in Europa is. Verweerder mocht hierbij betrekken dat het overleggen van de geboorteakte in deze procedure wel van belang is nu eiser met dit document in ieder geval een begin van de onderbouwing van zijn identiteit had kunnen maken. Verweerder mocht eiser tegenwerpen dat hij niet samenhangend en aannemelijk heeft verklaard. Hierbij mocht verweerder betrekken dat hij wisselend heeft verklaard over zijn geboortedatum in verschillende procedures. Eiser heeft pas in zijn gehoor opvolgende aanvraag verklaard dat hij is geboren op [geboortedatum 3] 1998 en dat dit op zijn geboorteakte staat. De rechtbank volgt dat het mogelijk is geweest dat er onduidelijkheden zijn ontstaan bij het politiegehoor wegens de taalbarrière omdat eiser een Engelse tolk had in plaats van een Wolof-tolk, maar gelet op het bovengenoemde mocht verweerder stellen dat de identiteit van eiser ongeloofwaardig is. Mocht verweerder het tweede asielmotief ongeloofwaardig vinden? 9. Bij het onderzoek naar de geloofwaardigheid van eisers biseksuele gerichtheid, dient verweerder werkinstructie 2019/17 als uitgangspunt te nemen. Volgens deze werkinstructie moet verweerder bij de beoordeling rekening houden met de omstandigheid dat het voor een vreemdeling niet mogelijk is om met sluitend bewijs aannemelijk te maken dat hij lhbti is. De enkele stelling van de vreemdeling dat hij lhbti is, is niet voldoende. Verweerder maakt een individuele afweging die onderdeel is van een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling, waarbij alle relevante omstandigheden van het geval worden betrokken en in onderlinge samenhang worden gewogen. Het is aan de vreemdeling om de gestelde seksuele gerichtheid tegenover verweerder aannemelijk te maken. Het bepalen van welk gewicht toekomt aan de antwoorden op de vragen die zijn gesteld over iemands seksuele gerichtheid, is sterk afhankelijk van de individuele zaak. Verweerder houdt, net als tijdens het gehoor, hierbij rekening met het referentiekader van de vreemdeling. Bij de beoordeling wordt betrokken of de verklaringen consistent zijn en overeenkomen met hetgeen bekend is over de algemene situatie (ten aanzien van lhbti’ers in het land van herkomst). Het zwaartepunt ligt bij het persoonlijke, authentieke verhaal dat een vreemdeling vertelt over en vanuit zijn eigen ervaringen. Als een vreemdeling afkomstig is uit een land waar lhbti-gerichtheid niet wordt geaccepteerd en misschien zelfs strafbaar is, mag van een vreemdeling worden verwacht dat hij inzicht kan geven in een denkproces over wat het betekent om anders te zijn dan de maatschappij of wet verlangt en hoe hij daar invulling aan geeft. 9.1. Verweerder moet op grond van werkinstructie 2019/17 de gestelde seksuele gerichtheid in ieder geval aan de hand van de volgende vier thema’s beoordelen: privéleven; huidige en voorgaande relaties, contacten in het land van herkomst en contact met of kennis van lhbti-groepen; contact met lhbti’ers in Nederland en kennis van de Nederlandse situatie; en discriminatie, repressie en vervolging in het land van herkomst. 9.2. De rechtbank merkt allereerst op dat verweerder niet langer tegenwerpt dat eiser wisselend gebruik heeft gemaakt van de woorden biseksueel en homoseksueel. De rechtbank is van oordeel dat verweerder dit asielmotief echter alsnog ongeloofwaardig mocht vinden en dat verweerder aan eiser mocht tegenwerpen dat hij niet samenhangend en aannemelijk heeft verklaard. Zo mocht verweerder bij zijn beoordeling betrekken dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe hij tot de ontdekking kwam dat hij op mannen viel. Uit de verklaringen van eiser blijkt niet duidelijk hoe hij zich realiseerde dat hij op mannen viel. Eiser heeft verklaard dat hij 17 jaar was toen hij