Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2025:19380

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2025-07-25
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
AWB 24 / 6067
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
33.311 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Omzetting vbv medische gronden naar vbv humanitair niet-tijdelijk. Eiseres kampt met ernstige psychische/psychiatrische klachten en ontvangt intensieve (bemoei)zorg. De rechtbank volgt verweerder niet in het standpunt dat de verlening van de vbv medische gronden op een ambtelijke misslag berustte. Het beroep van eiseres op het vertrouwensbeginsel slaagt evenwel niet. Het bestreden besluit bevat een zorgvuldigheidsgebrek. De minister heeft niet (alsnog) aan het Cannabis-arrest getoetst. Hij moet dit alsnog doen en daarbij ook een nieuw BMA-advies vragen, gelet op het tijdverloop sinds het laatste (volledige) BMA-advies. In het nieuw te nemen besluit moet de minister ook nog steeds rekening houden met het arrest [naam 1] en moet hij ingaan op wat eiseres heeft aangevoerd over haar feitelijke toegankelijkheid tot zorg in Nigeria. De minister moet zich er daarbij nadrukkelijk van vergewissen dat de noodzakelijk geachte medicatie beschikbaar is en de bestaande twijfels hierover wegnemen. De minister zal ook opnieuw moeten toetsen aan artikel 8 EVRM. Ook hierbij moet de minister rekening houden met het Cannabis-arrest en daarnaast ook het arrest [naam 2]. De minister moet bij deze toets betrekken wat eiseres op zitting heeft verklaard over haar dagbesteding.

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummer: AWB 24/6067 V-nummer: [V-nummer] uitspraak van de meervoudige kamer van 25 juli 2025 in de zaak tussen [eiseres], eiseres (gemachtigde: mr. T.F.W. Kouwenhoven), en de minister van Asiel en Migratie , de minister (gemachtigde: mr. C. Wesenbeek). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘humanitaire gronden niet-tijdelijk’. Eiseres is het niet eens met de afwijzing. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiseres geen geslaagd beroep kan doen op het vertrouwensbeginsel. Wel komt de rechtbank tot het oordeel dat de afwijzing van de aanvraag van eiseres onzorgvuldig is, dat de afwijzing vernietigd moet worden en dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag van eiseres moet nemen . Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt. 1.2. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staat de achtergrond van deze zaak. Onder 4 staan de redenen voor de afwijzing. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5 tot en met 7. Aan het eind onder 8 tot en met 10 staat de beslissing van de rechtbank en wat de gevolgen daarvan zijn. Procesverloop 2. Eiseres heeft op 24 december 2019 een aanvraag ingediend om haar verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘medische behandeling’ te wijzigen naar een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘humanitaire gronden niet-tijdelijk’. 2.1. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 5 augustus 2020 afgewezen. Met het bestreden besluit van 1 april 2021 heeft de minister het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en is hij bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 2.2. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.3. Bij uitspraak van 26 april 2022 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep van eiseres gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. 2.4. Bij uitspraak van 22 februari 2024 heeft de Afdeling de uitspraak van 26 april 2022 vernietigd en de zaak terugverwezen naar deze rechtbank en zittingsplaats. 2.5. Het beroep van eiseres is op 3 juli 2024 door de enkelvoudige kamer op zitting behandeld. De enkelvoudige kamer heeft het onderzoek na de zitting heropend en de zaak naar de meervoudige kamer verwezen. 2.6. Eiseres heeft op 9, 29 en 30 januari 2025 aanvullende gronden ingediend. De minister heeft op 24 en 29 januari 2025 aanvullende verweerschriften ingediend. 