Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2024:23874

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2024-12-24
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
NL24.37076 en NL24.37077
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
27.760 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Beroep tegen de afwijzing van eisers asielaanvraag is ongegrond verklaard. Ook bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Nu verweerder eisers gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht, is het asielrelaas van eiser terecht niet inhoudelijk beoordeeld. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat voor het opleggen van een terugkeerbesluit een nader onderzoek naar het risico op refoulement niet was vereist en dat een dergelijk onderzoek bij een terugkeerprocedure aan de orde kan komen.

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: NL24.37076 (beroep) en NL24.37077 (voorlopige voorziening) uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser] , eiser/verzoeker (hierna: eiser) V-nummer: [v-nummer] (gemachtigde: mr. M.A.L. van de Glind), en de minister van Asiel en Migratie , verweerder (gemachtigde: mr. A.E. van Midden). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Ook wordt uitspraak gedaan op het verzoek om een voorlopige voorziening dat eiser heeft ingediend. 1.1. Eiser heeft op 27 augustus 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 22 september 2024 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Ook is aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. 1.2. Tegen het bestreden besluit heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank. Ook heeft eiser de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. 1.3. Eiser heeft in beroep nadere stukken overgelegd. 1.4. Verweerder heeft op 31 oktober 2024 een aanvullend besluit genomen. 1.5. Eiser heeft tegen dit laatste besluit aanvullende beroepsgronden ingediend. Op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) richt het beroep zich ook tegen het aanvullende besluit, dat samen met het besluit van 22 september 2024 als bestreden besluit wordt aangeduid. 1.6. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op de zitting van 12 december 2024 behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. E.J.L van de Glind, kantoorgenoot van de gemachtigde van eiser, A. Tihouna, als tolk en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat de zaak over? 2. Eiser stelt dat hij een staatloze Palestijn is, afkomstig uit Syrië en geboren op [geboortedatum] 1986. Hij legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij in december 2013 door het Syrische regime is ontvoerd en drie maanden is vastgehouden en gemarteld. Eiser kan niet terugkeren naar Syrië, omdat Palestijnen in Syrië worden onderdrukt. Verder beroept eiser zich op de algemene situatie in Syrië. 2.1. Eiser heeft tot eind 2014 in Syrië gewoond. Daarna is eiser vertrokken naar Egypte, waar hij tot augustus 2024 illegaal heeft verbleven. Wat heeft verweerder besloten? 3. Bij het bestreden besluit en het aanvullend besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat hij zijn identiteit, nationaliteit en herkomst niet aannemelijk heeft gemaakt. Eiser krijgt niet het voordeel van de twijfel, omdat hij niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder b en c, van de Vw. Eiser heeft zijn verklaringen over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst niet onderbouwd met objectieve documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen en hij heeft hiervoor geen goede verklaring. Eisers verklaringen vormen ook geen samenhangend en aannemelijk geheel. Eiser heeft wisselend verklaard over welke documenten hij tijdens zijn reis heeft gebruikt en over de nationaliteit van zijn moeder. 3.1. Met het in kopie overgelegde individueel uittreksel overgelegd bij het aanvullend gehoor van 11 september 2024 en de in beroep in kopie overgelegde huwelijksakte, tijdelijke verblijfskaart voor Palestijnen en het uittreksel uit het register van Arabische Palestijnen heeft eiser zijn identiteit, nationaliteit en herkomst niet alsnog aannemelijk gemaakt. Ook niet met de originele verklaring van een vriend. Aan deze in beroep overgelegde documenten kan vanwege eisers onaannemelijke verklaringen over de wijze waarop hij deze documenten heeft verkregen minder waarde worden gehecht dan eiser dat zou willen, aldus verweerder. 