Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2025:19162

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2025-10-20
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
NL25.24652
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
ja
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
21.407 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

intrekking reguliere verblijfsvergunning bepaalde tijd onder beperking 'tijdelijk humanitair met terugwerkende kracht, niet ten onrechte heeft ambtshalve toets niet geleid tot verlening verblijfsvergunning onder beperking 'niet-tijdelijke humanitaire gronden' en/of tot ambtshalve verlening vergunning regulier voor medische behandeling, ongegrond

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL25.24652 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam] , eiseres, geboren op [geboortedatum] V-nummer: [nummer] , van Nigeriaanse nationaliteit, (gemachtigde: mr. G.E. Jans), en de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. M. Ponne). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van de reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder de beperking ‘tijdelijk humanitair’ per 4 januari 2024. Bij dit besluit is ook bepaald dat aan eiseres geen niet-tijdelijke verblijfsvergunning regulier op humanitaire gronden of op grond van medische behandeling wordt verleend. Eiseres is hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. 1.2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat dit besluit in stand kan blijven. De minister heeft de intrekking van de reguliere verblijfsvergunning met terugwerkende kracht deugdelijk gemotiveerd. De minister heeft ook deugdelijk gemotiveerd dat er geen aanleiding is om aan eiseres een verblijfsvergunning humanitair niet-tijdelijk of op grond van medische behandeling te verlenen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Inleiding 2. Eiseres heeft op 28 november 2023 aangifte van mensenhandel gedaan. In het kader van de Verblijfsregeling Mensenhandel heeft de minister eiseres een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘tijdelijke humanitaire gronden’ verleend van 3 januari 2024 tot 3 januari 2025. Op 4 januari 2024 heeft de Officier van Justitie besloten niet over te gaan tot verdere opsporing en vervolging naar aanleiding van de aangifte van mensenhandel omdat Nederland geen rechtsmacht heeft. 2.1. De minister heeft met het besluit van 2 oktober 2024 de verblijfsvergunning eiseres in het kader van de Verblijfsregeling Mensenhandel ingetrokken met ingang van 4 januari 2024, nu met de sepotbeslissing van het OM de beperking waaronder deze vergunning is verleend is komen te vervallen. Met het bestreden besluit van 8 mei 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de intrekking van de verblijfsvergunning gebleven, na ongegrondverklaring van het bezwaar. Daarnaast is in het bestreden besluit overwogen dat aan eiseres niet ambtshalve een verblijfsvergunning ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ of op grond van medische behandeling zal worden verleend. Er is geen terugkeerbesluit opgelegd omdat eiseres rechtmatig verblijf heeft in afwachting van de beslissing op haar asielaanvraag. 2.2. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 25 september 2025, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening , op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar gemachtigde en de gemachtigde van de minister. Er was ook een tolk aanwezig. Beoordeling door de rechtbank Wettelijk kader 3. Artikel 14 van de Vw geeft de minister de bevoegdheid om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen. Deze vergunning wordt verleend onder beperkingen verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan. Eén van die mogelijke beperkingen volgt uit de Verblijfsregeling Mensenhandel. Aan de vreemdeling die slachtoffer-aangever is van mensenhandel kan een verblijfsvergunning worden verleend gedurende de looptijd van het strafrechtelijk onderzoek. De minister trekt de verblijfsvergunning van een slachtoffer van mensenhandel in als het strafrechtelijk onderzoek is geëindigd. Intrekking verblijfsvergunning ‘tijdelijk humanitair’ met terugwerkende kracht 4. De rechtbank stelt vast dat in de gronden van beroep geen expliciete beroepsgrond is opgenomen, gericht tegen dit onderdeel van het bestreden besluit. Ter zitting is gesteld dat het beroep zich mede richt tegen de intrekking van deze verblijfsvergunning en in dat verband is gewezen op wat daarover reeds in de zienswijze is aangevoerd. 