Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2025:19332

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2025-07-16
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
NL25.18861 en NL25.18862
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
15.477 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Afwijzing asielaanvraag kennelijk ongegrond. Identiteit, nationaliteit en herkomst ongeloofwaardig. Eiser heeft verweerder misleid over zijn identiteit en nationaliteit omdat zijn documenten zijn vervalst en daarnaast is zijn verklaring over zijn leeftijd beoordeeld als kennelijk vals.

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummers: NL25.18861 (beroep) en NL25.18862 (voorlopige voorziening) V-nummer: [V-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser], eiser/verzoeker (hierna eiser) (gemachtigde: mr. R.J. Schenkman), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. J. van Dam). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft op 12 april 2023 een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft met het besluit van 17 april 2025 (het bestreden besluit) deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarnaast heeft verweerder een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en ook verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, ertoe strekkende dat hij niet wordt uitgezet totdat op zijn beroep is beslist. 2.2. De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna de rechtbank) heeft het beroep op 10 juli 2025 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. J.W.F. Menick als waarnemer van de gemachtigde van eiser, F. Kanaan als tolk in de Arabische (Jemenitische) taal en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank 3. De wet- en regelgeving die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak. Het asielrelaas 4. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser stelt [eiser] te zijn, te zijn geboren op [geboortedatum] 2006 en de Jemenitische nationaliteit te hebben. Eiser loopt risico om bij terugkeer door de Houhti rebellen te worden gerekruteerd om deel te nemen aan gevechtsacties. Eiser heeft een vergrote kans om te worden gerekruteerd doordat zijn ooms, die eerder hebben gevochten voor de Houhti’s, zijn overgestapt naar de Alsharia. Eiser vreest voor de algemene benadering van de Houhti’s om te moeten vechten voor hen. Daarnaast vreest hij bij terugkeer te worden vermoord of gedetineerd, omdat hij wordt gezien als een verrader doordat hij is vertrokken en ervoor heeft gekozen om niet te vechten. Het bestreden besluit 5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante asielmotieven: 1. Identiteit, nationaliteit en herkomst; 2. Risico op rekrutering door Houthi rebellen en of/door hen te worden vermoord. 5.1. Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser ongeloofwaardig. Daarom heeft verweerder de beoordeling van het tweede asielmotief achterwege gelaten. Volgens verweerder heeft eiser geen documenten overgelegd die zijn identiteit, nationaliteit en herkomst onderbouwen. De door eiser opgegeven geboortedatum van [geboortedatum] 2006 wordt niet gevolgd. Uit het medisch leeftijdsonderzoek van 19 oktober 2023 is naar voren gekomen dat eiser evident meerderjarig is. Daarom is zijn geboortedatum aangepast naar 1 juli 2005. 5.2. Verweerder beoordeelt vervolgens of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is niet het geval. Eiser voldoet namelijk niet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder b en e, van de Vw . Eiser heeft namelijk onvoldoende documenten overgelegd en hij heeft daar geen goede verklaring voor. Het door hem overgelegde paspoort staat gesignaleerd en als blanco gestolen dan wel frauduleus gekregen . Het afschrift van zijn geboorteakte is afwijkend van het referentiemateriaal. Daarom wordt aan de inhoud ervan geen waarde gehecht . Eiser heeft geen goede verklaring gegeven voor het ontbreken van een authentiek identiteitsbewijs of andere documenten waarmee zijn identiteit, nationaliteit en herkomst kan worden aangetoond. Omdat eiser gebruik heeft gemaakt van een vals paspoort voor zijn asielaanvraag en daarnaast een andere leeftijd heeft opgegeven dat de leeftijd de in de schouw bij hem is vastgesteld, kan zijn relaas in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd. 5.3. Verweerder verklaart de aanvraag kennelijk ongegrond op basis van de artikel 30b, eerste lid onder c en e, van de Vw. Eiser heeft verweerder namelijk misleid over zijn identiteit en nationaliteit omdat zijn documenten zijn vervalst en daarnaast is zijn verklaring over zijn leeftijd beoordeeld als kennelijk vals. Standpunten eiser en beoordeling van de rechtbank De taalanalyse 6. Eiser heeft aangevoerd dat in het nader gehoor is toegezegd dat een volledige taalanalyse zal worden afgenomen, omdat hiermee alsnog de herkomst van eiser kan worden aangetoond. De uitslag van de taalanalyse is niet toegezonden en evenmin betrokken bij de besluitvorming. Omdat de herkomst van eiser ongeloofwaardig wordt geacht, is de uitslag van de taalanalyse wel van belang voor de beoordeling van dit relevante asielmotief. Door het buiten beschouwing te laten is het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand gekomen en gebrekkig gemotiveerd. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser nog aangevuld dat sprake is van schending van de samenwerkingsplicht door verweerder, omdat er geen taalanalyse heeft plaatsgevonden waardoor eiser zijn herkomst had kunnen aantonen nu daaraan door verweerder wordt getwijfeld. 6.1. Uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat verweerder de mogelijkheid heeft om een taalanalyse uit te voeren, maar daar niet toe kan worden gehouden, tenzij hij redelijkerwijze niet van een taalanalyse heeft mogen afzien. 6.2. De rechtbank stelt allereerst vast dat in deze zaak geen taalanalyse heeft plaatsgevonden. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder namelijk verduidelijk dat er wel een opname is gemaakt, maar deze vervolgens niet is onderzocht. Er is dus geen uitslag van een taalanalyse. Naar het oordeel van de rechtbank was verweerder in dit concrete geval ook niet gehouden om een taalanalyse uit te voeren. Niet wordt immers betwist dat eiser de Arabisch Jemenitische taal spreekt, maar – zoals de gemachtigde van verweerder ter zitting terecht heeft opgemerkt – zegt dit feit niets over de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser. Daar komt bij dat eiser in dit geval een paspoort en geboorteakte heeft overgelegd die vals zijn bevonden dan wel niet bevoegd zijn opgemaakt. De beroepsgrond slaagt niet. Het paspoort 7. Eiser heeft aangevoerd dat het paspoort door zijn vader is aangevraagd en dat hij hier zelf geen bemoeienis mee heeft gehad. Van bewuste misleiding door eiser over zijn identiteit en nationaliteit is daarom geen sprake. 7.1. De rechtbank volgt eiser in dit standpunt niet. Verweerder heeft de asielaanvraag op twee gronden als kennelijk ongegrond afgewezen, namelijk het gebruik van een vals paspoort en het afleggen van een kennelijk valse verklaring over zijn leeftijd, aangezien eiser stelde minderjarig te zijn, terwijl hij evident meerderjarig bleek te zijn. Die laatste grond is niet door eiser betwist, waardoor deze reden de afwijzing van de aanvraag zelfstandig kan dragen. Daarnaast heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser zelf verantwoordelijk is voor (de juistheid van) zijn documenten die hij gebruikt. Dat het paspoort door zijn vader zou zijn aangevraagd, ontslaat eiser niet van die verantwoordelijkheid. De beroepsgrond slaagt niet. De vaccinatiekaart 8. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte zijn Jemenitische vaccinatiekaart niet heeft onderzocht op authenticiteit. Dat het een indicatief document is, doet daar niets aan af. Immers, als de vaccinatiekaart echt zou zijn bevonden, heeft eiser hiermee zijn personalia aannemelijk en geloofwaardig gemaakt. 8.1. De rechtbank heeft ter zitting met partijen vastgesteld dat de vaccinatiekaart onderdeel is van de geboorteakte. Deze geboorteakte is onderzocht. Dat volgt uit de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten van de IND van 8 februari 2024. Uit het door eiser overgelegde document blijkt dat geboorteakte en de vaccinatiekaart één document betreft. Het is daardoor niet aannemelijk, en ook niet gebleken, dat de vaccinatiekaart niet is onderzocht. De beroepsgrond dat verweerder ten onrechte de vaccinatiekaart niet heeft onderzocht, slaagt niet. Het tweede asielmotief 9. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder het tweede asielmotief ten onrechte niet heeft beoordeeld. Dit geldt des te meer nu er in Jemen een (burger)oorlog gaande is, hetgeen ook bij verweerder als bekend wordt verondersteld. 