Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2025:22179

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2025-07-29
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
NL24.46155 en NL24.46159
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
ja
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
14.732 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Intrekking verblijfsvergunning - aanvraag EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen - verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd - verblijfsgat - privéleven (artikel 8 EVRM)- hoorplicht - beroep is ongegrond.

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: NL24.46155 en NL24.46159 uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser) (gemachtigde: mr. D. Schaap), en de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en de afwijzing van zijn aanvraag voor een ‘EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen’ en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. 1.1. Verweerder heeft de reguliere verblijfsvergunning met terugwerkende kracht tot 1 januari 2023 ingetrokken en de aanvraag afgewezen met het besluit van 29 februari 2024 (primaire besluit). Hierin is ook bepaald dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd en dat verlenging van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet aan de orde is. Met het bestreden besluit van 22 oktober 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 2. De rechtbank heeft het beroep op 3 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser. Verweerder is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1967 en heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Eiser had eerder verblijf bij zijn kind als verzorgende ouder op grond van het arrest Chavez-Vilchez voor de periode van 18 september 2018 tot 7 mei 2021. Eiser is sinds 12 januari 2021 in het bezit geweest van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ bij mevrouw [naam] (zijn ex-partner, referente). Deze verblijfsvergunning is verleend met een geldigheidsduur tot 12 januari 2026. 4. Verweerder heeft bij het primaire besluit de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht per 1 januari 2023 ingetrokken, omdat eiser niet langer voldoet aan de voorwaarden voor deze verblijfsvergunning. Er is namelijk geen sprake van een duurzame en exclusieve relatie tussen eiser en referente en eiser woont niet meer samen en voert geen gemeenschappelijke huishouding met referente. Referent heeft bij verweerder een schriftelijke melding gedaan waarin zij heeft aangegeven dat de relatie met eiser per januari 2023 is verbroken. Uit de basisregistratie Personen (BRP) blijkt dat eiser en referente sinds 5 september 2023 niet meer op hetzelfde adres staan ingeschreven. 5. Op 15 augustus 2023 heeft eisers gemachtigde namens eiser een aanvraag ingediend voor een ‘EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen’, dan wel een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen. Eiser voldoet niet aan de voorwaarde dat hij op het moment van aanvraag dan wel op het moment van de beslissing minimaal vijf jaar zonder onderbreking in Nederland heeft gewoond. 6. Van bijzondere omstandigheden om af te wijken van het beleid is volgens verweerder geen sprake. De intrekking van de verblijfsvergunning is volgens verweerder niet in strijd met artikel 8 van het EVRM. Wat vindt eiser in beroep? 7. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit van verweerder en voert – kort gezegd – het volgende aan. In het kader van de vijfjaarstermijn is eiser het niet eens met de door verweerder gehanteerde ingangsdatum van het Chavez-verblijfsrecht en ook niet met de datum waarop zijn verblijfsvergunning is ingetrokken. Als ingangsdatum van het Chaves-verblijfsrecht moet niet 18 september 2018 maar 24 juli 2018 worden gehanteerd, de datum waarop eiser zich bij de gemeente heeft geregistreerd op het adres van zijn kind, óf een eerdere datum zoals de datum van zijn aanvraag. Met betrekking tot de intrekkingsdatum voert eiser aan dat verweerder had moeten onderzoeken waarom referente de melding bij verbreking van de relatie in januari 2023 pas in augustus 2023 heeft gedaan. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom doorslaggevend gewicht toekomt aan de verklaring van referente en niet aan eisers uitschrijving van het adres van referente uit het BRP sinds 5 september 2023. Eiser heeft daadwerkelijk tot begin september 2023 met referente samengewoond. Verweerder heeft ten onrechte eisers verblijfsvergunning regulier per 1 januari 2023 ingetrokken. Vóór de intrekking van de reguliere verblijfsvergunning voldeed eiser aan de voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning EU-langdurig ingezetene. Eiser verwijst daarbij naar een uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Verweerder had voorts eiser moeten horen. Wat is het oordeel van de rechtbank? 8. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder motiveert de rechtbank hoe zij tot dit oordeel is gekomen. Intrekking verblijfsvergunning 9. Tussen partijen is niet in geschil dat de relatie tussen eiser en referente inmiddels is verbroken en dat eiser na de verbreking van de relatie niet meer voldoet aan de beperking waaronder die verblijfsvergunning is verleend. Ter discussie staat met ingang van welke datum de relatie, en daarmee de gezinsband, feitelijk is verbroken. 10. Uit artikel 19, in samenhang gelezen met artikel 18, eerste lid, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) volgt dat verweerder een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan intrekken indien niet (meer) wordt voldaan aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning is verleend. Aan eiser was een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend onder de beperking ‘Verblijf als familie- of gezinslid’ bij referente. Eén van de voorwaarden voor een verblijfsvergunning onder die beperking is dat er sprake is van een duurzame en exclusieve relatie als bedoeld in artikel 3.14 van het Vb. Een andere cumulatieve voorwaarde is dat de vreemdeling en referent samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren als bedoeld in artikel 3.17 van het Vb (zie paragraaf B7/3.1.5 Vc ). 