2.7. De behandeling op zitting door de meervoudige kamer stond gepland op 3 februari 2025. Deze zitting is uitgesteld omdat de gemachtigde van de minister ziek was. 2.8. Op 5 februari 2025 heeft de rechtbank schriftelijk aanvullende vragen gesteld aan de minister. Ook heeft de rechtbank de minister verzocht een nieuw advies bij het BMA te vragen over de situatie van eiseres. De minister heeft op 2 april 2025 de vragen van de rechtbank beantwoord en een aanvullende nota van het BMA overgelegd van 19 maart 2025. 2.9. Eiseres heeft op 25 april 2025 gereageerd op de antwoorden van de minister en de aanvullende BMA-nota. Op 1 mei 2025 heeft eiseres aanvullende gronden ingediend. 2.10. De rechtbank heeft het beroep op 7 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Achtergrond 3. De rechtbank gaat uit van de volgende omstandigheden. 3.1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1974 en heeft de Nigeriaanse nationaliteit. De familie van eiseres heeft haar verkocht aan een man die haar in de periode van 2002 tot 2006 of 2007 dwong om in Duitsland in de prostitutie te werken. 3.2. Sinds 2006 of 2007 verblijft eiseres in Nederland. Zij is gediagnosticeerd met chronische en complexe PTSS en een ernstige depressieve stoornis. Ook is bij haar borderline en vermijdende-persoonlijkheidsproblematiek vastgesteld. Eiseres wordt voor haar klachten in Nederland behandeld. Deze behandeling bestaat uit schemagerichte dagbehandeling, individuele psychotherapeutische therapie en medicatie. Sinds juli 2024 krijgt eiseres ook FACT -zorg, een vorm van bemoeizorg voor psychisch zeer kwetsbare mensen. Eiseres woont in een woning van het Leger des Heils en heeft 24-uurs woonbegeleiding. 3.3. Met ingang van 22 mei 2014 heeft de minister aan eiseres een verblijfsvergunning regulier op grond van de regeling voor slachtoffers en getuige-aangevers van mensenhandel verstrekt. Op 2 juli 2015 heeft de minister deze verblijfsvergunning met terugwerkende kracht ingetrokken vanaf 18 november 2014. Het door eiseres gemaakte bezwaar hiertegen is op 20 juni 2016 ongegrond verklaard. 3.4. Van 13 januari 2017 tot 25 januari 2018 is aan eiseres uitstel van vertrek verleend op medische gronden. 3.5. Bij besluit van 4 juni 2018 is op aanvraag van eiseres aan haar een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘medische behandeling’ verleend met ingang van 25 januari 2018 tot 25 januari 2019. Deze verblijfsvergunning is daarna verlengd tot 25 januari 2020. 3.6. Op 24 december 2019 heeft eiseres onderhavige aanvraag ingediend om de beperking van haar verblijfsvergunning te wijzigen naar 'humanitair niet-tijdelijk'. De minister heeft daarop het BMA gevraagd advies uit te brengen. Het BMA heeft op 20 mei 2020 advies uitgebracht. Op 7 juli 2020 en 2 november 2020 heeft het BMA aanvullende nota’s op dit advies uitgebracht. Op basis van het BMA-advies en de aanvullende nota’s daarop heeft de minister de aanvraag van eiseres afgewezen en het bezwaar van eiseres tegen deze afwijzing ongegrond verklaard. 3.7. Het BMA heeft na het bestreden besluit nog aanvullende nota’s uitgebracht op 13 december 2021, 28 januari 2025 en 19 maart 2025. Het bestreden besluit 4. In het bestreden besluit heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘humanitair niet-tijdelijk’, omdat zij niet langer aan alle voorwaarden voor verlenging van haar oorspronkelijke verblijfsvergunning onder de beperking ‘medische behandeling’ voldoet. De voor eiseres noodzakelijke medische behandeling is volgens de minister beschikbaar in Nigeria. Uit het BMA-advies van 20 mei 2020 en de aanvullingen daarop volgt namelijk dat in Nigeria psychologische en psychiatrische behandelingen beschikbaar zijn, zowel ambulant als klinisch. Ook is de voor eiseres noodzakelijke medicatie beschikbaar in Nigeria. De behandeling die beschikbaar is in Nigeria is weliswaar van mindere kwaliteit dan de behandeling die eiseres in Nederland krijgt, maar wel voldoende om een medische noodsituatie op korte termijn te