4.1. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in het bestreden besluit afdoende en deugdelijk gemotiveerd gereageerd op de intrekking van deze verblijfsvergunning met terugwerkende kracht. Met een enkele, algemene verwijzing naar de zienswijze heeft eiseres in beroep niet nader geconcretiseerd waarom de motivering van het bestreden besluit in reactie op haar zienswijze ontoereikend is. Deze verwijzing is daarom geen gemotiveerde betwisting van het bestreden besluit en kan dan ook niet leiden tot vernietiging van het besluit. Had de minister eiseres ambtshalve een verblijfsvergunning onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ moeten verlenen? Paspoortvereiste 5. De rechtbank overweegt als volgt. In artikel 16, eerste lid, van de Vw staat onder welke omstandigheden een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw kan worden afgewezen. In artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw staat dat de aanvraag kan worden afgewezen als de vreemdeling niet beschikt over een geldig grensoverschrijdingsdocument. Om voor vrijstelling van het paspoortvereiste in aanmerking te kunnen komen, is het aan de vreemdeling om te onderbouwen dat hij door de autoriteiten van zijn land van herkomst niet of niet meer in het bezit gesteld kan worden van een geldig paspoort. Ook moet hij aantonen dat hij zelf al het mogelijke heeft gedaan om door zijn eigen autoriteiten in het bezit gesteld te worden van een geldig paspoort. 5.1. Eiseres voert aan dat het paspoortvereiste haar niet kan worden tegengeworpen nu dit in de mensenhandel procedure niet expliciet is tegengeworpen. Bovendien is haar Nigeriaans paspoort door een mensenhandelaar afgenomen in Frankrijk. Volgens eiseres heeft de hulporganisatie Fier namens haar geprobeerd om een nieuw paspoort aan te vragen, maar liep daarbij vast op de eis van de Nigeriaanse ambassade dat het oude paspoort of een geboorteakte overgelegd moest worden. Onder deze omstandigheden meent eiseres dat de minister haar vrijstelling moet verlenen van het paspoortvereiste. 5.2. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat eiseres, ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, niet de beschikking heeft gehad over een geldig document voor grensoverschrijding (een paspoort). Het niet beschikken over een geldig document voor grensoverschrijding vormt een zelfstandige grond voor afwijzing van de aanvraag van eiseres. De rechtbank is van oordeel dat de minister in het bestreden besluit deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiseres niet wordt vrijgesteld van dit vereiste. In het geval van eiseres is zij in het inwilligingsbesluit van 3 januari 2024al geadviseerd een paspoort aan te vragen. De minister heeft verder mogen overwegen dat eiseres niet in het bezit is van een verklaring van de Nigeriaanse ambassade waaruit blijkt dat zij geen paspoort kan krijgen. Uit de overgelegde mails van Fier blijkt weliswaar dat er contacten zijn geweest met de Nigeriaanse ambassade en dat bij de aanvraag van een nieuw paspoort obstakels zijn ondervonden, zoals het ontbreken van een oud paspoort of een geboorteakte. Uit deze stukken blijkt echter niet, zoals de minister terecht stelt, dat aan eiseres geen Nigeriaans paspoort zal worden verstrekt, noch is sprake van een schriftelijke verklaring van de Nigeriaanse ambassade waaruit dit blijkt of waaruit een formele afwijzing volgt. Dat eiseres geen contacten meer stelt te hebben in Nigeria die haar zouden kunnen helpen bij het verkrijgen van een geboorteakte, heeft de minister onvoldoende mogen vinden om te concluderen dat zij in het geheel geen mogelijkheid heeft om in het bezit te komen van een paspoort. De stelling van eiseres dat zij vanwege psychische problemen niet