ECLI:NL:RBDHA:2025:27914
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum
- 2025-12-18
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Vreemdelingenrecht asiel; verweerder heeft de geloofwaardigheid van het asielrelaas in het midden kunnen laten (zie ECLI:NL:RVS:2022:2333); relevante landeninformatie en individuele omstandigheden onvoldoende kenbaar bij de beoordeling betrokken, motiveringsgebrek (art. 3:46 Awb); beroep gegrond.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: NL25.21860 en NL25.21861 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [eiseres], [v-nummer 1], eiseres en [eiser] , [v-nummer 2], eiser tezamen eisers, (gemachtigde: mr. T. Thissen), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. J. Amakodo). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen de afwijzing van hun asielaanvraag. Eiseres en eiser hebben op respectievelijk 13 november 2022 en 16 mei 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met de bestreden besluiten van 17 april 2025 deze aanvragen in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond . 1.1. De rechtbank heeft beide beroepen op 20 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, F. Hussain als tolk en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? Het asielrelaas 2. Eiseres is geboren op [geboortedatum 1] 1980. Eiser is geboren op [geboortedatum 2] 1974. Beiden hebben de Pakistaanse nationaliteit. Zij hebben het volgende aan hun asielaanvragen ten grondslag gelegd. Eisers zijn christen. Eiseres werkte als schoonmaakster op een school in [plaats 1]. Op 11 juni 2021 heeft eiseres zonder het te weten (omdat zij het niet kon lezen) een vers uit de Koran van het schoolbord geveegd. De lerares zag dit, heeft eiseres beschuldigd van godslastering en haar samen met andere leerkrachten mishandeld waardoor zij gewond is geraakt. De schooldirectrice heeft de groep uit elkaar gehaald en daarop eiseres geboden te vertrekken. Eenmaal thuis is eiseres door een collega telefonisch gewaarschuwd dat een groep personen naar haar toe zou komen. Met hun gezin zijn eisers dezelfde middag nog naar familie in [plaats 2] gegaan, en enige tijd later naar familie in [plaats 3]. Op 5 juli 2022, een jaar na het incident, is eiser naar hun inmiddels vernielde huis teruggegaan. Tijdens zijn bezoek is hij door plaatselijke moslims aangevallen vanwege de beschuldigingen tegen eiseres. Eiser heeft daarop Pakistan verlaten. In oktober 2022 heeft eiseres Pakistan verlaten. Bij terugkeer vrezen eisers gedood te worden. De bestreden besluiten 3. Verweerder heeft twee asielmotieven uit het asielrelaas van eisers herleid. Hun identiteit, nationaliteit en herkomst worden geloofd. De problemen vanwege eisers christelijke geloof zijn door verweerder niet op geloofwaardigheid beoordeeld en in het midden gelaten. Dit omdat er volgens verweerder sprake is van een binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C2/3.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Verweerder stelt zich hierbij op het standpunt dat ondanks dat christenen uit Pakistan vallen onder een risicoprofiel, uit algemene landeninformatie blijkt dat verhuizing een redelijke optie is nu eiseres niet door de Pakistaanse autoriteiten worden vervolgd. Daarbij is niet gebleken dat dit voor eisers geen optie is. Eisers zijn daarom geen vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Ook is niet gebleken van een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM bij terugkeer. Tot slot wordt eisers een terugkeerbesluit opgelegd met een vertrektermijn van vier weken. Wat vinden eisers in beroep? 4. Eisers zijn het niet eens met de bestreden besluiten en voeren hiertoe het volgende aan. Zij stellen voorop dat verweerder ten onrechte hun relaas niet op geloofwaardigheid heeft getoetst en daarmee in strijd met eigen beleid handelt. Paragraaf C2/3.4 van de Vc schrijft immers voor dat verweerder eerst op geloofwaardigheid beoordeelt alvorens te kijken naar binnenlandse beschermingsalternatieven. Daarnaast heeft verweerder bij de beoordeling of sprake is van een binnenlands beschermingsalternatief nagelaten om te onderzoeken of eisers in een ander gebied niet alsnog slachtoffer zullen worden vanwege de beschuldigingen, of zij veilig naar dit gebied kunnen en of zij aldaar in hun levensonderhoud kunnen voorzien. Ook miskent verweerder recentere landeninformatie zoals het Algemeen ambtsbericht (AAB) Pakistan van september 2022 en van juli 2024, waaruit blijkt dat het moeilijk kan zijn om je elders te vestigen en dat onduidelijk is in welke gevallen een verhuizing helpt. Hierbij verwijzen eisers naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, waarin de rechtbank in een vergelijkbare zaak van oordeel is dat verweerder onvoldoende rekening gehouden heeft met de gewijzigde inhoud van de ambtsberichten en wat dat voor de mogelijkheid van een beschermingsalternatief betekent. Daar komt bij dat eisers niet langer over voldoende financiële middelen beschikken om zich elders te vestigen. Verder is het, in tegenstelling tot wat verweerder stelt, niet vreemd geweest dat eisers ondanks hun vrees via [plaats 1] Pakistan uit zijn gereisd. Wat is het oordeel van de rechtbank? Werkwijze verweerder 5. