Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2024:23780

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2024-12-30
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
NL24.44004 (beroep) en NL24.44005 (voorlopige voorziening)
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
11.498 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Beroep: ongegrond. Voorlopige voorziening: afgewezen. Eiser hoeft niet met alle tegenstrijdigheden in zijn verklaringen geconfronteerd te worden. Verweerder mocht eisers gestelde problemen met zijn oom ongeloofwaardig vinden.

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: NL24.44004 (beroep) en NL24.44005 (voorlopige voorziening) uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser) (gemachtigde: mr. H. Loth), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. F.E. Mahler). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening. 1.1. Eiser heeft op 19 oktober 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 5 november 2024 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. 2. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 5 december 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? Het asielrelaas 3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2002 en heeft de Tsjadische nationaliteit. Hij legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Na het overlijden van eisers vader is eiser door twee vrienden van zijn oom onder dwang naar het huis van zijn oom gebracht, waar eiser verplicht was om op plantages te werken. Ook werd eiser door zijn oom gebracht naar een terrein waar geschoten werd, zodat eiser kon wennen aan de geluiden van schoten. Eiser kon ontsnappen, is gevlucht naar een andere wijk in de hoofdstad en heeft daar werk gevonden. Eiser heeft zijn werkgever verteld over zijn problemen, waarna de werkgever eiser hulp aanbood om Tsjaad te kunnen verlaten. 3.1. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn asielrelaas een Tsjadisch paspoort overgelegd. Het bestreden besluit 4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven: eisers identiteit, nationaliteit en herkomst (ook wel het eerste asielmotief); en eisers problemen met zijn oom (ook wel het tweede asielmotief). 4.1. Verweerder vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Eisers problemen met zijn oom vindt verweerder niet geloofwaardig. Eiser heeft zijn verklaringen op dit punt niet (volledig) met objectieve documenten onderbouwd en zijn verklaringen vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Dat eiser uit Tsjaad komt is onvoldoende om aan te nemen dat eiser een vluchteling is als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of dat hij bij terugkeer naar Tsjaad een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM . Eiser komt daarom niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw. Verweerder heeft eisers aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat eisers verklaringen zijn beoordeeld als kennelijk inconsequent en tegenstrijdig. Wat vindt eiser in beroep? 5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Verweerder heeft zijn besluitvorming onvoldoende zorgvuldig voorbereid, omdat verweerder eiser ten onrechte niet in het nader gehoor heeft geconfronteerd met alle tegenstrijdigheden in eisers verklaringen. Eiser verwijst hierbij naar verweerders werkinstructie 2021/13 en artikel 3.113 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Ook verwijst eiser in dit kader naar een uitspraak van de hoogste bestuursrechter. Wat betreft de tegenwerping van tegenstrijdigheden in de verklaringen van eiser over zijn werk in de wasstraat heeft verweerder ten onrechte niet betrokken dat eiser geen precieze data kan noemen, waardoor dit hem niet tegengeworpen kan worden. Wat is het oordeel van de rechtbank? 6. De rechtbank beoordeelt of verweerder eisers asielaanvraag kon afwijzen als kennelijk ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. 7. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen. Heeft verweerder het besluit onzorgvuldig voorbereid? 8. Over de tegenstrijdigheden die verweerder heeft opgemerkt tussen eisers verklaringen in het gehoor bij de Koninklijke Marechaussee, het aanmeldgehoor en het nader gehoor, is de rechtbank van oordeel dat verweerder deze tegenstrijdigheden terecht heeft tegenworpen. Weliswaar heeft verweerder eiser tijdens het nader gehoor, zoals ook op zitting is besproken, niet met alle tegenstrijdigheden geconfronteerd, maar anders dan eiser aanneemt volgt uit de door eiser aangehaalde regelgeving niet dat eiser in het nader gehoor geconfronteerd had moeten worden met alle tegenstrijdigheden in zijn verklaringen. Dit volgt ook niet uit de door eiser aangehaalde uitspraak. Bovendien valt uit jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter af te leiden dat uit artikel 16 van de Procedurerichtlijn niet volgt dat verweerder alleen tegenstrijdigheden mag tegenwerpen waarmee de vreemdeling tijdens het nader gehoor