Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2025:11068

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2025-03-19
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
AWB 24/1357 en AWB 24/1358
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
ja
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
15.222 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Beroep ongegrond. Verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Verweerder mocht de verblijfsvergunning van eiseres intrekken. Niet in geschil is dat het strafrechtelijk onderzoek naar aanleiding van de aangifte van eiseres voortijdig is beëindigd. Nu er geen sprake meer is van een strafrechtelijk onderzoek naar mensenhandel voldoet eiseres niet meer aan de voorwaarde voor de aan haar verleende verblijfsvergunning. Deze intrekking leidt niet tot schending van het recht op gezinsleven. Verweerder hoefde eiseres niet te horen.

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummers: AWB 24/1357 en AWB 24/1358 V-nummer: [v-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 19 maart 2025 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen [eiseres] , domicilie kiezend ten kantore van haar gemachtigde, mr. J. van Koesveld, advocaat te Utrecht, eiseres (gemachtigde: mr. J. van Koesveld), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. M. van Boheemen). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (de rechtbank) het beroep van eiseres tegen de intrekking van haar verblijfsvergunning en het verzoek om een voorlopige voorziening inhoudende dat zij niet wordt uitgezet voordat de rechtbank op het beroep heeft beslist. 1.1. Met het besluit van 24 oktober 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder de aan eiseres verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘humanitair tijdelijk’ met ingang van 29 augustus 2023 ingetrokken. Het daartegen gemaakte bezwaar is met het besluit van 9 januari 2024 (het bestreden besluit) kennelijk ongegrond verklaard. 1.2. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 18 februari 2025, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigde van eiseres. De schoonzus van eiseres en een hulpverlener hebben als toehoorders deelgenomen aan de zitting. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt of verweerder het bezwaar van eiseres tegen de intrekking van haar verblijfsvergunning terecht kennelijk ongegrond heeft verklaard. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres. 3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Vrijsteling griffierecht 4. Eiseres heeft verzocht om vrijstelling van de betaling van het griffierecht voor de behandeling van het beroep en het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wegens betalingsonmacht. Met het door eiseres overgelegde formulier heeft zij voldoende aannemelijk gemaakt dat zij voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling. Het verzoek om vrijstelling van het griffierecht wordt daarom toegewezen. Ten aanzien van het beroep Achtergrond van de zaak 5. De rechtbank gaat uit van de volgende, door partijen niet betwiste, feiten. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1993 in Marokko en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Eiseres is in 2022 met haar oudste dochter van inmiddels 7 jaar naar Nederland gekomen en heeft op 4 november 2022 uitstel van vertrek gekregen vanwege de geboorte van haar tweede kind. Op 25 juli 2023 heeft eiseres bij de politie aangifte gedaan van slachtofferschap van mensenhandel in Nederland. Deze aangifte is ambtshalve aangemerkt als een aanvraag voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met de beperking ‘tijdelijke humanitaire gronden’ op grond van de Verblijfsregeling Mensenhandel. Verweerder heeft met het besluit van 26 juli 2023 aan eiseres de vergunning met deze beperking voor de periode van 25 juli 2023 tot 25 juli 2024 verleend. 5.1. Naar aanleiding van de aangifte heeft de politie opsporingsonderzoek verricht om de mogelijke verdachten te kunnen identificeren en aan te houden. De door eiseres afgelegde verklaringen en het door de politie verrichte onderzoek hebben niet tot een nader strafrechtelijk onderzoek geleid. Het Openbaar Ministerie heeft daarom op 29 augustus 2023 besloten om het onderzoek voortijdig te beëindigen. Verweerder is geïnformeerd over deze beslissing in verband met de aan eiseres verleende tijdelijke verblijfsvergunning. De besluitvorming 6. Op 15 september 2023 heeft verweerder eiseres laten weten voornemens te zijn haar verblijfsvergunning in te trekken omdat het strafrechtelijk onderzoek voortijdig is beëindigd en eiseres daarmee niet meer voldoet aan de beperking waaronder aan haar een verblijfsvergunning is verleend. Met het primaire besluit heeft verweerder de verblijfsvergunning ingetrokken met terugwerkende kracht per 29 augustus 2023. Verweerder overweegt in het bestreden besluit dat intrekking van de verblijfsvergunning geen schending oplevert van het recht op een gezinsleven aangezien de kinderen van eiseres samen met eiseres Nederland kunnen en moeten verlaten. 