in staat is om zelfstandig een aanvraag in te dienen, heeft evenmin tot een ander standpunt hoeven leiden. Eiseres heeft geen medische verklaring overgelegd waaruit blijkt dat zij niet in staat zou zijn om, eventueel met ondersteuning en hulp van derden zoals haar gemachtigde of begeleiders, de benodigde stappen te zetten, zoals het doen van een formele aanvraag of het verrichten van pogingen om een schriftelijke afwijzing van de ambassade te krijgen. Van dergelijke inspanningen of concrete pogingen is niet gebleken. De verwijzing naar de uitspraak van 9 juli 2025 kan eiseres niet baten, nu in die zaak het asielrelaas van betrokkene reeds was beoordeeld en ongeloofwaardig is geacht. In de zaak van eiseres moet de beoordeling van haar asielrelaas nog plaatsvinden. Van een vergelijkbaar geval is dan ook geen sprake zodat aan die uitspraak geen betekenis toekomt voor de onderhavige beoordeling van het paspoortvereiste. 5.3. Gelet op het voorgaande heeft de minister het paspoortvereiste aan eiseres mogen tegenwerpen en heeft de minister de niet ambtshalve verlening van de vergunning reeds op die reden kunnen baseren. Mensenhandelrelaas; heeft eiseres aannemelijk gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden die te maken hebben met mensenhandel? 5.4. De minister kan zowel ambtshalve als op aanvraag een verblijfsvergunning humanitair niet-tijdelijk verlenen als de vreemdeling heeft onderbouwd dat op grond van bijzondere individuele omstandigheden die rechtstreeks verband houden met mensenhandel niet van hem kan worden gevergd dat hij Nederland verlaat . De vreemdeling dient dus aannemelijk te maken dat hij slachtoffer is van mensenhandel én dat er bijzondere individuele omstandigheden zijn die maken dat aan hem een verblijfsvergunning moet worden verleend. Van de vreemdeling wordt in dat kader verwacht dat hij zijn aanvraag onderbouwt met stukken en dat hij geloofwaardige en verifieerbare verklaringen aflegt. Ook wordt van hem verwacht dat hij gedetailleerd en concreet verklaart. Als het mensenhandelrelaas niet aannemelijk wordt bevonden, wordt niet verder beoordeeld of er sprake is van bijzondere individuele omstandigheden. Het is aan de minister om te beoordelen of de vreemdeling erin is geslaagd aannemelijk te maken dat hij slachtoffer is geweest van mensenhandel én, als dat het geval is, of er bij terugkeer sprake is van represailles, vervolging of het ontbreken van mogelijkheden tot herintegratie. De minister heeft hier een discretionaire bevoegdheid. De rechtbank toetst dit terughoudend. 5.5. Eiseres stelt verder dat de minister ten onrechte heeft overwogen dat er geen bijzondere individuele omstandigheden zijn aangetoond die wijzen op mensenhandel. Zij is juist uit een extreme dwangsituatie gevlucht. Eiseres stelt, samengevat, dat zij verschillende reisdocumenten niet heeft kunnen overhandigen omdat ze die nooit of niet meer in haar bezit heeft (gehad). Eiseres stelt verder dat haar visumaanvraag goed was voorbereid en gedocumenteerd waardoor er geen problemen zijn ontstaan bij de aanvraag. Verder stelt eiseres dat zij bij vertrek uit Nigeria naar Griekenland nog dacht dat zij als kapster zou gaan werken en een mooie toekomst tegemoet ging in Griekenland. Tijdens de vlucht was er iemand aanwezig, maar niet in haar directe nabijheid. De situatie veranderde tijdens de reis van Griekenland naar Frankrijk, toen [naam] haar begeleidde. Bij aankomst in Frankrijk nam [naam] meteen haar paspoort af. De reis van Frankrijk naar Nederland verliep zonder begeleiding op een traject waarvan de mensenhandelaren niet hadden verwacht dat zij zou vluchten. De mensenhandelaren dachten dat zij eiseres door bedreigingen voldoende onder controle hadden en dat zij bij aankomst in Nederland de instructies zou opvolgen. Eiseres durfde onderweg ook niet te vluchten. In Frankrijk is eiseres ook met de dood bedreigd door een man. De moed om te vluchten heeft eiseres in Nederland wel gehad. Eiseres stelt dat [naam] vermoedelijk al geld voor haar heeft ontvangen van de koper in Nederland en daarom niemand heeft laten meereizen. Eiseres stelt dat ze niet in staat was om details te verstrekken over de bij de mensenhandel betrokken personen omdat zij hen niet goed kende. Eiseres stelt ook dat de minister onvoldoende oog heeft gehad voor haar psychische situatie, waardoor eiseresgeen details heeft geven over de betrokken personen. Eiseres heeft in dit verband gewezen op rapporten van Fier over de ondergane behandelingen. 