is geconfronteerd. Uit diezelfde uitspraak volgt dat de vreemdeling ook met een zienswijze de mogelijkheid heeft om te reageren op de tegenstrijdigheden waarmee hij in het voornemen en niet in het nader gehoor is geconfronteerd. In dat geval wordt ook voldaan aan het vereiste uit artikel 16 van de Procedurerichtlijn. Dat verweerder eiser niet op de essentiële onderdelen van zijn relaas heeft geconfronteerd met tegenstrijdigheden, volgt de rechtbank niet. Eiser is geconfronteerd met de tegenstrijdigheden in zijn verklaringen over de dood van zijn broer en moeder. Dat geldt ook voor de tegenstrijdigheden met betrekking tot de verklaringen over hoe vaak eiser naar het terrein werd gebracht om naar schoten te luisteren. Verweerder mocht vinden dat deze verklaringen essentiële onderdelen zijn, nu deze raken aan de kern van eisers relaas. Bovendien is eiser in het voornemen geconfronteerd met tegenstrijdige verklaringen. Voor die tegenstrijdigheden heeft hij bij zijn zienswijze een nadere uitleg kunnen geven. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank dan ook geen grond voor het oordeel dat verweerder zijn besluitvorming onzorgvuldig heeft voorbereid. Heeft verweerder eisers verklaringen over het tweede asielmotief niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht? 9. Verweerder heeft – conform artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw – beoordeeld of eisers verklaringen over zijn problemen samenhangend en aannemelijk en niet in strijd zijn met beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor zijn aanvraag. Verweerder heeft daarbij de volgende omstandigheden kunnen betrekken. 9.1. Verweerder heeft eiser kunnen tegenwerpen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over het verblijf bij zijn oom. In het nader gehoor heeft eiser op vraag van verweerder verklaard dat hij elke nacht door zijn oom naar een terrein werd gebracht om te luisteren naar schoten. Later heeft eiser in hetzelfde gehoor verklaard dat dit niet elke dag gebeurde, maar slechts drie keer in totaal. Ook heeft verweerder aan eiser kunnen tegenwerpen dat hij inconsistent heeft verklaard over het overlijden van zijn broer. In het nader gehoor stelt eiser dat zijn broer voor zijn ogen is vermoord door zijn oom. Deze omstandigheid houdt, zoals verweerder niet ten onrechte heeft gesteld, direct verband met eisers vrees voor zijn oom. Verweerder mocht het dan ook bevreemdend vinden dat eiser hierover in het aanmeldgehoor niks heeft verteld, ondanks dat daar expliciet is gevraagd naar overleden familieleden. Verder heeft verweerder kunnen tegenwerpen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over de wasstraat waar hij werkte. In het aanmeldgehoor heeft eiser verklaard dat hij daar van 2021 tot de herfst van 2023 heeft gewerkt, terwijl hij in het nader gehoor verklaard heeft dat hij pas na het overlijden van zijn vader in juni 2024 werk vond in de wasstraat. Dat eiser moeite heeft met het noemen van precieze data wordt door verweerder aangenomen, maar dit kan – anders dan eiser stelt – aan het voorgaande niks afdoen. Uit het rapport van MediFirst blijkt dat eiser wel in staat zou moeten zijn om data bij benadering te noemen. Verweerder mocht vinden dat de tegenstrijdigheden te groot zijn om te veronderstellen dat het enkel om een fout van precieze data gaat en mocht vinden dat deze tegenstrijdigheden eisers relaas ondermijnen. Daarbij gaat het, zoals op zitting ook is besproken, niet om kleine verschillen en ook niet alleen om data. Eisers betoog ter zitting dat het niet precies kunnen reproduceren van data breed moet worden getrokken kan, gelet op het voorgaande, niet slagen. 9.2. Vanwege het bovenstaande heeft verweerder de verklaringen van eiser over zijn problemen met zijn oom niet geloofwaardig kunnen achten. Conclusie en gevolgen 10. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder de aanvraag op goede gronden heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarmee is het beroep ongegrond en blijft het bestreden besluit in stand. 11. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. 12. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Robio, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open. Zoals bedoeld in artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 ( Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 ( Trb . 1967, 76). Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Zoals bedoeld in artikel 30b, eerste lid, onder e, van de Vw. WI 2021/13 Nader gehoor. Uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 14 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3175. Uitspraak van de Afdeling van 19 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:182. Verslag nader gehoor, p. 9. Verslag nader gehoor, p. 22. Verslag nader gehoor, p. 14. Verslag nader gehoor, p. 22. Verslag aanmeldgehoor, p. 8. Verslag aanmeldgehoor, p. 7. Verslag nader gehoor, p. 6.

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...