ECLI:NL:RBDHA:2025:27984
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum
- 2025-11-20
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
“Tussenuitspraak nareis. Informatie uit meer recentere ambtsbericht schetst een wezenlijk ander beeld over de documentatieplicht in Eritrea, dan de informatie die is gebruikt bij de beoordeling dan de geboorteaktes. Uit de recentere landeninformatie, waar eisers op hebben gewezen, blijkt dan ook een contra-indicatie waardoor verweerder niet zonder meer uit kan gaan van de uitkomst in het onderzoeksrapport van Bureau Documenten. Eisers hebben met het aanleveren van stukken, zoals een onderzoeksrapport van het UNHCR, een begin van bewijs geleverd en zich ingespannen om aan de samenwerkingsplicht te voldoen. De rechtbank is verder van oordeel dat uit het bestreden besluit onvoldoende blijkt dat er rekening is gehouden met de belangen van de kinderen. Zeer lange duur van de procedure. De rechtbank stelt de minister in de gelegenheid om de gebreken in het besluit te herstellen.”
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummers: NL25.8877 T V-nummers: [v nummer 1] [v nummer 2] tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] en [eiseres] , eisers (gemachtigde: mr. E.E.M. Bezem), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. L.J.E. Altdorf). Procesverloop 1. Eisers hebben op 28 december 2021 een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het verblijfsdoel ‘familie en gezin’ bij [referente] (referente). Verweerder heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 27 juli 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 27 januari 2025 is het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. 1.1. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. 1.2. De rechtbank heeft het beroep op 16 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referente, de gemachtigde van eisers, [eiser] als tolk in de taal Tigrinya, [persoon] (voogd van referente van de stichting Nidos) en de gemachtigde van verweerder. Overwegingen Het griffierecht 2. Eisers hebben verzocht om vrijstelling van de verplichting om griffierecht te betalen, vanwege betalingsonmacht. Eisers hebben voldoende aangetoond dat zij aan de voorwaarden voor deze vrijstelling voldoen. De rechtbank bepaalt daarom dat eisers zijn vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen. Achtergrond 3. Referente is op vijftien jarige leeftijd vanuit Eritrea naar Nederland gekomen en zij heeft een asielvergunning gekregen in 2021. Haar moeder en zus zijn haar begin 2024 nagereisd. Referente wil dat eisers, die met haar in gezinsverband hebben samengeleefd in Eritrea, herenigd worden met het gezin in Nederland. Referente heeft aangegeven dat haar zus en zwager in 2013 zijn gevlucht en hun zonen, eisers, die op dat moment vier en zes jaar waren, bij het gezin hebben achtergelaten. Eisers zijn de neven van referente en zij stelt dat het pleegzonen van haar ouders zijn. Eisers zijn hangende beroep ook gevlucht. [eiser] verblijft in Ethiopië en [eiseres] in Libië. Totstandkoming besluit 4. Referente heeft op 5 november 2021 een verblijfsvergunning asiel gekregen. Op 30 december 2021 heeft referente namens eisers een aanvraag ingediend voor een mvv voor het verblijfsdoel ‘familie en gezin’ in het kader van nareis. Tevens heeft referente een aanvraag ingediend voor haar vader, moeder en zusje. De aanvraag van de vader van referente is ingetrokken en de aanvragen van de moeder en het zusje zijn ingewilligd. De aanvragen van eisers zijn afgewezen in het besluit van 27 juli 2023. Eisers zijn op 23 augustus 2023 in bezwaar gegaan tegen dat besluit. 5. Verweerder heeft aan het bestreden besluit het volgende ten grondslag gelegd. De identiteit van eisers is niet aannemelijk gemaakt. De familierechtelijke relatie tussen referente en eisers is ook niet aannemelijk gemaakt. Niet is gebleken wie de biologische ouders zijn van eisers en dat er een pleegrelatie bestaat tussen eisers en het gezin van referente. Er is ook niet gebleken dat de biologische ouders van eisers toestemming hebben gegeven voor het vertrek van eisers naar Nederland. Aan eisers wordt niet het voordeel van de twijfel gegeven. Verder is er geen sprake van familie- of gezinsleven in het kader van artikel 8 van het EVRM . Het bezwaar is daarom ongegrond verklaard. Juridisch kader 6. Op grond van artikel 16, eerste lid, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw worden afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd. 6.1. Op grond van artikel 3.28, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw, onder een beperking verband houdend met verblijf als familie- of gezinslid worden verleend aan de minderjarige vreemdeling: a. die als pleegkind in Nederland wil verblijven in het gezin van één of meer Nederlanders of vreemdelingen met rechtmatig verblijf, als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Vw; en b. die naar het oordeel van Onze Minister in het land van herkomst geen aanvaardbare toekomst heeft. 