6.1. Verweerder heeft het bezwaar van eiseres tegen de intrekking kennelijk ongegrond verklaard omdat vaststaat dat eiseres niet aan de beperking ‘tijdelijk humanitaire gronden’ gronden voldoet en eiseres in bezwaar geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden. Eiseres is daarom ook niet gehoord over haar bezwaar. Eiseres is in het bestreden besluit ook gewezen op de mogelijkheid om een aanvraag in te dienen voor het verblijfsdoel 'niet-tijdelijk humanitair’ indien zij van mening is dat zij wegens een situatie van mensenhandel blijvend aan Nederland is gebonden. 7. De relevante regels zijn opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak. Mocht verweerder de verblijfsvergunning van eiseres intrekken? 8. Eiseres voert aan dat aan het bestreden besluit geen volledige belangenafweging en gedegen voorbereiding vooraf is gegaan omdat veel vragen rondom de situatie van eiseres onbeantwoord zijn gebleven. Op de zitting heeft eiseres – voor het eerst – naar voren gebracht dat het voor haar niet veilig is in Marokko vanwege eerwraakproblematiek. Eiseres stelt dat zij in 2021-2022 in Nederland is geweest en in die periode slachtoffer is geweest van mensenhandel. In maart 2022 is eiseres teruggegaan naar Marokko en in mei 2022 is zij Nederland weer ingereisd met een visum, op uitnodiging van de zus van haar echtgenoot. Zij is in de periode waarin zij betrokken is geraakt bij mensenhandel zwanger geworden. Eiseres heeft hierdoor een probleem met haar echtgenoot en vreest daarom eerwraak als zij teruggaat naar Marokko. Eerwraakproblematiek zal in dit geval, vanwege de hulp die eiseres van haar schoonzus kreeg, niet beperkt zijn tot eiseres. Dat is de reden geweest waarom eiseres in de bezwaarfase geen openheid van zaken heeft gegeven. Op de zitting gaf eiseres aan dat verweerder haar bezwaar opnieuw zou kunnen beoordelen op basis van deze nieuwe informatie. Eiseres kan ook een asielaanvraag indienen maar het is pragmatischer als verweerder bereid zou zijn om een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met de thans beschikbare informatie. 8.1. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de vergunning van eiseres heeft mogen intrekken en overweegt hiertoe als volgt. Niet in geschil is dat het strafrechtelijk onderzoek naar aanleiding van de aangifte van eiseres voortijdig is beëindigd. Nu er geen sprake meer is van een strafrechtelijk onderzoek naar mensenhandel voldoet eiseres niet meer aan de voorwaarde voor de aan haar verleende verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 3.48, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb. Verweerder mocht daarom op grond van artikel 19, gelezen in samenhang met artikel 18, eerste lid, aanhef en onder f, van de Vw, de vergunning van eiseres intrekken. De rechtbank is voorts van oordeel dat eiseres geen bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb naar voren heeft gebracht. Reeds daarom hoefde verweerder niet af te wijken van de beleidsregels. 8.2. Dat eiseres slachtoffer is geweest van mensenhandel en daarom niet veilig zou zijn in Marokko heeft naar het oordeel van de rechtbank geen betrekking op het vervallen van de beperking die ten grondslag ligt aan de tijdelijke verblijfsvergunning van eiseres. De verblijfsvergunning die op grond van een aangifte mensenhandel wordt verleend, ziet niet op de bescherming van een slachtoffer van mensenhandel, maar voorziet in de mogelijkheid om mee te werken aan strafvervolging. Indien eiseres meent dat haar slachtofferschap een bijzondere individuele omstandigheid met zich meebrengt op grond waarvan niet van haar kan worden verlangd dat zij Nederland verlaat, kan zij een aanvraag indienen onder de beperking ‘humanitair niet-tijdelijk’. 