Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2025:21751

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2025-11-18
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
NL24.41788
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
10.226 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Regulier, medische gronden, uitstel van vertrek, procesbelang, niet aanleveren benodigde gegevens, beroep ongegrond.

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL24.41788 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 november 2025 in de zaak tussen [eiser], v-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. M.A.M. Karsten), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. R.S. Helmus). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de buitenbehandelingstelling van de aanvraag om een reguliere verblijfsvergunning van eiser en om zijn aanvraag om uitstel van vertrek wegens medische omstandigheden. Eiser is het niet eens met de buitenbehandelingstelling van zijn aanvragen. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de buitenbehandelingstelling van de aanvragen. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de aanvragen niet compleet waren en dat de minister eisers aanvragen daarom buiten behandeling mocht stellen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft op 15 november 2023 een aanvraag ingediend voor het verlenen van een reguliere verblijfsvergunning op medische gronden. Eiser heeft op 9 februari 2024 een aanvraag ingediend om uitstel van vertrek op medische gronden op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). De minister heeft deze aanvragen met het besluit van 11 april 2024 buiten behandeling gesteld omdat de aanvragen volgens de minister niet compleet waren. De minister heeft het tegen dat besluit gerichte bezwaar van eiser bij het bestreden besluit van 22 oktober 2024 kennelijk ongegrond verklaard. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.2. Bij besluit van 4 februari 2025 heeft de minister een later ingediende aanvraag van eiser om uitstel van vertrek op medische gronden op grond van artikel 64 van de Vw 2000 toegekend. Het beroep richt zich niet tegen dat besluit. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 19 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Heeft eiser procesbelang? 3. De minister heeft de rechtbank gevraagd om te beoordelen of sprake is van procesbelang. De minister wijst erop dat eiser bij besluit van 4 februari 2025 reeds uitstel van vertrek heeft gekregen op grond van artikel 64 van de Vw 2000 en stelt zich op het standpunt dat eiser daarom geen belang meer heeft bij de beoordeling van zijn beroep tegen het bestreden besluit. 3.1. De rechtbank is van oordeel dat eiser procesbelang heeft, omdat hij met zijn beroep in een gunstiger positie kan komen. Het besluit van 22 oktober 2024 ziet in de eerste plaats op de aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op medische gronden. Inwilliging van deze aanvraag zou eiser een sterker verblijfsrecht geven dan het aan hem verleende uitstel van vertrek: de toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 leidt er, anders dan bij verlening van een verblijfsvergunning, niet toe dat geen illegaal verblijf meer bestaat in de zin van artikel 3, aanhef en onder 2, van de Terugkeerrichtlijn. Het verplicht de minister slechts om de uitzetting achterwege te laten. Eiser heeft ook belang bij de beoordeling van het besluit van 22 oktober 2024, voor zover dat ziet op artikel 64 van de Vw 2000. Dit belang is gelegen in de toepassing van artikel 3.46, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). Als een vreemdeling gedurende ten minste een jaar uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw 2000 heeft gehad, worden immers een aantal vereisten voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met het ondergaan van medische behandeling niet meer tegengeworpen. Dat betekent ook dat als eisers verzoek om uitstel van vertrek op medische gronden zou worden toegewezen, hij mogelijk eerder in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van medische behandeling. Heeft eiser de benodigde informatie aangeleverd? 