6.2. Het beleid met betrekking tot buitenlandse pleegkinderen is neergelegd in paragraaf B7/3.7. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). In paragraaf B7/3.7.2.1. van de Vc is bepaald dat in aanvulling op de in artikel 3.28 van het Vb opgenomen voorwaarden, de IND een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking familie- of gezinslid verleent, als ook wordt voldaan aan alle hierna genoemde voorwaarden: het kind in het land van herkomst feitelijk al behoorde tot het gezin van de pleegouders en hier nog steeds toe behoort; en het kind minimaal één jaar in het land van herkomst is verzorgd en opgevoed door de pleegouders omdat de eigen ouders overleden zijn en niet in staat waren om voor het kind te zorgen. De IND neemt aan dat het kind feitelijk behoort en al in het buitenland behoorde tot het gezin van de pleegouders als tussen het kind en de pleegouders sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM. De pleegouders hoeven geen bloed- of aanverwant te zijn van het kind. In paragraaf B7/3.8 van de Vc staan de voorwaarden voor het aannemen van familie of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Beoordeling door de rechtbank Identiteit (doopaktes) van eisers 7. Verweerder heeft vastgesteld dat de doopaktes van eisers niet zijn opgemaakt en afgegeven door de autoriteiten in Eritrea en dat er op de doopaktes geen pasfoto’s staan. Uit de doopaktes is niet op te maken of, en zo ja, welke documenten ten grondslag hebben gelegen aan de inhoud van de doopaktes. Van op basis van eigen verklaringen opgestelde doopaktes gaat onvoldoende bewijskracht uit. Bovendien zijn de doopaktes van eisers door Bureau Documenten vals bevonden. Eisers hebben nagelaten om een contra-indicatie te overleggen waaruit zou blijken dat het deskundigenadvies niet zorgvuldig tot stand is gekomen. Ook hebben eisers ook geen andere documenten overgelegd waarmee zij hun identiteit aannemelijk hebben gemaakt. 7.1. De rechtbank stelt vast dat voor de beoordeling van de doopaktes door Bureau Documenten de informatie uit het algemeen ambtsbericht Eritrea van 2017 is gebruikt. Hieruit is de volgende tekst overgenomen: “Het is verplicht een pasgeboren kind te laten registreren. Als ouders een geboorte niet binnen drie maanden laten registreren, kunnen zij daarvoor boetes of zelfs gevangenisstraffen opgelegd krijgen. De geboorte moet eerst in het familieregister van het Kebabi-kantoor worden geregistreerd. Daarvoor moet men een bewijsstuk van de geboorte (bijvoorbeeld een kerkelijke doopakte in christelijke gebieden) evenals een vaccinatiebewijs van het pasgeboren kind overleggen. Daarna geeft het Kebabi-kantoor een ‘overdrachtsbrief’ af met alle relevante gegevens ten behoeve van het Sub-Zoba-kantoor. Deze brief moet door drie getuigen worden ondertekend. De ouders dienen de overdrachtsbrief, het geboortebewijs en hun residence card te overleggen bij de Sub-Zoba. De gegevens worden ingevoerd in de databank, de papieren gegevens worden in een dossier bewaard.” 7.2. Bureau Documenten heeft in zijn rapportage van 26 augustus 2022 aangegeven dat een doopakte geen officieel geboortebewijs is, maar slechts in samenhang met andere bewijsstukken geaccepteerd zou kunnen worden om een geboorte te registreren. De overgelegde geboorteaktes wijken af van het beschikbare vergelijkingsmateriaal en daarom zijn de documenten “met aan zekerheid grenzende aannemelijkheid niet echt” bevonden. In het bestreden besluit en in het verweerschrift gaat verweerder uit van “vals” bevonden documenten. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat dit onnauwkeurig is, maar in beide gevallen geen waarde aan de documenten wordt gehecht. 