11. Referente heeft bij meldingsformulier van 24 augustus 2023 opgave gedaan van het verbreken van de relatie per januari 2023. Verweerder heeft daarom op goede gronden mogen vaststellen dat per 1 januari 2023 geen sprake meer was van een duurzame en exclusieve relatie tussen eiser en referente. Met betrekking tot de stelling van eiser dat uit de basisregistratie Personen (BRP) blijkt hij tot 5 september 2023 nog het adres van referente stond ingeschreven, heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat voor zover eiser na het verbreken van de relatie nog op hetzelfde adres is verbleven als referente, verweerder dit beschouwt als een situatie dat twee willekeurige personen op één adres staan ingeschreven zonder dat daarbij sprake is van een relatie. Eiser heeft ter zitting toegelicht dat hij ook na januari 2023 nog meebetaalde in de kosten die referente maakte. De rechtbank overweegt dat voor zover daarvan sprake zou zijn dit onvoldoende is om een relatie aan te tonen. Aanvraag EU-verblijfsvergunning langdurig ingezetenen 12. Op grond van artikel 45b, tweede en derde lid, van de Vw, wordt de aanvraag tot het verlenen van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen afgewezen indien de vreemdeling niet gedurende vijf jaren ononderbroken en direct voorafgaande aan de aanvraag rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8 van de Vw heeft gehad. 13. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op goede gronden mogen concluderen dat eiser niet voldoet aan de voorwaarde dat hij op het moment van aanvraag minimaal vijf jaar zonder onderbreking in Nederland heeft gewoond, omdat er een verblijfsgat zit tussen 1 januari 2023 (datum per wanneer zijn eerdere verblijfsvergunning is ingetrokken) en 15 augustus 2023 (de datum van de aanvraag). Hierdoor is er in de periode direct voorafgaand aan de aanvraag geen sprake van rechtmatig verblijf. Eiser had in die periode ook geen verblijfsrecht meer als verzorgende ouder van een Nederlands kind. 14. De rechtbank zal ook ingaan op de argumenten die betrekking hebben op het vereiste van vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland. Verweerder heeft daarbij 18 september 2018 als ingangsdatum mogen aanhouden, omdat op die datum bij beschikking is vastgesteld dat eiser verblijfsrecht had op grond van het arrest Chavez-Vilchez. Verweerder heeft daarbij mogen overwegen dat hij geen bevoegdheid heeft om de ingangsdatum van een EU-verblijfsrecht vast te stellen op verzoek van de vreemdeling. Eiser heeft dus alleen tussen 18 september 2018 en 1 januari 2023 rechtmatig verblijf gehad, waardoor niet aan de vijfjaarstermijn wordt voldaan. 15. Ten aanzien van eisers stellingen over de ingangsdatum van zijn rechtmatig verblijf op grond van het arrest Chavez-Vilchez overweegt de rechtbank nog als volgt. 15.1. Voor zover eiser stelt dat de ingangsdatum 24 juli 2018 is, omdat hij toen bij de gemeente is ingeschreven op het adres van zijn kind, overweegt de rechtbank dat eiser geen stukken heeft overgelegd die deze stelling ondersteunen. De rechtbank overweegt daarbij dat wanneer 24 juli 2018 als ingangsdatum zou worden aangehouden, de vijfjaarstermijn ook niet wordt behaald. 15.2. Voor zover eiser stelt dat de ingangsdatum op zijn vroegst 19 juni 2016 (de geboortedatum van het kind) is, overweegt de rechtbank als volgt. Voor zover de formele juridische vereisten worden losgelaten en de feitelijke situatie als uitgangspunt wordt genomen, moet daarbij ook de verhuizing van het kind worden betrokken. Gebleken is dat het kind sinds 28 oktober 2020 is uitgeschreven uit de BRP vanwege emigratie en het kind sindsdien zijn hoofdverblijf niet meer in Nederland heeft. Indien eiser in zijn stelling gevolgd zou worden, dan zou het rechtmatig verblijf van eiser op 28 oktober 2020 eindigen en zou er alsnog een verblijfsgat zijn tot 12 januari 2021, waardoor niet aan de vijfjaarstermijn wordt voldaan. De stelling van eiser leidt daarom niet tot een ander oordeel. Verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd 16. Uit artikel 21, eerste lid, van de Vw volgt dat voor het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 van de Vw is vereist dat de vreemdeling direct voorafgaande aan de aanvraag gedurende vijf achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf heeft genoten als bedoeld in artikel 8, onder a, c, e, l van het Vw, dan wel op grond van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen. 17. Gelet op het hiervoor genoemde niet behalen van de vijfjaarstermijn, heeft verweerder terecht besloten dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. Artikel 8 van het EVRM (privéleven) 18. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het belang van eiser bij uitoefening van zijn privéleven in Nederland minder zwaar weegt dan het belang van de Nederlandse overheid. Verweerder heeft daarbij in zijn afweging mogen betrekken dat eiser langer in Nigeria heeft gewoond dan in Nederland, eiser sociale contacten heeft in Nigeria en daar ook familie heeft. Een van zijn kinderen is immers in 2023 in Nigeria geboren. Eiser heeft geen standpunten naar voren gebracht of stukken overgelegd ter onderbouwing van zijn privéleven. Hoorplicht 19. De rechtbank is tot slot van oordeel dat verweerder de hoorplicht niet heeft geschonden. De hoogste bestuursrechter heeft overwogen dat het horen in bezwaar een essentieel onderdeel is van de bezwaarschriftenprocedure en dat de vreemdeling in beginsel wordt gehoord. Verweerder mag alleen van horen afzien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden. 19.1. Hetgeen eiser in bezwaar heeft aangevoerd en overgelegd, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende mogen vinden om eiser te horen. Verweerder heeft daarom van het horen in de bezwaarfase mogen afzien.. Conclusie en gevolgen 20. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. 21. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit. 22. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.W.H. Schippers, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open. Uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:354. Artikel 45b van de Vreemdelingenwet (Vw). Zie artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van29 juni 2023, ECLI:EU:C:2023:525, JV 2023/165, r.o. 51 en 52. Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 26 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2540. Uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918. Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...