voorkomen. Eiseres heeft daarnaast niet aannemelijk gemaakt dat deze behandeling voor haar feitelijk niet toegankelijk is. 4.1. De minister heeft zich verder in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de verlening van de verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘medische behandeling’ van 4 juni 2018 een ambtelijke misslag betrof. De “bijzondere omstandigheden”, die in dat besluit als reden voor de verlening zijn genoemd, waren gelegen in het feit dat het voor eiseres noodzakelijke medicijn [medicijn] niet geregistreerd was in Nigeria. Uit het BMA-advies van 15 maart 2018 – dat in het kader van het besluit van 4 juni 2018 is uitgebracht – volgde echter dat het medicijn wel beschikbaar was via parallelle import. In het BMA-protocol van 2016 was al vastgelegd dat niet-geregistreerde medicatie door middel van parallelle import toch beschikbaar kan zijn in een land. Dat [medicijn] ten tijde van het besluit van 4 juni 2018 niet via de reguliere weg beschikbaar was in Nigeria, had daarom niet als bijzondere omstandigheid moeten worden aangemerkt om de vergunning te verlenen. De verlening van de verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘medische behandeling’ berustte daarom op een ambtelijke misslag. De minister hoeft deze misslag niet te herhalen in deze procedure over de verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘humanitair niet-tijdelijk’. 4.2. Tot slot heeft de minister zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit geen schending oplevert van het recht van eiseres op privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM . Kan eiseres een geslaagd beroep doen op het vertrouwensbeginsel? 5. Eiseres voert ten eerste aan dat het besluit van 4 juni 2018 niet op een ambtelijke misslag kan berusten. Het besluit van 4 juni 2018 werd genomen onder expliciete verwijzing naar de informatie van het BMA die er toen lag over eiseres. Gelet hierop – en gelet op de vermelding van de “bijzondere omstandigheden” waarin eiseres verkeerde – moet aangenomen worden dat de minister bij vol verstand heeft gekozen voor het verlenen van rechtmatig verblijf. Eiseres verkeert nu nog steeds in bijzondere omstandigheden. Haar gezondheid is er namelijk alleen maar op achteruit gegaan en de behandeling is geïntensiveerd, door middel van uitbreiding met FACT-behandeling. De minister moet haar daarom ook nu de gevraagde verblijfsvergunning verlenen. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiseres bevestigd dat eiseres hiermee een beroep doet op het vertrouwensbeginsel. 5.1. De rechtbank overweegt als volgt. In het besluit van 4 juni 2018 wordt niet uitgelegd wat er bedoeld wordt met de “bijzondere omstandigheden” waarin eiseres verkeert. De minister neemt pas in een brief van 14 juli 2020 – ruim twee jaar later – voor het eerst het standpunt in dat hiermee gedoeld werd op de omstandigheid dat [medicijn] niet geregistreerd was in Nigeria, maar wel via parallelle import beschikbaar was. De minister heeft geen verdere onderbouwing gegeven voor het standpunt dat met “bijzondere omstandigheden” gedoeld werd op de beschikbaarheid van [medicijn]. De rechtbank volgt de minister daarom niet in het standpunt dat het besluit van 4 juni 2018 berust op een ambtelijke misslag. 5.2. Hoe dit ook zij, de rechtbank overweegt dat het beroep van eiseres op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. De reden hiertoe is als volgt. 