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft in haar uitspraak van 17 augustus 2022 reeds overwogen dat de werkwijze van verweerder om in gevallen de geloofwaardigheid van het asielrelaas in het midden te laten en direct te toetsen op zwaarwegendheid, in zijn algemeenheid niet in strijd is met een wettelijke bepaling of nationale en Unierechtelijke standaarden. Wel moet verweerder bij de toepassing hiervan bepaalde waarborgen in acht nemen om ervoor te zorgen dat beoordelingen zorgvuldig worden voorbereid en deugdelijk worden gemotiveerd. Het is de rechtbank niet gebleken dat verweerder deze werkwijze in deze zaak niet toe heeft kunnen passen, dan wel dat verweerder de in de uitspraak genoemde waarborgen niet in acht zou hebben genomen. Eisers hebben ook niet nader onderbouwd waarom deze werkwijze in hun geval niet toegepast had kunnen worden, dan wel waarom zij hierdoor onredelijk in hun belangen zouden zijn geschaad. Daarbij is van belang dat bij deze werkwijze de verklaringen van de vreemdeling als uitgangspunt worden genomen voor de verdere toets op zwaarwegendheid . De verwijzing naar paragraaf C2/3.4 van de Vc doet hier niets aan af. 5.1. De Afdeling heeft in haar uitspraak ook overwogen dat het gevolg van deze werkwijze is dat het er bij de rechterlijke toetsing van het standpunt van verweerder in het besluit voor moet worden gehouden dat hij de geloofwaardigheid van de door de vreemdeling gestelde feiten en omstandigheden heeft aangenomen. Voor de verdere behandeling gaat de rechtbank hier dan ook vanuit. Vestigingsalternatief 6. Bij de zwaarwegendheidstoets wordt door verweerder aangenomen dat eisers onder een risicoprofiel vallen omdat zij christen zijn. Verweerder stelt zich echter op het standpunt dat zij geen gegronde vrees voor vervolging hebben, omdat zij zich daaraan kunnen onttrekken door zich elders in Pakistan te vestigen. Verweerder verwijst hiervoor naar het Thematisch ambtsbericht over de positie van ahmadi’s en christenen in Pakistan 2017-2020 van december 2020. Hieruit blijkt dat wanneer een vreemdeling vervolging of ernstig letsel door niet-statelijke actoren vreest, die in het algemeen kan verhuizen om daaraan te ontsnappen. Ook voor christenen is dit normaal gesproken een redelijke optie, tenzij de vreemdeling op formele wijze serieus wordt beschuldigd en vervolgd voor godslastering . Hiervan is volgens verweerder in het geval van eisers geen sprake. Daarbij benoemt verweerder dat eisers maandenlang zonder problemen in [plaats 2] en in [plaats 3] hebben verbleven, deze steden etnisch en religieus divers zijn, een zekere anonimiteit bieden voor personen die vluchten voor niet-statelijke actoren van geweld en eisers daar familie en dus een netwerk hebben. 6.1. Eisers hebben er echter op kunnen wijzen dat de nieuwere landeninformatie dit beeld verder nuanceert en de individuele omstandigheden hierbij een (grotere) rol spelen. Zo blijkt uit het AAB van 2022 dat het succes van verhuizen verschilt van geval tot geval. Hierbij spelen overwegingen zoals de aard van de bedreiging, connecties van de actor en de identificeerbaarheid van de vreemdeling, een rol . Het AAB van 2024 benoemt daarbij dat verhuizen naar een ander deel van het land voor veel Pakistanen “geen haalbare optie is door de beperkingen die onroerende goederen, uitgebreide familiebanden, landbouwgrondbezit en andere factoren met zich meebrengen. Het zal op een nieuwe plaats moeilijker zijn om een baan te vinden omdat deze meestal vergeven worden aan (verre) familieleden of bekenden. Het is moeilijk te verhuizen als je niet beschikt over een goede opleiding of genoeg financiële middelen.” Hetzelfde ambtsbericht benoemt ook dat het in sommige gevallen wel kan helpen om te verhuizen als iemand van godslastering (blasfemie) wordt beschuldigd, maar het niet duidelijk is in welke gevallen dat dan is. Dit kan zijn naar een plaats waar familieleden wonen of naar een grote stad omdat daar minder sociale controle is . 6.2. De rechtbank vindt gelet op het voorgenoemde aansluiting bij de uitspraak van zittingsplaats Utrecht van 20 mei 2025 dat een vestigingsalternatief voor vreemdelingen - met een blasfemiebeschuldiging boven het hoofd - niet langer in zijn algemeenheid aanwezig wordt geacht, maar op individuele basis beoordeeld moet worden en dat het ook niet precies duidelijk is in welke gevallen vestiging elders wel mogelijk is. In vergelijking met het door verweerder aangehaalde Thematisch ambtsbericht is dit een wijziging of nuancering van omstandigheden die door verweerder niet of onvoldoende bij zijn besluiten zijn betrokken. Hierbij acht de rechtbank onder andere van belang dat uit de verklaring van eisers volgt dat zij geen tot nauwelijks opleiding hebben gehad, eiseres een heel klein beetje kan lezen en schrijven en dat er is aangevoerd dat zij over weinig financiële middelen beschikken. Niet is gebleken dat verweerder in de bestreden besluiten heeft overwogen in hoeverre