zich realiseerde dat hij op mannen viel maar eiser kan niet duidelijk verklaren of hij al gevoelens had voor zijn neef voordat zij samen gingen douchen of dat dit is ontstaan omdat zij samen gingen douchen. De ontdekking van eiser dat hij op mannen viel is een belangrijk moment in zijn leven en verwacht mag worden dat eiser hier inzichtelijker over kan verklaren. Het standpunt van eiser dat verweerder niet uit de verklaringen van eiser kan concluderen dat er al sprake was van gevoelens voordat eiser samen met zijn neef ging douchen verandert het oordeel niet, nu eiser niet duidelijk maakt wat hij wel bedoelde met zijn verklaring. Tevens mocht verweerder betrekken dat eiser summier en wisselend heeft verklaard over zijn relatie met [naam 1] en [naam 2]. Eiser stelt dat hij vijf jaar een relatie heeft gehad met [naam 1] maar eiser kan bijna niets over hem vertellen. Gevolgd wordt dat in een land waar homoseksualiteit strafbaar is je voorzichtig bent, maar verwacht mag worden dat eiser wel iets weet over de persoon waarmee hij stelt vijf jaar een relatie te hebben gehad, zoals bijvoorbeeld zijn volledige naam , zijn leeftijd of enkele karaktereigenschappen. Zelfs als het alleen om een fysieke relatie ging. Dit geldt ook voor de relatie van eiser met [naam 2]. Eiser kan maar summier verklaren over wat hij leuk aan hem vond, terwijl eiser wel heeft verklaard dat hij gevoelens voor [naam 2] heeft gehad. Ook is niet duidelijk uit eisers verklaringen de tijdsperiode gebleken waarin eiser stelt een relatie te hebben gehad met [naam 1] en [naam 2]. Wat betreft eisers standpunt dat verweerder de relaties naar westerse normen heeft beoordeeld en dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met eisers bijzondere kwetsbaarheid vanwege zijn seksuele gerichtheid en het feit dat in zijn land van herkomst homoseksualiteit strafbaar is, overweegt de rechtbank dat uit jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter – specifiek met betrekking tot de culturele achtergrond van een vreemdeling – volgt dat verweerder met zijn werkwijze in beginsel al voldoende rekening houdt met de culturele achtergrond van de vreemdeling. De rechtbank is van oordeel dat verweerder gelet op eisers referentie kader heeft mogen vinden dat eiser te summier heeft verklaard. Deze beroepsgrond slaagt dus niet. 9.3. Ook mocht verweerder bij zijn oordeel betrekken dat eiser summier heeft verklaard over de situatie in Senegal en hoe eiser die situatie persoonlijk heeft ervaren. Eiser heeft niet inzichtelijk gemaakt hoe het voor hem was om als jongvolwassene gevoelens te hebben voor mannen in een land waar dit strafbaar is. Eiser verklaart enkel dat het feit dat het een probleem was om homoseksueel te zijn in Senegal er niet voor zorgde dat het een probleem voor eiser was. Nu zijn biseksualiteit alleen iets te maken heeft met zijn eigen innerlijk. Ook mocht verweerder betrekken dat eiser wisselend heeft verklaard over het feit of zijn buren op de hoogte zijn van zijn homoseksualiteit. Eiser heeft niet duidelijk verklaard welke buren over hem aan het roddelen waren. Het betoog van eiser dat dit hem niet kan worden aangerekend nu verweerder niet heeft doorgevraagd, heeft geen kans van slagen, nu duidelijk blijkt uit het gehoor dat er meerdere vragen aan eiser worden gesteld om duidelijkheid te creëren over het onderwerp hoe de buren achter zijn seksuele gerichtheid zijn gekomen. Ook mocht verweerder betrekken dat eiser minimale kennis heeft van de situatie van lhbti’ers in Nederland. Eiser is al anderhalf jaar in Europa en verweerder mocht hem daarom tegenwerpen dat het opmerkelijk is dat hij weinig tot niets kan vertellen over de situatie van lhbti’ers in Nederland terwijl eiser in Nederland wel de vrijheid heeft om zijn gevoelens te uiten. 