7.3. De rechtbank overweegt als volgt. Uit het algemeen ambtsbericht Eritrea van 2023 dat ten tijde van het bestreden besluit van kracht was en ook in overeenstemming is met het ambtsbericht uit 2022 blijkt het volgende: “Vanwege de gebrekkige ontwikkeling van het bevolkingsregister en de moeizame toegang daartoe wordt de wettelijke verplichting om geboorten, huwelijken en overlijdens tijdig te registreren in de praktijk niet gehandhaafd. Voorts kent Eritrea een hoge mate van corruptie en willekeur. Deze factoren maken het lastig een eenduidig beeld te schetsen van de afgifte en het bezit van documenten.” 7.4. Eisers voeren daarom terecht aan dat er enige bewijswaarde moet toekomen aan de overgelegde stukken als deze niet vals zijn bevonden. Het verschil tussen de kwalificatie “vals” en “met aan zekerheid grenzende aannemelijkheid niet echt” maakt volgens de rechtbank wel degelijk een verschil in de integrale beoordeling van de documenten. Daarnaast geldt dat de verklaring van het Administratiekantoor van Hadish Adi van 28 augustus 2023 en de verklaring van de buren van 16 juni 2024 niet kenbaar beoordeeld zijn in het bestreden besluit. Daar komt bij dat verweerder in het bestreden besluit de gehanteerde maatstaf van “valse documenten” als contra-indicatie voor het toepassen van het voordeel van de twijfel heeft toegepast. Daaruit blijkt volgens de rechtbank ook dat, anders dan verweerder ter zitting heeft aangegeven, het hanteren van een andere maatstaf wel degelijk gevolgen heeft voor het toetsingskader in het bestreden besluit. 7.5. De rechtbank is van oordeel dat de informatie zoals die blijkt uit de meer recentere ambtsberichten een wezenlijk ander beeld schetsen over de documentatieplicht in Eritrea, dan de informatie die is gebruikt bij de beoordeling van de geboorteaktes. Uit de recentere landeninformatie, waar eisers op hebben gewezen, blijkt dan ook een contra-indicatie waardoor verweerder niet zonder meer uit kan gaan van de uitkomst in het onderzoeksrapport van Bureau Documenten. Familierechtelijke relatie en biologische ouders 8. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eisers geen documenten of objectieve bewijsmiddelen hebben overgelegd waaruit blijkt dat de ouders van referente de voogdij of het ouderlijke gezag over eisers hebben verkregen. De enkele verklaringen daaromtrent zijn niet toereikend om uit te leggen dat er geen documenten of een andere vorm van concrete onderbouwing is. De identiteit van de biologische vader van eisers is op geen enkele wijze onderbouwd. Verweerder volgt eisers niet in hun stellingen dat sprake is van bewijsnood op het punt dat de biologische ouders van eisers vermist zijn. De gestelde vermissing is enkel met mondelinge summiere verklaringen onderbouwd. 8.1. De rechtbank overweegt dat uit het arrest E van het Hof blijkt dat de samenwerkingsplicht impliceert dat bij het verzoek om gezinshereniging de betrokkenen alle relevante bewijselementen verstrekken om te beoordelen of de door hen aangevoerde gezinsband bestaat, maar ook dat zij antwoord geven op vragen en verzoeken van de autoriteiten en wanneer zij geen officiële bewijsstukken kunnen overleggen, waaruit de gezinsband blijkt, uitleggen waarom dat niet kan. Tenzij overduidelijk de samenwerkingsplicht door betrokkenen niet is nagekomen, worden de overgelegde documenten en/of verklaringen in onderlinge samenhang bezien. De eisen die worden gesteld aan het geleverde bewijs, moeten evenredig zijn aan de andere relevante elementen in de desbetreffende zaak. Relevante elementen zijn bijvoorbeeld de leeftijd en het geslacht van de betrokkenen, de omstandigheden waarin zij verkeren, eventuele contra-indicaties en de administratieve praktijk in het land van herkomst zoals die blijkt uit bijvoorbeeld een algemeen ambtsbericht. 8.2. De rechtbank stelt vast dat referente ten tijde van de nareisaanvraag net vijftien jaar oud was. Zij heeft ter onderbouwing van haar aanvraag verschillende documenten overgelegd zoals de doopaktes, foto’s van de familieleden, een identiteitskaart van de biologische moeder van eisers en verklaringen van derden zoals de priester, buren en van de gestelde pleegouders van eisers. Verder is een hoorzitting geweest met referente, het UNHCR heeft een ‘Best Interest Assessment’ rapport opgesteld over de situatie van eisers waaruit ook blijkt dat zij onderzoek hebben gedaan naar de familiebanden van eisers en is een aanvraag bij het Rode Kruis gedaan om vermiste familieleden op te sporen. 