4. Eiser betoogt dat hij voldoende informatie heeft aangeleverd en dat het Bureau Medische Advisering (BMA) advies had kunnen uitbrengen. Eiser wijst erop dat hij nog steeds lijdt aan dezelfde medische problematiek als in het verleden en dat hij op meerdere plekken behandeling ondergaat. Volgens eiser heeft de minister door de aanvragen van eiser buiten behandeling te stellen te weinig rekening gehouden met de persoonlijke situatie van eiser. Hij heeft een weinig stabiel leven en is meermaals verhuisd en van behandelaar gewisseld waardoor meerdere behandelingen gelijktijdig zijn stopgezet. De minister hanteert gezien deze omstandigheden volgens eiser een te zware bewijslast en het bestreden besluit getuigt volgens eiser niet van een deugdelijke belangenafweging. Voorts had de minister gelet op al deze omstandigheden toepassing moeten geven aan artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Tot slot betoogt eiser dat hij ten onrechte niet is gehoord in de bezwaarfase. 5. De minister heeft gevraagd om een actueel medicatieoverzicht en dde formulieren ‘Bijlage Bewijs omtrent medische situatie vreemdeling’ en ‘Bijlage Toestemmingsverklaring medische gegevens’ van maximaal 6 maanden oud van de behandelaars van eiser, zoals de huisarts, psychiater, internist en CTP Veldzicht. Verder heeft de minister verzocht om de relevante medische gegevens van een behandelaar van eiser in reactie op de vragen van het BMA. Deze gegevens mogen niet ouder zijn dan drie maanden. 5.1. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet alle door het BMA benodigde informatie heeft overgelegd en dat de aanvragen daarom buiten behandeling had mogen worden gesteld. De minister verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt terecht naar de BMA-nota van 14 februari 2024 waarin het BMA expliciet aangeeft dat het, alvorens het medisch advies kan geven, van alle behandelaars een toestemmingsverklaring en medische informatie nodig heeft. Bovendien staat in de herstelverzuimbrieven van de minister expliciet welke stukken van elke behandelaar afzonderlijk moeten worden overgelegd. Dat eiser deze stukken moet overleggen en aan welke voorwaarden waaraan deze stukken moeten voldoen volgt ook uit de paragraaf A3/7.2.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000. Eiser is voldoende in de gelegenheid gesteld om de medische stukken compleet te maken. Hij heeft immers meermaals uitstel aangevraagd en dat ook gekregen. Op de zitting heeft de minister nader toegelicht dat de medische beoordeling van de stukken die in het kader van aanvragen als deze zijn overgelegd, is voorbehouden aan het BMA en dat de minister in deze een ‘filterfunctie’ heeft. Dit houdt in dat hij ‘slechts’ controleert of de benodigde en gevraagde stukken zijn overgelegd, maar geen inhoudelijke beoordeling van die gegevens maakt. Deze beoordeling is voorbehouden aan het BMA. Alleen een aanvraag die compleet is ingediend, legt de minister daarom voor aan het BMA. Deze werkwijze komt de rechtbank niet onredelijk voor. Gezien de ‘filterfunctie’ van de minister in deze zaak en de omstandigheid dat het BMA uiteindelijk onderzoek uitvoert en tot een medisch inhoudelijk advies komt, is voor een belangenafweging of afwijking van het beleid op grond van artikel 4:84 van de Awb in dit geval geen plaats. De minister kan niet in plaats van het BMA afwegen welke informatie het BMA wel of niet nodig heeft voor een gedegen advies. 5.2. De rechtbank is verder van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake was van een te zware bewijslast. Hoewel de minister meermaals uitstel heeft verleend aan eiser, heeft hij niet alle benodigde stukken aangeleverd. Gezien de aard en de noodzaak van de aan te leveren gegevens acht de rechtbank het niet onredelijk bezwarend dat eiser deze gegevens heeft moeten overleggen. Bij zijn oordeel betrekt de rechtbank ook de omstandigheid, zoals de minister ook heeft gesteld, dat eiser kennelijk uiteindelijk wel in staat is geweest om de benodigde gegevens voor de door hem ingediende nieuwe aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw 2000 aan te leveren. Het betoog van eiser slaagt derhalve niet. 5.3. Gezien het oordeel van de rechtbank heeft de minister het bezwaar van eiser terecht kennelijk ongegrond verklaard. De minister heeft daarom mogen afzien van het horen. Conclusie en gevolgen 6. Het beroep tegen het bestreden besluit van 22 oktober 2024 is ongegrond. Dat betekent dat de buitenbehandelingstelling van de aanvragen van eiser in stand blijft. Eiser is vrijgesteld van het betalen van griffierecht. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van mr.R.C. Lubbers, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. ABRvS, 21 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5035, rechtsoverweging 3.2. ABRvS 22 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1712 en ABRvS 7 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2195. Dit volgt uit artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht.

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...