9.4. Ook mocht verweerder eiser tegenwerpen dat hij in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd. Hierbij mocht verweerder betrekken dat eiser zijn homoseksualiteit niet eerder kenbaar heeft gemaakt en hier geen verschoonbare reden voor heeft. Op grond van de werkinstructie 2019/17 mag met de opvolgende aanvraag aan de vreemdeling gevraagd worden waarom hij zijn seksuele gerichtheid niet in eerdere procedures naar voren heeft gebracht en mag het antwoord op deze vraag bij de beoordeling worden betrokken. Van eiser mocht verwacht worden dat hij zijn seksuele gerichtheid al eerder naar voren had gebracht nu eiser stelt dat hij zich al vanaf zijn zeventiende realiseerde dat hij op mannen viel. Eiser stelt als reden dat hij niet eerder heeft verklaard over zijn seksuele gerichtheid dat hij mentaal ziek was en dat hij gedurende de hele vorige procedure niet zichzelf was. Verweerder mocht vinden dat de enkele verklaring van eiser dat hij mentale problemen had niet voldoende reden is nu eiser deze problemen niet verder heeft onderbouwd met documenten. Tevens heeft eiser verklaard nooit problemen gehad te hebben met het accepteren van zijn seksuele gerichtheid dus verweerder mocht het bevreemdend vinden dat eiser in zijn eerste asielaanvraag wel heeft kunnen verklaren over zijn familieproblemen maar niet over zijn seksuele gerichtheid. Ten slotte mocht in het nadeel van eiser worden gewogen dat hij na de eerste asielaanvraag met onbekende bestemming is vertrokken en niet gelijk een nieuwe asielaanvraag heeft ingediend om zijn homoseksualiteit kenbaar te maken. 9.5. Anders dan eiser heeft aangevoerd heeft verweerder met het voorgaande wel degelijk een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling gemaakt, waarbij verweerder niet ten onrechte heeft kunnen vinden dat eiser op de belangrijke onderdelen te summier heeft verklaard. 10. Het voorgaande maakt dat eiser niet als vluchteling kan worden aangemerkt en dat eiser geen reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Senegal in de zin van artikel 3 EVRM. Verweerder heeft daarom eisers asielaanvraag af kunnen wijzen. Conclusie en gevolgen 11. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder de aanvraag terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. De rechtbank is daarom van oordeel het beroep ongegrond is. Dat betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand blijft. 12. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. 13. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.L. Maats, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open. Aanmeldgehoor p. 17. Aanmeldgehoor p. 4. Zie uitspraak van rechtbank Den Haag van 24 november 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:23768. Artikel 31, zesde lid, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw. Artikel 31, zesde lid, onder c en e, van de Vw Het Verdrag van Genève van 1951 betreffende de status van vluchtelingen (Trb. 1954, 88) en het bijbehorende Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76). Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Zie ook artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vw. Artikel 30b, eerste lid, onder b, g en h van de Vw. WI 2019/17 Horen en beslissen in zaken waarin lhbti-gerichtheid als asielmotief is aangevoerd. Gehoor opvolgende aanvraag p. 6 en 7. Gehoor opvolgende aanvraag p. 5. Gehoor opvolgende aanvraag p. 5. Gehoor opvolgende aanvraag p.10. Uitspraak van de Afdeling van 6 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:341. Gehoor opvolgende aanvraag p. 8. Gehoor opvolgende aanvraag p.11 en 12. Zie paragraaf 4 van de werkinstructie 2019/17.

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...