ECLI:NL:RBDHA:2025:21974
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum
- 2025-11-18
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Asiel – Algerije – eerwraak – verdragsgrond – In het midden laten van de geloofwaardigheid – geen reëel risico op ernstige schade – mogelijk om elders te vestigen – gebrek kan niet worden gepasseerd met toepassing van art. 6:22 Awb – beroep gegrond – rechtsgevolgen in stand gelaten.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL24.43976 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres] , eiseres, [V-nummer 1] , mede ten behoeve van haar minderjarige kind: [kind] , [V-nummer 2] , (gemachtigde: mr. N. Birrou), en de minister van Asiel en Migratie , voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, (gemachtigde: mr. C.W.M van Breda). Procesverloop Bij besluit van 6 november 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres en haar minderjarige kind ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep op 29 oktober 2025 op zitting behandeld te Breda. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiseres is geboren op [geboortedag] 1986 en heeft de Algerijnse nationaliteit. Zij heeft op 27 oktober 2023 een asielaanvraag ingediend in Nederland. Aan die aanvraag heeft zij het volgende ten grondslag gelegd. In 2016 raakte eiseres buitenechtelijk zwanger. De man van wie zij zwanger raakte, [naam] , erkende het kind niet en beëindigde de relatie. De moeder van eiseres kwam achter de zwangerschap en informeerde de vader en broers van eiseres hierover. Haar familie keurde de zwangerschap af en bedreigde haar en haar kind. Eiseres maakte met haar zwangerschap de familie te schande. Ook de broers van [naam] bedreigden eiseres en waarschuwden haar [naam] hierin niet te betrekken. Eiseres verliet, toen zij drie maanden zwanger was, het ouderlijk huis en verhuisde naar Algiers. Vlak voor de bevalling keerde zij terug naar [plaats 1] , in de buurt van [plaats 2] , om daar te bevallen van haar zoon en om documenten voor hem te regelen. In [plaats 1] verbleef eiseres één jaar en acht maanden in de garage, bij een vriendin. Uiteindelijk vertrok eiseres met haar zoon naar Turkije. Ze is nog één keer voor vijf dagen teruggekeerd naar [plaats 2] om documenten voor haar zoon op te halen. In Turkije hoorde eiseres van haar vriendin dat zowel haar familie als die van [naam] nog altijd op zoek naar haar waren en haar hebben bedreigd. Ook heeft eiseres haar familie op de markt in [plaats 3] , Turkije gezien. Daaruit concludeerde eiseres dat ze haar verblijfplaats in Turkije hebben achterhaald en nog altijd op zoek zijn naar haar, om de eer van de familie te redden. Eiseres vreest bij terugkeer naar Algerije eergerelateerd geweld door haar familie en de familie van [naam] . 2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres afgewezen als ongegrond. De identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres acht verweerder geloofwaardig. De gestelde bedreigingen door de familie van eiseres en de familie van [naam] laat verweerder met toepassing van paragraaf C1/4.1 Vc in het midden, omdat dit motief volgens verweerder, ook indien geloofwaardig geacht, niet tot vergunningverlening op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw leidt. Verder acht verweerder niet aannemelijk dat eiseres bij terugkeer naar Algerije te vrezen heeft voor vervolging op één van de verdragsgronden. De stelling dat sprake is van eerwraak vanwege etniciteit of religie is niet nader geconcretiseerd of onderbouwd en sluit niet aan bij eerdere verklaringen van eiseres. Ook een reëel risico op ernstige schade is volgens verweerder niet aannemelijk. Eiseres verbleef na de gestelde problemen nog ongeveer twee jaar in Algerije zonder problemen en kan zich, mede gezien haar referentiekader, elders in het land vestigen en een bestaan opbouwen. Zij heeft geen bescherming bij de autoriteiten gezocht, terwijl uit openbare bronnen volgt dat huiselijk geweld strafbaar is en opvang en ondersteuning beschikbaar zijn. Verweerder wijst erop dat eiseres binnen Algerije is verhuisd, woonruimte heeft gehuurd, medische zorg heeft ontvangen en documenten heeft kunnen aanvragen. Volgens verweerder is eiseres niet in haar belangen geschaad doordat de geloofwaardigheid van het tweede asielmotief in het midden is gelaten, omdat dit onder vluchtelingschap en ernstige schade afdoende is beoordeeld. 3. Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartegen aan dat zij als ongetrouwde moeder wordt bedreigd wegens schending van de familie-eer, waarbij sprake is van eergerelateerd geweld door haar familie en de familie van de vader van haar kind. De dreiging is actueel en hiervoor verwijst eiseres naar de door haar overgelegde WhatsApp-berichten van 24 oktober 2025 met een bijgevoegd vliegticket van haar vader, waaruit blijkt dat haar familieleden naar Turkije zijn gereisd om haar te zoeken. Zij stelt dat verweerder een actuele en individuele beoordeling onder artikel 3 van het EVRM had moeten verrichten en beroept zich op het Adrar arrest. Verder meent eiseres dat haar relaas consistent en gedetailleerd is en dat verweerder de geloofwaardigheid ten onrechte in het midden heeft gelaten, in strijd met artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn. In dat verband verwijst zij naar de prejudiciële vragen van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond van 18 februari 2025 en verzoekt om aanhouding dan wel om buiten toepassing laten van WI 2024/6. Ten aanzien van vluchtelingschap voert zij aan dat verweerder het verband met een verdragsgrond heeft miskend en verwijst hiervoor naar haar verklaringen over haar conservatieve familie en benadrukt dat vrouwen in de context van eergerelateerd geweld als bepaalde sociale groep kunnen worden aangemerkt. Over de mogelijkheid tot bescherming in Algerije meent eiseres dat de door verweerder genoemde mogelijkheden vooral theoretisch zijn en verwijst zij naar het EASO Country Guidance: Algeria rapport van 2023. Niet is onderzocht of eiseres daadwerkelijk toegang heeft tot effectieve rechtsbescherming. Ook betwist zij de lezing van verweerder over haar verblijfsduur in Algerije en de wachttijd voor het paspoort van haar zoon. Zij was immers ondergedoken en diende zich voor te bereiden op haar vertrek. Tot slot voert zij aan dat haar kwetsbaarheid en de belangen van haar minderjarige kind niet kenbaar zijn meegewogen, mede in het licht van artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn, artikel 3 van het IVRK en artikel 8 van het EVRM. De rechtbank oordeelt als volgt. Werkinstructie 2024/6 4. De voorwaarden in artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn zijn overgenomen in artikel 31 van de Vw. Het uitgangspunt is dat de vreemdeling zijn asielrelaas aannemelijk moet maken. In voorkomende gevallen dient verweerder in samenwerking met de vreemdeling de relevante elementen van het asielrelaas vast te stellen. Daarbij wordt meegewogen dat verklaringen vaak niet volledig met documenten kunnen worden onderbouwd. Ook telt de aansluiting bij andere bronnen, zoals landeninformatie, en de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling. Als het relaas niet volledig met stukken kan worden gestaafd, kan pas worden toegekomen aan het voordeel van de twijfel zoals bedoeld in artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn. Deze uitgangspunten zijn overgenomen in de WI 2024/6. 5. Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder bij de inhoudelijke beoordeling onder artikel 29, eerste lid, onder a en b, van de Vw, is uitgegaan van de verklaringen van eiseres. Verweerder heeft de geloofwaardigheid van het tweede asielmotief in het midden gelaten en vervolgens beoordeeld of dit motief, ook indien geloofwaardig, tot vergunningverlening kan leiden. Die werkwijze is op zichzelf niet in strijd met het Unierechtelijke beoordelingskader. Hiertoe verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling van 17 augustus 2022. Anders dan eiseres stelt is haar asielrelaas niet ongeloofwaardig bevonden, maar in het midden gelaten. Niet is gebleken dat eiseres daardoor in een nadeligere positie is gekomen dan bij toepassing van de eerdere WI 2014/10. Er is dan ook geen aanleiding om de beantwoording van de prejudiciële vragen van het Hof af te wachten. Vluchtelingschap 6. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat het verband tussen eerwraak en etniciteit en religie pas in de zienswijze is aangevoerd, niet aansluit op de eerdere verklaringen van eiseres en niet concreet is onderbouwd. Anders dan verweerder stelt, heeft eiseres in het nader gehoor verklaard dat haar problemen zijn begonnen na een buitenechtelijke zwangerschap, dat zij uit een conservatieve familie komt en haar familie dit als een schande ziet en dat zij en haar kind daarom zijn bedreigd. In de zienswijze is zij daarop verder ingegaan en heeft zij expliciet benoemd dat het eergerelateerd geweld betreft. Daarbij heeft zij toegelicht dat dit samenhangt met haar etnische afkomst en dat de schande religieus is ingegeven. Verweerder heeft vervolgens niet afzonderlijk beoordeeld of het door eiseres aangevoerde een verdragsgrond raakt. Verweerder heeft de beoordeling beperkt tot de vaststelling dat geen verband met etniciteit en religie is gegeven, zonder nader te motiveren waarom het geheel van de door eiseres beschreven eergerelateerde elementen niet van betekenis is voor de toets onder artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Ook is niet kenbaar meegewogen dat de kern van dit motief reeds in het nader gehoor is uiteengezet en dat de zienswijze haar verklaringen verder expliciteert. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek. 7. De rechtbank ziet geen aanleiding om het motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Het gebrek betreft een dragend onderdeel van het bestreden besluit, namelijk de beoordeling of het door eiseres aangevoerde motief raakt aan een verdragsgrond. Verweerder heeft dit niet kenbaar beoordeeld. Onder deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat eiseres door het gebrek niet is benadeeld. De rechtbank zal daarom het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. 8. De rechtbank ziet wel aanleiding te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt. 9. Eiseres heeft ter zitting aangevoerd dat vrouwen in Algerije als bepaalde sociale groep moeten worden aangemerkt. Uit jurisprudentie van het Hof volgt dat voor het behoren tot een bepaalde sociale groep twee cumulatieve voorwaarden gelden. De eerste voorwaarde is dat de leden van de groep een identificatiekenmerk als bedoeld in artikel 10, eerste lid en onder d, van de Kwalificatierichtlijn delen. In het arrest W.S. heeft het Hof geoordeeld dat het feit dat iemand vrouw is, een aangeboren kenmerk is en daarmee een identificatiekenmerk vormt. De tweede voorwaarde is dat de groep in het land van herkomst een eigen identiteit dient te hebben, omdat zij daar als afwijkend worden beschouwd. 10. Eiseres heeft niet geconcretiseerd dat vrouwen in Algerije als een bepaalde sociale groep worden aangemerkt die als afwijkend worden beschouwd. Ook is niet nader onderbouwd dat de door haar gestelde dreiging haar vanwege dat groepskenmerk treft. Een enkele verwijzing naar het Country Guidance rapport is daarvoor onvoldoende. Zodoende kan niet worden aangenomen dat vrouwen in Algerije alleen door hun vrouw-zijn als een bepaalde sociale groep moeten worden aangemerkt in de zin van artikel 10, eerste lid en onder d, van de Kwalificatierichtlijn. Verweerder heeft daarom niet ten onrechte geoordeeld dat eiseres niet op die grond aanspraak maakt op verblijf op grond van artikel 29, eerste lid en onder a, van de Vw. Reëel risico op ernstige schade 11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade. Uit de door eiseres overgelegde stukken is niet gebleken dat de Algerijnse autoriteiten haar geen bescherming willen of kunnen bieden. Verweerder heeft met verwijzing naar openbare bronnen onderbouwd dat huiselijk geweld strafbaar is en dat er voorzieningen en opvang voor vrouwen beschikbaar zijn. Eiseres heeft geen bescherming ingeroepen van de Algerijnse autoriteiten en niet inzichtelijk gemaakt waarom dit bij voorbaat zinloos is of waarom zij daartoe geen toegang zou hebben. De stelling dat bescherming slechts theoretisch is, is niet nader geconcretiseerd of onderbouwd. Daarnaast heeft verweerder niet ten onrechte bij de beoordeling het referentiekader van eiseres betrokken. Eiseres is opgeleid, heeft