5.6. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank oordeelt dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat het aan eiseres is om de wijze waarop zij slachtoffer zou zijn geworden van mensenhandel aannemelijk te maken. Van eiseres mag in dat kader worden verwacht dat zij geloofwaardige, verifieerbare verklaringen aflegt en dat zij gedetailleerd en concreet verklaart. De minister heeft in dat verband eiseres mogen tegenwerpen dat eiseres het busticket, waarmee zij van Frankrijk naar Nederland is gereisd, niet heeft bewaard. Daarmee had eiseres de door haar gestelde plaats van vertrek van Frankrijk en de plaats van aankomst in Nederland kunnen aantonen. Het treinticket dat de vrouw bij wie eiseres zich mocht opfrissen en eten voor eiseres zou hebben gekocht, is ook niet overgelegd. Eiseres heeft ook verklaard dat zij de mobiele telefoon, die zij van een mensenhandelaar zou hebben meegekregen, niet meer in bezit heeft. omdat die in Ter Apel uit haar kamer zou zijn gestolen toen zij ging douchen. De minister heeft eiseres mogen tegenwerpen dat zij heeft nagelaten om mogelijk bewijsmateriaal over de bij de mensenhandel betrokken personen veilig te stellen. De minister heeft daarom niet ten onrechte geconcludeerd dat eiseres geen enkel objectief bewijs heeft overgelegd waarmee zij haar verklaringen had kunnen ondersteunen. De verklaringen van eiseres voor wat betreft de gang van zaken rondom de visumaanvraag in Griekenland heeft de minister onwaarschijnlijk en daarom niet aannemelijk mogen vinden. Hierbij heeft de minister kunnen betrekken dat de ambassade verplicht is onderzoek te doen naar de door eiseres overgelegde reisdocumenten en naar het doel van en de voorwaarden voor het voorgenomen verblijf. De verklaringen van eiseres omtrent het onbegeleid reizen van Frankrijk en Nederland heeft de minister niet aannemelijk mogen vinden, nu zoals de minister terecht stelt, het mensenhandelnetwerk een wezenlijk risico zou lopen bij een ontsnapping van eiseres, terwijl, naar gesteld, reeds in haar was geïnvesteerd. De verklaringen van eiseres over [naam] heeft de minister onvoldoende mogen vinden, nu zij geen achternaam of ander concrete informatie over haar kan verstrekken. De minister stelt terecht dat de beschrijving die eiseres geeft te algemeen en weinig specifiek is terwijl van haar verwacht mocht worden dat zij, nu zij stelt jarenlang bevriend te zijn geweest met [naam] , meer concrete informatie over haar had kunnen verstrekken. De rechtbank volgt in dit verband ook het standpunt van de minister dat eiseres niet heeft onderbouwd dat er medische redenen zijn waarom zij niet meer informatie over de mensenhandel had kunnen geven. De minister heeft in dit verband mogen overwegen dat de informatie van Fier geen aanwijzingen geeft dat de psychische klachten het eiseres onmogelijk hebben gemaakt om gedetailleerd en concreet te verklaren over deze persoon (of over de andere personen). De minister is op deze afzonderlijke punten afdoende en deugdelijk gemotiveerd ingegaan in het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om het standpunt van de minister daarover voor onjuist te houden. De minister heeft zich dan ook, anders dan eiseres stelt, voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiseres met haar verklaringen, in onderlinge samenhang bezien, niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij slachtoffer is van mensenhandel. 5.7. Nu eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij slachtoffer is geworden van mensenhandel, treft de verwijzing naar de medische klachten die eiseres stelt te hebben als gevolg van de gebeurtenissen in Frankrijk en Griekenland, geen doel. Gelet op het beleid en rechtspraak kan dit immers alleen van belang zijn indien zij rechtstreeks verband houden met mensenhandel. 