3.2. Volgens vaste jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter , hebben asielmotieven van een vreemdeling slechts betekenis tegen de achtergrond van de herkomst, identiteit en nationaliteit van een vreemdeling. Verweerder heeft een verdere beoordeling van het asielrelaas achterwege gelaten, omdat dit niet mogelijk is nu eiser zijn identiteit, nationaliteit en herkomst niet aannemelijk heeft gemaakt. 3.3. Verweerder heeft eisers asielaanvraag verder afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat hij verweerder heeft misleid over zijn identiteit en zich waarschijnlijk te kwader trouw heeft ontdaan van zijn identiteits- of reisdocument. 3.4. Ook is aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd en een inreisverbod van twee jaar uitgevaardigd. Eiser kan volgens verweerder terugkeren naar Syrië of naar Egypte. Wat vindt eiser in beroep? 4. Eiser is het niet eens met verweerder. Op wat hij in beroep heeft aangevoerd gaat de rechtbank hierna, voor zover van belang, in. Wat is het oordeel van de rechtbank? 5. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvraag als kennelijk ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. 5.1. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Is het besluit zorgvuldig genomen? 6. Eiser voert aan dat verweerder bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van zijn verklaringen onvoldoende rekening heeft gehouden met eisers referentiekader. Hij is namelijk analfabeet en niet dan wel laag opgeleid. Bovendien had verweerder een Medifirst onderzoek moeten laten verrichten om te beoordelen of eiser wel in staat was om te worden gehoord. Vanwege ernstige pijnklachten gebruikt eiser sinds 24 oktober 2024 Tramadol, een morfine-achtige pijnstiller, die ernstige bijwerkingen kan veroorzaken, waardoor eiser mogelijk minder goed kan verklaren. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft eiser een uittreksel van zijn medisch dossier overgelegd. Verder zijn eisers procedurele waarborgen geschonden door hem aanvullend te horen zonder dat hij hierop door zijn gemachtigde is voorbereid. 6.1. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat verweerder bij het inrichten van de asielprocedure in algemene zin voldoende maatregelen heeft genomen om een zorgvuldige en objectieve beoordeling van een asielrelaas te waarborgen waarbij rekening moet worden gehouden met de culturele achtergrond van de vreemdeling. 6.2. De rechtbank stelt vast dat verweerder voor het horen van eiser een medisch advies heeft gevraagd aan MediFirst. De stelling van eiser dat er geen onderzoek conform de daarvoor geldende vereisten heeft plaatsgevonden, is dan ook niet juist. Voor zover eiser stelt dat verweerder bij de aanvullende gehoren opnieuw advies van Medifirst had moeten vragen overweegt de rechtbank als volgt. 6.3. Wanneer verweerder een advies van MediFirst aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, moet hij zich ervan vergewissen dat dit advies - naar wijze van totstandkoming – zorgvuldig, en naar inhoud - inzichtelijk en concludent is. Het advies moet daarnaast actueel zijn. Wanneer dit het geval is, kan het advies van MediFirst worden aangemerkt als een deskundigenadvies waar verweerder in beginsel vanuit mag gaan. Een vreemdeling kan de uitkomst van dat advies betwisten door overlegging van een andersluidend deskundigenadvies. Indien een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel naar voren brengt, mag verweerder niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Het moet dan gaan om twijfel die afbreuk doet aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop. 6.4. Niet specifiek en onderbouwd is gesteld dat het MediFirst rapport niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en/of niet inzichtelijk en concludent is, en dat is ook niet gebleken. Het rapport is ook actueel. Dit betekent dat verweerder in beginsel van het advies van MediFirst heeft mogen uitgaan. Dit is anders wanneer een andersluidend deskundigenadvies wordt ingebracht. Dat heeft eiser niet gedaan. De enkele stelling dat eiser onbegrijpelijk verklaart door mogelijke bijwerkingen van de medicatie die hij sinds 24 oktober 2024 slikt omdat zijn medische toestand is verslechterd, is bovendien onvoldoende voor twijfel aan de juistheid van het advies. Verweerder heeft daarom mogen uitgaan van het advies van MediFirst. 