dit van invloed kan zijn op de mogelijkheid van eisers om zich elders te vestigen, nu dit volgens de aangehaalde landeninformatie wel van invloed kan zijn. Dat de informatie van het Thematisch ambtsbericht specifiek op christenen in Pakistan ziet, zoals verweerder in de bestreden besluiten heeft genoemd, neemt niet weg dat meer algemene informatie ook op hen van toepassing kan zijn. De tegenwerpingen van verweerder dat eisers legaal Pakistan uit zijn gereisd en zelfs via het vliegveld in [plaats 1] waar de problemen van eisers hebben plaatsgevonden, nemen - voor zover deze wel relevant kunnen zijn voor de beoordeling - het voorgenoemde niet weg. Ook is het onvoldoende om te stellen dat eisers zich zonder problemen in een stad als [plaats 2] of [plaats 3] kan vestigen nu zij hier langer probleemloos heeft verbleven voordat zij naar Nederland kwamen, aangezien eisers destijds waren ondergedoken. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de bestreden besluiten op dit onderdeel gebrekkig zijn gemotiveerd. Verweerder heeft dit gebrek naar het oordeel van de rechtbank niet hersteld in beroep. Dat christenen alleen maar schoonmaakwerk mogen doen en dergelijk werk in een grote stad makkelijk te vinden is, zodat van eiseres verwacht mag worden dat zij weer een bestaan opbouwt met eiser als chauffeur, is daarvoor onvoldoende. 6.3. Daarnaast hebben eisers aangevoerd dat verweerder niet kenbaar heeft getoetst aan de voorwaarden van paragraaf C2/3.4 van de Vc. Dit ziet op de voorwaarden dat het vestigingsalternatief gaat om een gebied in het land van herkomst waar de vreemdeling geen risico loopt op vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of voor daden als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw óf toegang heeft tot bescherming als bedoeld in artikel 3.37c van het Voorschrift Vreemdelingen (VV); dat de vreemdeling op veilige en wettige wijze kan reizen naar en toegang kan verkrijgen tot dat gebied in het land van herkomst; en dat van de vreemdeling redelijkerwijs kan worden verwacht dat zij zich in dat deel van het land vestigt. Verweerder was het er ter zitting mee eens dat dit niet zo expliciet in de bestreden besluiten getoetst is, maar hij blijft erbij dat dit de conclusie dat er een vestigingsalternatief is niet anders maakt. Nog los van de vraag of dit tot vernietiging van de bestreden besluiten moet leiden, bevatten de bestreden besluiten gelet op hetgeen beschreven onder rechtsoverweging 6.2 naar het oordeel van de rechtbank een motiveringsgebrek en kunnen deze daarom al niet in stand blijven. De rechtbank vernietigt dan ook de bestreden besluiten en draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen in beide zaken. De rechtbank ziet gelet op de aard van het gebrek geen aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten, zelf in de zaak te voorzien of een bestuurlijke lus toe te passen. 6.4. Voor het overige dat is aangevoerd door eisers ziet de rechtbank geen aanleiding dit verder te behandelen, nu de rechtbank reeds in het voorgaande voldoende aanleiding ziet om de bestreden besluiten te vernietigen. Conclusie en gevolgen 7. De beroepen zijn gegrond. De bestreden besluiten zijn in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat de bestreden besluiten een motiveringsgebrek bevatten en niet in stand kunnen blijven. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten. De rechtbank ziet gelet op hetgeen is overwogen onder rechtsoverweging 6.3 geen aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten, om zelf in de zaken te voorzien of om een bestuurlijke lus toe te passen. 7.1. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen in beide zaken en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. 7.2. Omdat de beroepen gegrond zijn krijgen eisers vergoeding van hun proceskosten. De beroepen zijn samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht en worden daarom voor de toepassing van artikel 2, eerste lid, aanhef onder a, van dit besluit beschouwd als één zaak. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van de samenhangende beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: verklaart de beroepen gegrond; vernietigt de bestreden besluiten; draagt verweerder op om opnieuw op de asielaanvragen van eisers te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak; veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.814,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, rechter, in aanwezigheid van P.J.J. Schaap, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Zie Pakistan: Thematisch ambtsbericht over de positie van ahmadi’s en christenen in Pakistan 2017-2020 van december 2020. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Uitspraak van 20 mei 2025, zaaknummer NL25.8249. Niet gepubliceerd. ECLI:NL:RVS:2022:2333, onder r.o. 10-10.5. Zie ook informatiebericht (IB) 2022/102. Thematisch Ambtsbericht, pag. 44. Pag. 33. AAB van 2024, paragraaf 3.1.3, pag. 49 en 50. AAB van 2024, paragraaf 3.1.3.1, pag. 50. Verslag gehoor aanmeldfase, pag. 6. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...