9.1. De rechtbank overweegt dat verweerder niet gehouden was om het tweede asielmotief te toetsen omdat het eerste motief ongeloofwaardig is geacht. De rechtbank verwijst daarbij naar de Werkinstructie 2024/6, kopje 4: “Allereerst moet een oordeel worden gevormd over de geloofwaardigheid van de verklaringen ten aanzien van de nationaliteit, identiteit en herkomst van de vreemdeling. Asielmotieven hebben immers slechts betekenis tegen de achtergrond van de herkomst, identiteit en nationaliteit van de vreemdeling. De feiten en omstandigheden die zien op de persoon van de vreemdeling moeten dus als eerste worden vastgesteld (…)..” Verweerder heeft hierbij terecht opgemerkt dat wanneer het tweede asielmotief wel zou worden getoetst, terwijl het eerste motief ongeloofwaardig is geacht, hierdoor slechts sprake zou zijn van een hypothetische toets. De beroepsgrond slaagt niet. Het buitenschuldbeleid voor AMV 10. Eiser heeft aangevoerd dat hij door de trage besluitvorming in zijn belangen is geschaad. Tijdens de indiening van zijn asielaanvraag was hij minderjarig, zelfs als van de door verweerder toegekende geboortedatum van 1 juli 2005 wordt uitgegaan. Aan eiser is om deze reden ten onrechte een verblijfsvergunning op grond van het buitenschuldbeleid voor AMV onthouden. 10.1. De rechtbank overweegt dat verweerder heeft getoetst aan het buitenschuldbeleid voor AMV’ers, waarbij is uitgegaan van de minderjarigheid van eiser. Verweerder heeft hierin overwogen dat eiser vanwege het valse overgelegde paspoort en de ongeloofwaardige verklaringen over zijn identiteit en nationaliteit niet kan worden vastgesteld of er gedurende eisers minderjarigheid sprake is geweest van adequate opvang. Hij heeft immers niet meegewerkt aan het onderzoek hiernaar. Tijdens de gestelde minderjarigheid had eiser contact met beide ouders via zijn zus die in Nederland woonachtig is. Eiser heeft niet gemotiveerd betwist waarom deze toets van verweerder niet zou kloppen. De beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen 11. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de afwijzing van zijn asielaanvraag in stand blijft. Omdat op het beroep is beslist bestaat er geen aanleiding meer voor de gevraagde voorlopige voorziening. Het verzoek hiertoe wordt daarom afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank, in de zaak met nummer NL25.18861: - verklaart het beroep ongegrond. De voorzieningenrechter, in de zaak met nummer NL25.18862: - wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.R. Bleijendaal, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Vreemdelingenwet 2000 Artikel 30b, eerste lid Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan worden afgewezen als kennelijk ongegrond in de zin van artikel 32, tweede lid, van de Procedurerichtlijn, indien: (…) de vreemdeling Onze Minister heeft misleid door omtrent zijn identiteit of nationaliteit valse informatie of documenten te verstrekken of door relevante informatie of documenten die een negatieve invloed op de beslissing hadden kunnen hebben, achter te houden; (…) de vreemdeling kennelijk inconsequente en tegenstrijdige, kennelijk valse of duidelijk onwaarschijnlijke verklaringen heeft afgelegd die strijdig zijn met voldoende geverifieerde informatie over het land van herkomst, waardoor zijn verklaringen alle overtuigingskracht wordt ontnomen met betrekking tot de vraag of hij in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 (https://wetten.overheid.nl/BWBR0011823/2025-07-09) ; (…) Artikel 31, zesde lid Indien de vreemdeling zijn verklaringen of een deel van zijn verklaringen niet met documenten kan onderbouwen, worden deze verklaringen geloofwaardig geacht en wordt de vreemdeling het voordeel van de twijfel gegund, wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan: de vreemdeling heeft een oprechte inspanning geleverd om zijn aanvraag te staven; alle relevante elementen waarover de vreemdeling beschikt, zijn overgelegd, en er is een bevredigende verklaring gegeven omtrent het ontbreken van andere relevante elementen; de verklaringen van de vreemdeling zijn samenhangend en aannemelijk bevonden en zijn niet in strijd met beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor zijn aanvraag; e vreemdeling heeft zijn aanvraag zo spoedig mogelijk ingediend, tenzij hij goede redenen kan aanvoeren waarom hij dit heeft nagelaten; en vast is komen te staan dat de vreemdeling in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open. Zie het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 30 oktober 2023. Vreemdelingenwet 2000. Zie het proces-verbaal van bevindingen van de Koninklijke Marechaussee van 2 januari 2024. Zie de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten van de IND van 8 februari 2024. Pagina 12 van het nader gehoor. Zie de uitspraak van 3 november 2026, ECLI:NL:RVS:2016:2998. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Immigratie- en Naturalisatiedienst. Alleenstaande minderjarige vreemdeling.

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...