gewerkt in een naaiatelier en heeft zich binnen en buiten Algerije zelfstandig staande kunnen houden. De in beroep overgelegde WhatsApp-berichten met een verwijzing naar een vliegticket van haar vader en de toelichting daarop, leiden niet tot een andere uitkomst. Het vliegticket is onleesbaar, de herkomst ervan niet te verifiëren en dit zegt op zichzelf niets over een actuele, op eiseres gerichte dreiging in Algerije. Het beroep op het Adrar arrest leidt evenmin tot een ander oordeel. Ter zitting zijn geen nieuwe landeninformatie of nieuwe persoonlijke omstandigheden naar voren gebracht die maken dat thans wel een reëel risico bestaat op ernstige schade. 12. Eiseres heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat zij zich elders in Algerije niet veilig kan vestigen. Uit haar eigen verklaringen volgt dat zij elders in Algerije heeft gewoond, een studio heeft gehuurd, medische zorg heeft ontvangen en documenten voor haar kind heeft aangevraagd en gekregen. Dat zij stelt een deel van de tijd ondergedoken te hebben geleefd en voorbereidingen voor haar vertrek te hebben getroffen, maakt dit niet anders. Gelet op haar referentiekader en eerdere mate van zelfstandigheid wordt niet ingezien dat eiseres zich bij terugkeer niet opnieuw zelfstandig kan handhaven. Verweerder heeft daaruit mogen afleiden dat niet is gebleken van een voortdurende, onontkoombare dreiging die een reëel risico op ernstige schade oplevert of die vestiging elders uitsluit. Belang van het kind 13. Voor zover eiseres zich ter zitting op het standpunt heeft gesteld dat verweerder onvoldoende de belangen van het kind heeft meegewogen bij zijn besluitvorming, heeft eiseres dit niet nader gemotiveerd of concreet gemaakt welke feiten of omstandigheden een nadere belangenafweging vragen. Vast staat dat moeder en kind samen zijn en bij terugkeer samen blijven, zodat geen scheiding van het gezin aan de orde is. Een beroep op artikel 8 van het EVRM leidt daarmee niet tot een ander oordeel. De belangen van het kind wegen zwaar, maar er zijn geen omstandigheden naar voren gebracht waaruit volgt dat terugkeer voor hem onaanvaardbare gevolgen heeft. 14. Eiseres heeft tot slot betoogd dat het terugkeerbesluit in strijd is met artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn, omdat geen rekening is gehouden met de omstandigheden van het kind in de besluitvorming. Echter niet nader geconcretiseerd is waarom de belangen van het kind, het gezinsleven of de gezondheid in dit geval tot een ander oordeel zouden moeten leiden. Nu moeder en kind samen terugkeren en er verder geen bijzondere omstandigheden zijn aangevoerd, bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder op dit punt onzorgvuldig heeft gehandeld of onvoldoende gemotiveerd. Conclusie 15. Gezien het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom het door eiseres aangevoerde asielmotief niet aan een verdragsgrond raakt. Het bestreden besluit zal daarom worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb. In wat de rechtbank in rechtsoverwegingen 9 tot en met 14 heeft overwogen, ziet de rechtbank evenwel aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten en geeft daarbij toepassing aan artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb. 16. In de gegrondverklaring van het beroep tegen het bestreden besluit ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn vastgesteld op € 1814 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.814 (duizend achthonderdveertien euro). Deze uitspraak is gedaan op 18 november 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl . De uitspraak is bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Vreemdelingencirculaire 2000. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) in de zaak Adrar, GB tegen de Minister van Asiel en Migratie van 4 september 2025, C-313/25 PPU, ECLI:EU:C:2025:647. Richtlijn 2011/95/EU. ECLI:NL:RBDHA:2025:2170. Richtlijn 2008/115/EG. Verdrag inzake de rechten van het kind. Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. ECLI:NL:RVS:2022:2333. Arrest van het Hof van 16 januari 2024, ECLI:EU:C:2024:47.
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...