5.3. Op de zitting heeft de gemachtigde van de minister toegelicht dat het beleid van de minister ten tijde van het besluit van 4 juni 2018 al inhield dat in een land niet-geregistreerde medicijnen via parallelle import toch beschikbaar konden zijn. Dit beleid is tot stand gekomen naar aanleiding van het arrest [naam] van het EHRM en stond ook al in het BMA-protocol van 2016. De nationale rechtspraak had zich ten tijde van het besluit van 4 juni 2018 echter nog niet sluitend uitgelaten over de vraag of dit beleid van de minister inderdaad verenigbaar is met de lijn die in het arrest [naam] is uitgezet. Gelet op de onduidelijkheid die hierover bestond, heeft de minister er toen voor gekozen om toch de gevraagde verblijfvergunning regulier onder de beperking ‘medische behandeling’ te verlenen, ook al was [medicijn] destijds wel via parallelle import beschikbaar. Daarna, in haar uitspraak van 15 augustus 2018 , heeft de Afdeling bevestigd dat de minister ervan uit mag gaan dat een niet-geregistreerd medicijn beschikbaar is in een land als uit het BMA-advies volgt dat het medicijn via parallelle import verkrijgbaar is. Toen eiseres vervolgens haar huidige aanvraag indiende voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘humanitair niet-tijdelijk’, heeft de minister het beleid onverkort toegepast en de aanvraag afgewezen. Dat de verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘medische behandeling’ daarvóór, in 2019, eenmalig met een jaar was verlengd, stond los van de kwestie rondom parallelle import. Dit had te maken een psychodiagnostisch onderzoek dat was opgestart dat naar het oordeel van het BMA afgewacht moest worden. 5.4. Naar het oordeel van de rechtbank strookt deze op zitting gegeven uitleg niet met het tot nu toe ingenomen standpunt van de minister dat het besluit van 4 juni 2018 berustte op een ambtelijke misslag. De rechtbank kan deze uitleg echter wel volgen. Naar het oordeel van de rechtbank kan deze wijze van handelen door de minister de toets van het recht ook doorstaan. Elke aanvraag wordt namelijk beoordeeld naar de omstandigheden en de stand van het recht zoals die zijn op het moment van de aanvraag. Dat de minister er eerder voor heeft gekozen om het beleid nog niet onverkort toe te passen in afwachting van een oordeel van de Afdeling daarover, maakt niet dat eiseres erop had mogen vertrouwen dat de minister dit beleid bij haar opvolgende aanvraag voor een verblijfsvergunning met een andere beperking ook achterwege zou laten. 5.5. De rechtbank is zich ervan bewust dat deze gang van zaken niet kenbaar was voor eiseres. Dit doet er echter niet aan af dat elke aanvraag op zichzelf wordt beoordeeld. De rechtbank acht daarbij van belang dat de minister ook geen toezeggingen aan eiseres heeft gedaan. Eiseres had er daarom niet op mogen vertrouwen dat haar aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘humanitair niet-tijdelijk’ bij gelijkblijvende (of verslechterde) medische omstandigheden zou worden ingewilligd, enkel omdat in het verleden een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘medische behandeling’ is verleend en verlengd. 5.6. De beroepsgrond slaagt niet. Heeft de minister het juiste toetsingskader toegepast? 6. Eiseres voert verder aan dat het bestreden besluit ten onrechte voorbijgaat aan het Cannabis-arrest van 22 november 2022 van het Hof van Justitie . Het Hof van Justitie oordeelt in dat arrest dat een besluit tot weigering van een (voortgezet) verblijfsrecht aan een ernstig zieke vreemdeling met zich brengt dat aan die vreemdeling een terugkeerbesluit wordt opgelegd. Dat betekent dat het Unierecht van toepassing is op een dergelijk besluit, waaronder artikel 4 van het Handvest . Artikel 4 van het Handvest omvat het verbod op foltering en een onmenselijke of vernederende behandeling en reikt verder dan het gelijkluidende artikel 3 van het EVRM. Artikel 4 van het Handvest ziet namelijk ook op het feitelijk lijden dat zal ontstaan door een verschil in behandelingsmogelijkheden tussen het gastland en het land van herkomst. De minister is in het bestreden besluit niet inhoudelijk ingegaan op het verschil in behandelmogelijkheden tussen Nederland en Nigeria en de gevolgen hiervan voor eiseres. Het bestreden besluit is daarmee niet gebaseerd op het juiste toetsingskader en is in strijd met Europees recht, aldus eiseres. 