8.3. Voor het onderzoeksrapport van het UNHCR, hebben leden van die organisatie eisers bezocht op hun adres in Ethiopië en hebben zij eisers geïnterviewd en hun leefsituatie beoordeeld. In het rapport is vastgesteld dat eisers op jonge leeftijd zijn verlaten door hun biologische ouders en zijn opgevoed door hun oma. Begin 2024 is oma vertrokken naar Nederland en zijn eisers alleen achter gebleven. 8.4. De rechtbank is van oordeel dat eisers door het overleggen van bovengenoemde stukken een begin van bewijs hebben geleverd en zich hebben ingespannen om aan de samenwerkingsplicht te voldoen. Uit het bestreden besluit blijkt niet dat verweerder, in het kader van de samenwerkingsplicht, heeft betrokken dat referente minderjarig was ten tijde van de aanvraag. Dit had echter wel als relevant element moeten worden betrokken bij de beoordeling van de aangeleverde documenten. Het is verder bekend uit de algemene landeninformatie, dat het zeer moeilijk is om officiële documenten te verkrijgen in Eritrea. De stukken die zijn overgelegd en de verklaringen die daarin worden gegeven, komen met elkaar overeen en deze zijn niet onaannemelijk geacht door verweerder. Verweerder had in het kader van de samenwerkingsplicht een integrale beoordeling moeten maken van de stukken die zijn aangevoerd en zo nodig meer onderzoek moeten verrichten door bijvoorbeeld de moeder en/of eisers te horen of een DNA-onderzoek te doen. Moeder verbleef op het moment van de hoorzitting al in Nederland. Verweerders standpunt dat referente te summier heeft verklaard om bewijsnood aan te nemen, volgt de rechtbank niet. 8.5. De rechtbank merkt verder op dat verweerder in het primaire besluit heeft aangegeven dat eisers verklaringen uit de gemeenschap hadden kunnen overleggen waaruit zou blijken dat de ouders van referente de voogdij over eisers hadden. In bezwaar hebben eisers zulke verklaringen overgelegd van buren, van de priester van het dorp en van de ouders van referente. Verweerder heeft vervolgens in het bestreden besluit geoordeeld dat deze verklaringen niet afkomstig zijn van objectieve en verifieerbare bronnen en heeft hij hieraan geen bewijswaarde toegekend. De rechtbank volgt dat standpunt van verweerder niet. Eisers hebben geprobeerd hun verklaringen te onderbouwen met bewijsstukken die verweerder zelf heeft geopperd en niet gevolgd kan worden dat hieraan geen enkele bewijswaarde wordt toegekend. In beroep hebben eisers ook een nadere verklaring van de priester van 7 augustus 2025 overgelegd. Belang van het kind 9. Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit het arrest E blijkt dat de nationale autoriteiten de bevoegdheid hebben om maatregelen te nemen ter voorkoming van frauduleuze verzoeken tot gezinshereniging, met name wanneer sprake is van mogelijke kinderontvoering of mensenhandel. De gestelde familierechtelijke relatie en de gezinsband met het pleeggezin is niet aannemelijk gemaakt. Het is daarom in het belang van de kinderen om bij hun kerngezin te blijven, te weten hun biologische ouders. Uit het overgelegde rapport van het UNHCR blijkt verder niet dat zij in dermate schrijnende omstandigheid verkeren dat het onevenredig is om hen niet te herenigen. 9.1. De rechtbank overweegt dat uit het arrest E van het Hof blijkt dat het de nationale autoriteiten vrij staat om stappen te ondernemen tegen frauduleuze verzoeken om gezinshereniging, in de context van kinderontvoering of mensenhandel, maar dit hen niet ontslaat van de verplichting om rekening te houden met het hogere belang van een kind. De autoriteiten kunnen zich hiervoor niet uitsluitend baseren op het ontbreken van bewijsstukken. Hierbij moet ook worden meegewogen of gezinshereniging het enige middel zou kunnen zijn om te verzekeren dat de kinderen kunnen opgroeien binnen een familiekring. 