5.8. De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat geen sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die rechtstreeks verband houden met mensenhandel. 5.9. De minister heeft zich dan ook niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de ambtshalve toetsing niet heeft geleid tot verlening van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’. Had de minister eiseres ambtshalve een vergunning regulier moeten verlenen voor medische behandeling? 6. Eiseres stelt dat de minister ten onrechte heeft afgezien van een ambtshalve toets, nu zij in de bestuurlijke fase medische informatie heeft overgelegd waaronder rapporten van Fier van 25 april 2024 en van 1 november 2024. In dit verband is ook nog een beroep gedaan op een uitspraak van 27 augustus 2025. 6.1. De rechtbank stelt voorop dat de situatie in voornoemde uitspraak niet geheel overeenkomt met die van eiseres. De rechtbank overweegt dat indien de minister ervoor kiest om geen gebruik te maken van haar discretionaire bevoegdheid tot ambtshalve toetsing dit wel deugdelijk gemotiveerd moet zijn. De betekent dat het ontbreken van een aanvraag de minister niet ontslaat van de plicht om in individuele gevallen toe te lichten waarom van die bevoegdheid wordt afgezien. 6.2. De beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft in het bestreden besluit en ter zitting deugdelijk gemotiveerd uiteengezet dat in het geval van eiseres geen sprake is van een situatie waarin ambtshalve getoetst moet worden aan het verblijfsdoel medische behandeling. In dat verband heeft de minister erop mogen wijzen dat het gestelde verblijfsdoel geen nauw verband houdt met of in het verlengde ligt van de eerder verleende tijdelijke verblijfsvergunning op grond van mensenhandel. Verder heeft de minister hierbij mogen betrekken dat niet gebleken is dat ten tijde van het bestreden besluit sprake was therapie of behandeling. Eiseres heeft aangegeven dat Fier één keer per twee weken langskomt voor ondersteunende gesprekken en dat zij antipsychotica gebruikt. Verder heeft zij verklaard dat zij in afwachting was van de volgende evaluatie in april/mei 2025. De minister heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat dit onvoldoende is om aanleiding te zien voor een ambtshalve toetsing. De enkele stelling van eiseres dat Fier gespecialiseerd is in begeleiding van slachtoffers van mensenhandel maakt dit niet anders nu, zoals hiervoor is geoordeeld, het mensenhandelrelaas niet ten onrechte onaannemelijk is geacht door de minister. Het rapport van Fier van 24 juni 2025 is van na het bestreden besluit en kan in deze procedure, vanwege het ex-tunc karakter, niet worden meegenomen in de beoordeling. 6.3. De minister heeft eiseres dan ook niet ten onrechte niet ambtshalve in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor medische behandeling. Conclusie en gevolgen 7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom ook geen vergoeding van haar proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Aissa, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak bekend is gemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Openbaar Ministerie. NL25.24653. Vreemdelingenwet 2000. Artikel 14, derde lid, van de Vw. Deze regeling is opgenomen in 3.48 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) gelezen in samenhang met paragraaf B8/3 e.v. van de Vc (Vc 2000) en B9/12 e.v. van de Vc. B8/3.2. van de Vc. Zie het beleid beschreven in paragraaf B1/4.2.3 Vc. Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van Stage (de Afdeling) 27 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:711. ECLI:NL:RBDHA:2025:12173. Op basis van artikel 3.6b van het Vb. Dit is geregeld in artikel 3.51, vierde lid, van het Vb gelezen in samenhang met artikel 3.24aa, tweede lid onder f van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV 2000) en uitgewerkt in paragraaf B9/12 van de Vc. Werkinstructie 2023/5, p. 2. Werkinstructie 2023/5, p. 3. Paragraaf B9/12 van de Vc. ECLI:NL:RVS:2015:3803. ECLI:NL:RVS:2025:4130. Zoals neergelegd in artikel 3.6b Vb.

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...