6.1. De rechtbank overweegt als volgt. In het Cannabis-arrest overweegt het Hof van Justitie (onderstreping door de rechtbank): “ 66. Uit de punten 52 tot en met 65 van het onderhavige arrest volgt dat artikel 5 van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met de artikelen 1 en 4 en artikel 19, lid 2, van het Handvest, zich ertegen verzet dat een lidstaat een terugkeerbesluit vaststelt jegens een illegaal op het grondgebied van die lidstaat verblijvende derdelander die aan een ernstige ziekte lijdt, of hem verwijdert, wanneer er zwaarwegende en gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de terugkeer van deze derdelander hem zou blootstellen aan een reëel risico van een significante daling van zijn levensverwachting of een snelle, aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van zijn gezondheidstoestand , leidend tot ernstige pijn, omdat er in het land van bestemming geen passende zorg beschikbaar is. (…). 73. Bovendien staan zowel de noodzaak om, bij de beoordeling van de in dit verband uit hoofde van artikel 4 van het Handvest vereiste minimale ernst, rekening te houden met alle relevante factoren , als de mate van onzekerheid die inherent is aan een dergelijk prospectief onderzoek, eraan in de weg dat de toename van de pijn van een derdelander in geval van terugkeer alleen kan worden geacht snel in te treden indien deze plaatsvindt binnen een vooraf in het recht van de betrokken lidstaat vastgestelde absolute termijn. (…). 75. Indien de lidstaten een termijn vaststellen, moet deze louter indicatief zijn en ontslaat hij de bevoegde nationale autoriteit niet van de plicht om de situatie van de betrokken derdelander concreet te onderzoeken in het licht van alle relevante factoren, met name de factoren die in het vorige punt zijn genoemd, rekening houdend met de aandoening waaraan die derdelander lijdt .” 6.2. De rechtbank overweegt dat de minister in het bestreden besluit niet de lijn heeft gevolgd van het Cannabis-arrest. Het bestreden besluit dateert immers ook van voor het Cannabis-arrest. De minister heeft zich slechts onder verwijzing naar het BMA-advies van 20 mei 2020 op het standpunt gesteld dat de psychisch-medische zorg in Nigeria weliswaar niet zo goed is als in Nederland, maar dat er desondanks voldoende behandelmogelijkheden zijn om een medische noodsituatie – in de zin van artikel 3 van het EVRM en het arrest [naam] – op een korte termijn van drie maanden te voorkomen. Als de minister na het Cannabis-arrest aan de afwijzing vast wilde houden, had de minister de afwijzing aanvullend moeten motiveren door in te gaan op de vraag of eiseres door een gebrek aan passende zorg in Nigeria een reëel risico loopt op een significante daling van haar levensverwachting of onomkeerbare verslechtering van haar gezondheidstoestand. Ook had de minister een indicatieve termijn moeten hanteren, in plaats van een strikte termijn van drie maanden. Volgens het Cannabis-arrest moet namelijk ook rekening worden gehouden met het feit dat de toename van de klachten als gevolg van een terugkeer naar een land waar geen passende behandeling beschikbaar is, geleidelijk kan zijn en dat die toename mogelijk pas na een bepaalde tijd aanzienlijk en onherstelbaar wordt. Het bestreden besluit is daarom onzorgvuldig voorbereid en dus gebrekkig. 6.3. De rechtbank is zich ervan bewust dat de Afdeling in deze zaak al heeft geoordeeld dat deze rechtbank en zittingsplaats in haar uitspraak van 26 april 2022 ten onrechte heeft geoordeeld dat het BMA-advies van 20 mei 2020 en daarmee het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand zijn gekomen. De rechtbank overweegt echter dat de Afdeling in haar uitspraak het toetsingskader van het Cannabis-arrest niet kenbaar heeft betrokken bij haar oordeel. De rechtbank acht zich daarom niet gehouden aan deze uitspraak van de Afdeling. Voor zover de minister zich onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling op het standpunt stelt dat het bestreden besluit wel zorgvuldig tot stand is gekomen, volgt de rechtbank dit dus niet. 6.4. Voor zover de minister zich op het standpunt stelt dat het zorgvuldigheidsgebrek in het bestreden besluit is hersteld door middel van de na het bestreden besluit uitgebrachte