6.5. Uit het MediFirst advies van 3 september 2024 volgt dat eiser wel kan worden gehoord, maar dat er beperkingen zijn die relevant zijn voor het horen en/of beslissen. Eiser heeft aangegeven dat hij klachten heeft aan zijn been waardoor langdurig zitten de pijnklachten doet verergeren. MediFirst adviseert dat eiser in de gelegenheid moet worden gesteld om op te staan en te lopen, om hem ruimte te bieden voor zijn emoties, iets te drinken aan te bieden en indien nodig een extra pauze aanbieden. Verder is geadviseerd eiser geen schriftelijke vragen te stellen, omdat hij analfabeet is. Verder moet rekening worden gehouden met eisers geheugenproblematiek, verkorte concentratie en/of een vertraagd vermogen om de vraagstelling te begrijpen. MediFirst adviseert om eiser meer tijd te bieden om de vragen te beantwoorden, korte en gerichte vragen te stellen en deze zo nodig te herhalen, te verduidelijken of op een andere manier te stellen en hem meer tijd te geven om gegevens te achterhalen. Eiser heeft in het nader gehoor aangegeven dat hij in staat is om te worden gehoord. Uit het verslag van het gehoor en de besluitvorming volgt verder dat verweerder rekening heeft gehouden met de beperkingen die volgen uit het advies van MediFirst. Dat eiser niet kon worden gehoord volgt de rechtbank gelet op het voorgaande dan ook niet. 6.6. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder bij het afnemen van de verschillende gehoren en in het bestreden besluit voldoende kenbaar rekening heeft gehouden met eisers achtergrond en zijn medische situatie. Dat van eiser te veel wordt verwacht, zoals eiser stelt, volgt de rechtbank niet. Dat hij niet of laag opgeleid is maakt niet dat helemaal niets van hem kan worden verwacht. Eiser heeft in beroep niet concreet gemaakt in hoeverre zijn referentiekader dan wel zijn medische situatie van invloed is geweest op het afleggen van zijn verklaringen of in hoeverre verweerder nog meer rekening met zijn referentiekader en zijn medische situatie had moeten houden bij de gehoren. 6.7. Verweerder mocht gelet op het voorgaande uitgaan van de verklaringen van eiser. Hij heeft bij de aanvullende gehoren niet opnieuw een MediFirst onderzoek hoeven aanbieden. 6.8. Dat eiser in zijn procedurele waarborgen is geschonden door hem aanvullend te horen zonder dat hij hierop door zijn gemachtigde is voorbereid volgt de rechtbank niet. Ook dit argument is onvoldoende geconcretiseerd. Dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd volgt de rechtbank, gelet op het voorgaande, niet. Geloofwaardigheid van eisers identiteit, nationaliteit en herkomst 7. In artikel 31, zesde lid, van de Vw is ter implementatie van artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn bepaald dat indien de vreemdeling zijn verklaringen of een deel van zijn verklaringen niet met documenten kan onderbouwen, deze verklaringen geloofwaardig worden geacht en de vreemdeling het voordeel van de twijfel wordt gegund, wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. de vreemdeling heeft een oprechte inspanning geleverd om zijn aanvraag te staven; b. alle relevante elementen waarover de vreemdeling beschikt, zijn overgelegd, en er is een bevredigende verklaring gegeven omtrent het ontbreken van andere relevante elementen; c. de verklaringen van de vreemdeling zijn samenhangend en aannemelijk bevonden en zijn niet in strijd met beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor zijn aanvraag; d. de vreemdeling heeft zijn aanvraag zo spoedig mogelijk ingediend, tenzij hij goede redenen kan aanvoeren waarom hij dit heeft nagelaten; en e. vast is komen te staan dat de vreemdeling in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd. 7.1. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte niet uitgaat van de door hem gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst. Eiser stelt dat hij een oprechte inspanning heeft verricht om te voldoen aan de eisen van verweerder. Hij heeft contact gelegd met zijn familie en in beroep fotokopieën van zijn huwelijksakte, zijn tijdelijke verblijfskaart voor Palestijnen en een uittreksel uit het register voor Arabische Palestijnen overgelegd. Verder heeft eiser een originele verklaring van een vriend van de familie overgelegd. Uit deze documenten blijkt dat eiser een staatloze Palestijn is. Verweerder heeft deze kopieën niet op juiste wijze onderzocht. Ook heeft verweerder hem onvoldoende tijd gegeven om aan originele documenten te komen. Dit is in strijd met de samenwerkingsplicht. Op verweerder rust een onderzoeksplicht. Ook stelt eiser dat de kopieën in samenhang met zijn verklaringen moeten worden bezien en dat daarom de wijze van beoordeling in strijd is met het geldende recht. Eiser beroept zich in dit verband op de arresten LH van het Hof en A.M.A. van het EHRM. Ook aan niet-geauthentiseerde documenten en dus aan kopieën komt bewijswaarde toe. Voor eiser is het onmogelijk om aan te tonen dat zijn moeder niet de Egyptische nationaliteit heeft. 7.2. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers verklaringen over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst niet geloofwaardig zijn. Zo heeft verweerder eiser kunnen tegenwerpen dat hij zijn verklaringen niet heeft onderbouwd met objectieve documenten die zijn identiteit, nationaliteit en herkomst volledig onderbouwen. Eiser heeft hiervoor geen goede verklaring gegeven. 7.3. Verweerder heeft zich daarbij terecht op het standpunt gesteld dat eiser wisselend heeft verklaard over zijn documenten, het verlies van zijn koffer en de nationaliteit van zijn moeder. Eiser heeft namelijk verklaard dat hij met behulp van een vals paspoort naar Nederland is gereisd. Dit document heeft hij niet kunnen overleggen omdat zijn reisagent dat heeft meegenomen. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat dit voor eigen rekening en risico van eiser komt. 7.4. Tijdens het aanmeldgehoor en het verhoor bij de Koninklijke Marechaussee heeft eiser verklaard dat hij zijn koffer met zijn originele documenten is kwijtgeraakt. Vervolgens heeft hij tijdens het nader gehoor hierover verklaard dat zijn koffer door de reisagent is ingecheckt en afgeleverd. Verweerder heeft eiser terecht tegengeworpen dat eiser niet heeft onderbouwd dat hij met een koffer is gereisd en dat hij deze koffer is kwijtgeraakt. Dit blijkt ook niet uit het proces-verbaal van de Koninklijke Marechaussee. In het aanvullend gehoor op 30 oktober 2024 heeft eiser vervolgens zijn eerdere verklaringen over het verlies van zijn koffer gewijzigd. Hij heeft verklaard dat de reisagent zijn koffer heeft gestolen en niet naar Nederland is afgereisd. Nadat eiser met deze tegenstrijdigheid is geconfronteerd heeft hij verklaard dat hij niet zeker weet of de reisagent op de luchthaven in Turkije eisers koffer heeft ingecheckt. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de verklaringen van eiser over het verlies van zijn koffer met daarin zijn originele documenten terecht tegenstrijdig heeft geacht. Eiser heeft hiervoor in beroep en ook niet op de zitting een verschoonbare reden gegeven. 7.5. Verweerder heeft eiser niet ten onrechte tegengeworpen dat hij geen enkel identificerend document heeft overgelegd om zijn gestelde identiteit en staatloosheid te onderbouwen. 7.6. Verweerder heeft eiser verder terecht tegengeworpen dat hij wisselend heeft verklaard over welke documenten hij tijdens zijn reis bij zich had. In het proces-verbaal van de Koninklijke Marechaussee staat immers dat eiser heeft verklaard dat hij met zijn eigen documenten heeft gereisd, terwijl eiser tijdens de gehoren heeft verklaard dat hij met een vals paspoort heeft gereisd. Hoewel eiser in de gelegenheid is gesteld deze tegenstrijdigheid uit te leggen is eiser hierin niet geslaagd. 7.7. Verweerder heeft eiser verder terecht tegengeworpen dat hij wisselend heeft verklaard over de nationaliteit van zijn moeder. Hiervoor heeft eiser in beroep en op de zitting geen goede verklaring gegeven. 7.8. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat eiser met het in kopie overgelegde individueel uittreksel overgelegd bij het aanvullend gehoor en de in beroep in kopie overgelegde huwelijksakte, tijdelijke verblijfskaart voor Palestijnen en het uittreksel uit het register van Arabische Palestijnen zijn identiteit, nationaliteit en herkomst niet alsnog aannemelijk heeft gemaakt. Ook niet met de originele verklaring van een vriend. Aan deze in beroep overgelegde documenten kan vanwege eisers onaannemelijke verklaringen over de wijze waarop hij deze documenten heeft verkregen minder waarde worden gehecht dan eiser dat zou willen. Zo heeft eiser verklaard dat hij de fotokopieën heeft verkregen via een Syrische man met wie hij in detentie in aanraking is gekomen, die kennissen heeft in Egypte, die bij eisers vrouw terecht zijn gekomen. De verklaringen daarover heeft verweerder niet ten onrechte te summier en toevallig geacht. 