9.2. De rechtbank stelt vast dat niet aan eisers is tegengeworpen in het bestreden besluit, dat de verklaringen die zijn gegeven over de familiekring waarbinnen zij zijn opgegroeid, niet plausibel zouden zijn. Ook zijn er geen aanknopingspunten dat de biologische ouders wel beschikbaar zijn om voor eisers te zorgen Uit het rapport van het UNHCR blijkt dat het ontbreken van een voogd een ernstig veiligheidsrisico vormt voor eisers en dat er dringende maatregelen zijn vereist. Het huis waarin zij wonen is niet schoon en ziet er niet goed onderhouden uit. [eiseres] heeft daarnaast gezondheidsproblemen. Beiden volgen geen school en zijn volledig afhankelijk van de financiële steun die zij ontvangen van referente. De rechtbank volgt verweerder dan ook niet in het standpunt dat uit het rapport niet zou blijken dat er sprake is van een schrijnende situatie, zeker nu duidelijk uit het rapport duidelijk blijkt dat er dringend maatregelen vereist zijn. 9.3. De rechtbank is verder van oordeel dat uit het bestreden besluit onvoldoende blijkt dat er rekening is gehouden met de belangen van de kinderen. Verweerder heeft niet kenbaar gemotiveerd welke indicaties voor kinderontvoering bestaan in het geval van eisers. Verder blijkt onvoldoende dat er rekening is gehouden met wat het Hof heeft geoordeeld in het arrest E. Het is niet kenbaar meegewogen of gezinshereniging voor eisers de enige mogelijkheid is om binnen een familiekring op te groeien. 9.4. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat het bestreden besluit in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel genomen is en dat het beroep gegrond is. De overige gronden behoeven dan geen bespreking meer. Conclusie en gevolgen 10. Zoals hiervoor is geoordeeld is het bestreden besluit in strijd met motiverings- en het zorgvuldigheidsbeginsel. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen de gebreken te herstellen. Om de gebreken te herstellen, moet verweerder een nieuw besluit nemen en daarin kenbaar de recente landeninformatie betrekken bij de beoordeling van de doopaktes, invulling geven aan de samenwerkingsplicht aan de kant van verweerder door alle overgelegde stukken kenbaar te betrekken en onderzoek te doen naar de gezinssituatie door bijvoorbeeld de moeder van referente te horen. Verder moet verweerder kenbaar het belang van de kinderen meewegen in de boordeling. Verweerder moet bij het herstellen van de gebreken de overwegingen in deze uitspraak betrekken. De rechtbank wijst verweerder er nog op dat de primaire fase en de bezwaarfase ruim 3 jaar geduurd heeft en dat het belangrijk is dat verweerder het nemen van een nieuw besluit met de grootste voortvarendheid behandeld. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder de gebreken kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak. 11. Verweerder moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen. Als verweerder gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eisers in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beginsel, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep. 12. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt. Beslissing De rechtbank: - draagt verweerder op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen; - stelt verweerder in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak of plaatsing in het digitale dossier de gebreken te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak; - houdt iedere verdere beslissing aan. Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Waal, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak. Europees verdrag voor de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Immigratie- en Naturalisatie Dienst. Pagina 24 van dat ambtsbericht. Hiertoe wordt verwezen naar een onderzoeksrapport van [naam 1] en [naam 2] , Expert report Eritrea: Access to documents by Eritrean refugees in the context of family reunion dat is verschenen in 2021 waar de ondervraagden aangeven geen enkele herinnering te hebben van een rechtszaak waarin een strafrechtelijke vervolging plaatsvond wegens het niet nakomen van de registratie van een pasgeborene (pagina 22). Pagina 25 van het Algemeen ambtsbericht van Eritrea 2023. Zoals ook blijkt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 26 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:245. Hof van justitie van de Europese Unie (Hof) van 13 maart 2019 ECLI:EU:C:2019:192, C-635/17 (E. tegen Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie). Zie ook de Afdeling in haar uitspraak van 26 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:245. Het Bureau van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen. Op pagina 6. Op pagina 3. Op pagina 5 en 6 van het rapport over [eiseres] en pagina 5 van het rapport over [eiser] . Pagina 5 van het rapport over [eiseres] en pagina 4 van het rapport over [eiser] . Pagina 5 van zijn rapport.
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...