aanvullende nota’s van 13 december 2021, 28 januari 2025 en 19 maart 2025, overweegt de rechtbank als volgt. Deze nota’s zijn aanvullende nota’s, geen volledige medische adviezen waarin de actuele situatie van eiseres is onderzocht. De aanvullende nota’s dateren van respectievelijk acht maanden, drie jaar en acht maanden en drie jaar en tien maanden na het bestreden besluit, zonder dat daarin dus de actuele medische toestand van eiseres in kaart is gebracht. In de nota’s van 28 januari 2025 en 19 maart 2025 vermeldt het BMA ook expliciet dat geadviseerd wordt geen beslissing te nemen op basis van een advies van meer dan zes maanden geleden, aangezien de medische situatie van de betrokken vreemdeling in die tijd kan zijn veranderd. Daarnaast heeft de minister ook met deze nota’s geen rekening gehouden met het toetsingskader van het Cannabis-arrest. 6.5. Dat de minister geen onderzoek heeft gedaan naar onder 6.2 genoemde elementen, klemt temeer gelet op de aard van de aandoening(en) van eiseres. Uit de brieven van haar behandelaren, die hebben geleid tot de aanvullingen op het BMA-advies van 20 mei 2020, komt naar voren dat eiseres psychisch zeer kwetsbaar en zorgmijdend is. Vanwege deze kwetsbaarheid en zorgmijding is daarom bemoeizorg in de vorm van FACT-behandeling opgestart. De rechtbank vraagt zich dan ook af of de enkele aanwezigheid van psychische en psychiatrische behandeling en medicatie in Nigeria als ‘passend’ gezien kan worden voor de aandoeningen van eiseres, terwijl zij juist vanwege deze aandoeningen zorgmijdend is en de verantwoordelijkheid over het organiseren van passende zorg daardoor niet alleen bij eiseres gelegd kan worden. 6.6. Nu het bestreden besluit een zorgvuldigheidsgebrek bevat en de minister dit gebrek niet heeft hersteld, zal de rechtbank het bestreden besluit vernietigen. De minister zal daarom een nieuw besluit moeten nemen op de aanvraag van eiseres. Daarbij zal de minister rekening moeten houden met de lijn die het Hof van Justitie in het Cannabis-arrest heeft bepaald. De rechtbank is van oordeel dat de minister voor dit nieuw te nemen besluit een nieuw en volledig BMA-advies zal moeten laten uitbrengen. In het nieuwe besluit en het nieuwe BMA-advies zal antwoord moeten worden gegeven op de volgende vragen: Wat is de actuele gezondheidstoestand van eiseres? Wat zijn de actuele medische behoeften van eiseres? Wat zijn de actuele risico’s op een medische noodsituatie? Is de voor eiseres noodzakelijke en passend te achten behandeling beschikbaar in Nigeria? Daarbij moet expliciet worden ingegaan op de volgende elementen: Is de voor eiseres noodzakelijk en passend te achten medicatie beschikbaar in Nigeria? Is de voor eiseres noodzakelijk en passend te achten behandeling en FACT-behandeling beschikbaar in Nigeria? Is begeleid wonen beschikbaar in Nigeria? De rechtbank overweegt dat in het kader van de vraag naar ‘passende zorg’ ook rekening moet worden gehouden met de zorgmijdende aard van de aandoeningen van eiseres en haar mogelijkheden om de noodzakelijke en passend te achten behandeling daadwerkelijk te kunnen ondergaan. 6.7. De rechtbank benadrukt daarnaast dat de minister, los van het kader in het Cannabis-arrest, ook nog steeds rekening zal moeten houden met het kader van het arrest [naam]. Bij het nieuw te nemen besluit zal de minister ook moeten ingaan op de feitelijke toegankelijkheid voor eiseres tot de noodzakelijke en passend te achten behandeling. Op de zitting heeft eiseres toegelicht dat zij van een bijstandsuitkering leeft. Uit wat zij op zitting heeft verklaard en ook uit het dossier blijkt dat zij zeer kwetsbaar en zeer beperkt belastbaar is. Verder heeft eiseres toegelicht dat zij alleen nog contact heeft met haar moeder van 76 jaar, die kampt met leverkwalen. Eiseres weet niet precies hoe het met haar moeder gaat. Zij durft al een tijd geen contact met haar moeder op te nemen, omdat zij bang is om slechts nieuws te krijgen over haar moeder. Op de zitting werd eiseres terwijl zij dit vertelde