7.9. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eisers beroep op de hiervoor aangehaalde arresten van het Hof en het EHRM niet kan slagen. Hierbij heeft verweerder niet ten onrechte betrokken dat de fotokopieën niet op authenticiteit en echtheid zijn te controleren. Hoewel uit de vertalingen van deze documenten niet blijkt dat er onregelmatigheden zijn aangetroffen zijn, wat in eisers voordeel is, kan dit niet leiden tot de conclusie dat eiser zijn identiteit, nationaliteit en herkomst hiermee aannemelijk heeft gemaakt. Van eiser kan worden verwacht dat hij originele documenten overlegt om zijn identiteit, nationaliteit en herkomst aannemelijk te maken. Hierin is eiser niet geslaagd. Hierbij heeft verweerder niet ten onrechte betrokken dat eiser ongeloofwaardige verklaringen heeft afgelegd over het verlies van de originele stukken, vage verklaringen heeft afgelegd over zijn reisroute, tegenstrijdig heeft verklaard over het reizen met zijn eigen documenten dan wel met vervalste documenten en onaannemelijk heeft verklaard over de manier waarop hij het contact met zijn familie heeft hersteld. 7.10. Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank eiser niet in zijn betoog dat hij er alles aan heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem kan worden verwacht om zijn asielaanvraag te onderbouwen. 7.11. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn betoog dat verweerder in strijd met de samenwerkingsplicht heeft gehandeld door geen rekening te houden met eisers referentiekader en het feit dat hij in detentie zit en hem slechts korte tijd is gegeven om aan originele documenten te komen. Omdat eiser geen originele documenten heeft overgelegd en hij hier geen goede verklaring voor heeft gegeven, heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser zijn identiteit, nationaliteit en herkomst niet geloofwaardig niet met objectieve documenten heeft aangetoond. Eiser heeft zijn documenten niet zo snel mogelijk naar voren gebracht. Daarbij heeft verweerder niet ten onrechte betrokken dat eiser hiertoe voldoende gelegenheid heeft gehad. Dat eiser analfabeet is of stelt te zijn maakt niet dat niet van hem kan worden verwacht dat hij zich inspant om zo snel mogelijk originele documenten te overleggen om zijn identiteit, nationaliteit en herkomst aannemelijk te maken. Daarnaast strekt de samenwerkingsplicht niet zo ver dat verweerder altijd een overgelegd document op authenticiteit moet onderzoeken. 8. Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat verweerder eisers gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Moest verweerder het asielrelaas van eiser toetsen? 9. Nu verweerder eisers gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht is het asielrelaas van eiser terecht niet inhoudelijk beoordeeld. Kennelijk ongegrond 10. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank de asielaanvraag kunnen afwijzen op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c en d, van de Vw. In wat eiser in beroep aanvoert ziet de rechtbank geen reden voor een ander oordeel, gelet op wat hiervoor is overwogen. Beoordeling van de gronden tegen het terugkeerbesluit 11. Eiser voert aan dat verweerder geen terugkeerbesluit had mogen nemen voor Syrië en Egypte zonder het risico van refoulement te beoordelen. Eiser kan ook niet worden teruggestuurd naar Syrië vanwege het Besluit- en vertrekmoratorium dat op 9 december 2024 voor Syrië is ingesteld. Ten aanzien van Egypte merkt eiser op dat verweerder niet heeft uitgezocht of eiser kan worden teruggestuurd naar dat land. Hij heeft immers geen verblijfstatus in Egypte en ook geen toegang. Daarnaast is niet aangetoond dat eiser Egyptisch is. 11.1. De rechtbank stelt allereerst vast dat verweerder op de zitting Syrië als land van terugkeer heeft laten vallen, vanwege het Besluit- en vertrekmoratorium dat op 9 december 2024 voor Syrië is ingesteld. 11.2. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat verweerder geen terugkeerbesluit had mogen nemen voor Egypte zonder het risico van refoulement voor dat land te beoordelen. Uit jurisprudentie van de Afdeling volgt dat voor het nemen van een terugkeerbesluit niet is vereist dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van de vreemdeling zijn vastgesteld. Er kunnen meer landen van terugkeer worden aangewezen als de vreemdeling met verschillende derde landen banden heeft. In de uitspraak van 8 mei 2024 heeft de Afdeling dit oordeel herhaald. De doelen van de asielprocedure en het terugkeerbesluit verschillen. De asielprocedure is bedoeld om vast te stellen of de vreemdeling verblijf in Nederland moet worden toegestaan en het terugkeerbesluit om een doeltreffend verwijderings- en terugkeerbeleid te kunnen voeren. Uitgaande van het doel van het terugkeerbesluit hoeft bij het nemen van het terugkeerbesluit nog niet vast te staan naar welk land de vreemdeling daadwerkelijk moet of zou kunnen terugkeren. Als die landen nog niet vaststaan, is het terugkeerbesluit in zoverre een begin van een terugkeerproces en zal in bepaalde gevallen pas na aanvang van de terugkeerprocedure met meer zekerheid blijken op welke landen verweerder uitzettingshandelingen zal richten. 11.3. Uit jurisprudentie van de Afdeling volgt verder dat verweerder bij het nemen van een terugkeerbesluit geen extra onderzoek hoeft te doen naar het land van terugkeer als in de asielprocedure de identiteit, nationaliteit en herkomst van de vreemdeling niet aannemelijk zijn geworden doordat de vreemdeling onvoldoende medewerking heeft verleend. Een inhoudelijke en volledige beoordeling van het risico op non-refoulement blijft, als de vreemdeling zijn identiteit, nationaliteit en herkomst niet aannemelijk heeft gemaakt, achterwege bij het nemen van een terugkeerbesluit maar zal op een later moment alsnog kunnen en soms moeten plaatsvinden. De vreemdeling kan daar rechtsmiddelen tegen aanwenden. 11.4. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat voor het opleggen van een terugkeerbesluit een nader onderzoek naar het risico op refoulement niet was vereist en dat een dergelijk onderzoek bij een terugkeerprocedure aan de orde kan komen. 11.5. Eisers beroep op het arrest TQ van het Hof leidt niet tot een ander oordeel, nu in dat arrest geen vergelijkbare situatie aan de orde is. Uit dit arrest volgt dat verweerder voordat hij een terugkeerbesluit neemt over een niet-begeleide minderjarige vreemdeling ervan overtuigd moet zijn dat er in het land van terugkeer sprake is van adequate opvang. Conclusie en gevolgen 12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op goede gronden heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. 13. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. van Veen, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open. Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zoals bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c en d, van de Vw. Artikel 31, zesde lid, onder b, van de Vw. Artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), zie de uitspraken van 24 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:4061 en 6 februari 2017, ECLI:NL:RVS: 2017:292. Op grond van artikel 30b, eerste lid, onder c en d, van de Vw. Uitspraak van de Afdeling van 6 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:341, r.o. 6.6. Overeenkomstig artikel 3.109 van het Vreemdelingenbesluit en paragraaf C1/2.2 van de Vreemdelingencirculaire. Zie de uitspraak van de Afdeling van 27 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2084. Zie de uitspraak van de Afdeling van 20 maart 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:3595. Zie de uitspraken van de Afdeling van 29 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2539, 28 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1783, en 27 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2084. Uitspraak van de Afdeling van 19 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1904. Zoals neergelegd in artikel 4, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn. Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 juni 2021 in procedure C-921/19, ECLI:EU:C:2021:478. Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 25 oktober 2023, ECLI:CE:ECHR:2023:1024JUD002304819. Zie de uitspraak van de Afdeling van 18 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1326. ECLI:NL:RVS:2022:2506. ECLI:NL:RVS:2024:1970. Arrest van het Hof van 14 januari 2021, TQ, ECLI:EU:C:2021:9.

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...