8.3. De rechtbank volgt verweerder voorts in het standpunt dat de intrekking van de vergunning niet leidt tot schending van het recht op gezinsleven. Eiseres en haar minderjarige kinderen hebben geen rechtmatig verblijf in Nederland. Als eiseres Nederland moet verlaten dan kunnen de kinderen mee. Van een scheiding van eiseres van haar kinderen is dan geen sprake. Verweerder heeft zich op basis van informatie die ten tijde van het bestreden besluit naar voren is gebracht ook op het standpunt kunnen stellen dat niet is gebleken dat terugkeer onveilig zou zijn voor de kinderen of eiseres, en dat zij het familieleven daardoor niet in Marokko zouden kunnen uitoefenen. Ten aanzien van de nieuwe informatie die op de zitting naar voren is gebracht overweegt de rechtbank dat verweerder daarvan bij het nemen van het bestreden besluit niet op de hoogte was en daar ook geen rekening mee kon houden. Daarnaast heeft verweerder op de zitting desgevraagd toegelicht in de nieuwe informatie geen aanleiding te zien om het bestreden besluit te herzien en dat eiseres een nieuwe aanvraag kan indienen voor een niet-tijdelijke vergunning op humanitaire gronden. De rechtbank kan dit standpunt van verweerder volgen. Mocht verweerder afzien van het horen in bezwaar? 9. Eiseres voert aan dat zij in bezwaar ten onrechte niet is gehoord. Gezien de belangen van de kinderen en het bestaan van vraagtekens bij verweerder ten aanzien van de inhoud van het dossier (er zijn bijvoorbeeld eerder vragen gesteld over het visum van eiseres) had het in de rede gelegen om eiseres te horen en haar bezwaar te laten toelichten en onderbouwen. Nu dit is nagelaten is eiseres van mening dat ook de schending van de hoorplicht tot gegrondverklaring van het beroep aanleiding kan geven. 9.1. Deze beroepsgrond slaagt niet. Verweerder kan op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb slechts van het horen afzien indien er, naar objectieve maatstaven bezien, op voorhand geen twijfel over mogelijk is dat het bezwaar niet kan leiden tot een ander besluit. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, mede gelet op de grondslag voor de intrekking van de vergunning, in de gronden van bezwaar geen aanleiding hoeven zien voor de conclusie dat een hoorzitting tot een ander oordeel zou kunnen leiden. Immers, in bezwaar stond niet ter discussie dat de voorwaarde voor de tijdelijke verblijfsvergunning van eiseres is komen te vervallen en eiseres heeft, zoals hiervoor overwogen, in bezwaar ook geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die tot het afwijken van het toepasselijke beleid in de Vc zouden nopen. Verweerder heeft daarom terecht geconcludeerd dat het bezwaarschrift kennelijk ongegrond is en hij heeft eiseres dus niet hoeven horen in de bezwaarfase. Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening 10. De gevraagde voorziening strekt ertoe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, gelet op het feit dat de rechtbank heden op het beroep heeft beslist. Conclusie en gevolgen 11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; De voorzieningenrechter: - wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Smayel, rechter/voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C.M. Schilder, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2025. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open. Bijlage: Relevante wet- en regelgeving Op grond van artikel 19 gelezen in samenhang met artikel 18, eerste lid, aanhef en onder f, van de Vw kan een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden ingetrokken indien niet wordt voldaan aan de beperking waaronder de vergunning is verleend of een voorschrift dat aan de vergunning is verbonden. Op grond van artikel 3.48, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb kan de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met de vervolging van mensenhandel worden verleend aan de vreemdeling die slachtoffer-aangever is van mensenhandel, voor zover er sprake is van een strafrechtelijk opsporingsonderzoek of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte van het strafbare feit waarvan aangifte is gedaan. Volgens paragraaf B8/3.2 van de Vc wordt de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met de vervolging van mensenhandel in beginsel voor een periode van één jaar verleend en komt de grond aan de verblijfsvergunning te ontvallen als er geen sprake meer is van een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte van het strafbare feit waarvan aangifte is gedaan of waaraan op andere wijze medewerking is verleend. De verblijfsvergunning wordt dan ingetrokken. Artikel 3.48 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) en paragraaf B8/3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Op grond van artikel 19 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) in samenhang met artikel 18, eerste lid, onder f, van de Vw. Artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Zie paragraaf B8/3.2 van de Vc. Algemene wet bestuursrecht. Artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...