zo emotioneel dat zij niet meer uit haar woorden kwam. De moeder van eiseres is daarnaast niet op de hoogte van de medische toestand van eiseres. Met haar vader heeft eiseres al lang geen contact meer, omdat hij degene is geweest die haar destijds heeft verkocht. Met deze toelichting heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat eiseres niet of nauwelijks kan werken, dat zij niet op haar familie in Nigeria kan terugvallen voor financiële of emotionele hulp en dat haar familie sterke negatieve gevoelens bij haar oproept. De minister zal hierop in moeten gaan in het nieuw te nemen besluit. 6.8. Eiseres heeft nog verzocht om prejudiciële vragen te stellen over het arrest [naam], voor zover de rechtbank tot het oordeel komt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de voor haar noodzakelijke zorg in Nigeria feitelijk niet toegankelijk voor haar is. De rechtbank merkt op dat er op dit moment op dit vlak geen vragen leven over het Unierecht die beantwoording van het Hof van Justitie behoeven. Het is nu aan de minister om met inachtneming van hetgeen de rechtbank onder 6.7 heeft vastgesteld, een nieuwe beoordeling te maken. 6.9. De rechtbank kan niet vooruitlopen op het nieuw uit te brengen BMA-advies, maar geeft in dat verband wel alvast het volgende mee aan de minister. De rechtbank is namelijk van oordeel dat inmiddels gerede twijfel bestaat over de feitelijke beschikbaarheid in Nigeria van het medicijn [medicijn]. In tegenstelling tot de eerdere BMA-nota’s volgt uit de laatste BMA-nota van 19 maart 2025 dat dit medicijn ineens toch geregistreerd is, terwijl eiseres met meerdere – en ook actuele – zoekslagen in Nigeria’s Registered Product Database heeft onderbouwd dat dit niet het geval is. In het nieuw te nemen besluit dient de minister zich daarom nadrukkelijk te vergewissen van de beschikbaarheid van de noodzakelijk geachte medicatie en de bestaande twijfels weg te nemen. 6.10. De beroepsgrond dat de minister een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd slaagt dan ook. In het kader van finale geschilbeslechting gaat de rechtbank hierna in op de andere beroepsgrond van eiseres. Heeft de minister juist getoetst aan artikel 8 van het EVRM? 7. Eiseres voert tot slot aan dat het bestreden besluit in strijd is met het recht op privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. De minister heeft de belangenafweging ten onrechte in het nadeel van eiseres laten uitvallen. Bovendien heeft de minister ten onrechte haar gezondheidssituatie niet betrokken bij de toets aan artikel 8 van het EVRM, terwijl dat volgens het Cannabis-arrest wel moet. 7.1. De rechtbank overweegt als volgt. In het Cannabis-arrest overweegt het Hof van Justitie in dit kader (onderstreping door de rechtbank): “ 93. In dit verband moet worden opgemerkt dat de medische behandeling die een derdelander op het grondgebied van een lidstaat geniet, zelfs indien hij daar illegaal verblijft, deel uitmaakt van diens privéleven in de zin van artikel 7 van het Handvest. (…) 103. Uit alle voorgaande overwegingen volgt dat richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikel 7, alsmede de artikelen 1 en 4, van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat: (…) de gezondheidstoestand van deze derdelander en de zorg die hij wegens die ziekte op dat grondgebied ontvangt, door de bevoegde nationale autoriteit samen met alle andere relevante gegevens in aanmerking moeten worden genomen bij de beoordeling of het recht van de betrokkene op eerbiediging van zijn privéleven eraan in de weg staat dat jegens hem een terugkeerbesluit of verwijderingsmaatregel wordt uitgevaardigd .” 7.2. Nu de minister ook bij de toets aan artikel 8 van het EVRM in het bestreden besluit niet de lijn van het Cannabis-arrest heeft toegepast, zal de minister deze toets in het nieuw te nemen besluit opnieuw moeten uitvoeren. Daarbij zal de minister de medische situatie van eiseres moeten betrekken. De rechtbank wijst in dit kader ook op het arrest Savran van het EHRM (onderstreping door de rechtbank rechtbank): “ 172. From the outset, and notwithstanding the conclusion above under Article 3 of the Convention, it should be recalled that in Bensaid (cited above) the Court held as follows: ‘46. Not every act or measure which adversely affects moral or physical integrity will interfere with the right to respect to private life guaranteed by Article 8. However, the Court’s case-law does not exclude that treatment which does not reach the severity of Article 3 treatment may nonetheless breach Article 8 in its private-life aspect where there are sufficiently adverse effects on physical and moral integrity (…). 47. ... Mental health must also be regarded as a crucial part of private life associated with the aspect of moral integrity. Article 8 protects a right to identity and personal development, and the right to establish and develop relationships with other human beings and the outside world (…). The preservation of mental stability is in that context an indispensable precondition to effective enjoyment of the right to respect for private life . ’” 7.3. Daarnaast zal de minister bij de toets aan artikel 8 van het EVRM ook moeten betrekken wat eiseres verder heeft verklaard tijdens de zitting. Eiseres heeft op de zitting uitgelegd hoe zij haar dagen besteedt. Zij krijgt twee keer per week traumabehandeling. Er gaat altijd iemand mee om haar te begeleiden. Eiseres heeft op de zitting benadrukt dat zij een groot belang heeft bij het voortzetten van haar traumabehandeling. Daarnaast komen de behandelaars van het FACT-team eens per week bij eiseres thuis. Soms gaat eiseres zelf naar deze behandelaars toe. Als dagbesteding past eiseres graag op kinderen. Dat doet zij zo vaak als mogelijk. Verder schrijft eiseres gedichten. Ook doet ze elke zondag mee aan vrouwenzwemmen. Conclusie en gevolgen 8. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de aanvraag van eiseres te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). De minister zal namelijk een geheel nieuwe beoordeling moeten maken. 9. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken. 10. Omdat eiseres geen griffierecht heeft betaald, hoeft de minister geen griffierecht aan haar te vergoeden. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres wel een vergoeding van haar proceskosten. De rechtbank stelt deze vergoeding op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 3.174,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting op 3 juli 2024, 1 punt voor het bijwonen van de zitting van 7 mei 2025, 0,5 punt voor het geven van een door de rechtbank verzochte reactie op 9 januari 2025 met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit van 21 april 2021; - draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak; - bepaalt dat minister de proceskosten van eiseres moet vergoeden tot een bedrag van € 3.174,50,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, voorzitter, en mr. R.H.G. Odink en mr. Y. Moussaoui, leden, in aanwezigheid van mr.M.A. Hollander, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2025. griffier voorzitter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister. ECLI:NL:RBDHA:2022:3854. ECLI:NL:RVS:2024:741. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Bureau Medische Advisering. Posttraumatische stressstoornis. BMA-advies van 20 mei 2020. Brief van Arkin van 29 november 2021. Flexibele Assertive Community Treatment. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Arrest van het EHRM van 13 december 2016, 41738/10. Europese Hof voor de Rechten van de Mens. ECLI:NL:RVS:2018:2739, bevestigd in de uitspraak van 1 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1500. Arrest van het Hof van Justitie van 22 november 2022, ECLI:EU:C:2022:913. Hof van Justitie van de Europese Unie. Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. In haar uitspraak van 22 februari 2024. Arrest van het EHRM van 7 december 2021, 57467/15.

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...